Katharina Sieverding, Unwiderstehliche historische Strömung, 1979. Fotowerk, 400 x 380 cm © Peter Cox / Van Abbemuseum, Eindhoven

Het brede ruime fotobeeld (1979), gemaakt door Katharina Sieverding, had overwegend de bruingrijze kleur van slijmerig water. Dat was de allereerste indruk toen ik het werk voor het eerst zag, voordat ik er verder iets van wist. Misschien was er dunne olie in vermengd geraakt zodat het bewegen van het water er langzamer uitzag. Het water bewoog traag, het leek op korte golven die in elkaar gleden. Vermoedelijk was de foto ergens gevonden: een moment uit een rampenfilm dat als plaatje in een tijdschrift terecht was gekomen. Wie weet. Het water leek met onstuimige kracht te stromen. In het rusteloze oppervlak spartelde een man die tegen de stroming in probeerde zijn hoofd boven water te houden. Het beeld was donker. Het was nacht toen de drenkeling te water raakte. Het was een drenkeling, hij had nog kleren aan. Vanaf een schijnwerper (links, buiten beeld) kwam er licht op een helft van de man zijn gezicht terecht. Daar zien we, als het je opvalt, een oog dat wijd open staat.

Katharina Sieverding, zoals ze toen vaak deed, gebruikte of verwerkte dit kleine citaat uit een stuk film om er vervolgens een veel groter beeldtheater van te maken. De uitsnede uit de film werd eerst, als foto in een tijdschrift, gecomprimeerd tot compact beeld. Letterlijk een uitsnede. Dat kleine beeld werd dramatisch vergroot zodat het visueel enorm ging klinken als orgelmuziek. Het was een nieuw soort theatrale fotografie. Grossfoto’s noemde ze die werken, een soort historiestukken met veel ruimte en beeldende echo.

Midden in het woelige water zien we de drenkeling. In een film die beweegt, zien we het water ook stromen. De drenkeling spartelt en hapt naar lucht. In het donker was er kennelijk ook ergens licht: het is daarom dat we op het zwarte water hier en daar vlekken licht zien schuiven. In een film bewegen de lichtplekken met de stroming. Vanwege het ruimtelijk verschiet leek het dat de stroming zich voorwaarts, in de richting van de kijker, bewoog. Zo was de hele scène compleet in beweging. Op het moment echter dat een foto een uitsnede maakt in een bewegend filmbeeld staat de beweging onbeweeglijk stil. De randen van de uitsnede worden strakke beeldbegrenzing. De drenkeling die eerst voortstroomde, kwam nu voor in het omvangrijke beeld geheel stil te staan. Stil daaromheen ook heel zijn wateromgeving. Het onverbiddelijke beeld was nu geen kleine gebeurtenis meer. Het stilstaan was onheilspellend. Zo kwam het dat het beeld, groot als een toneel, een groot klinkende titel kreeg: Unwiderstehliche historische Strömung. Die woorden staan onder aan de rand van het fotobeeld. Omdat het werk onderlangs wat krult, is dat hier moeilijk te zien. Toen in 1979 het werk voor het eerst in het Van Abbemuseum hing, paste de hoogte precies op de wand. Later bij een verbouwing werd in de zaal de plint verhoogd. Vandaar die krul. Met zulke omstandigheden hebben kunstwerken nu eenmaal ook te maken.

Er zijn overal dingen te zien waar vertellers geen woorden voor hebben

Pas later kwam ik erachter dat het beeld van de man in het water het begin was van Charlie Chaplins film The Great Dictator. Eerst was mij dat ontgaan. Dat de loop van de geschiedenis als een machtige rivier nooit te weerstaan was, kwam natuurlijk uit de revolutionaire retoriek van de grote roerganger Mao.

Maar voor mij, toen ik het donkergrijze werk voor het eerst zag, werkte die hechte hoeveelheid water eerst en vooral als een grote maat grijs. Die was schitterend abstract en ruimtelijk theatraal. Ik zag een vreemd mateloos, geheimzinnig kunstwerk dat mij in zijn stroming volledig meesleepte. First we feel, then we fall, heeft geloof ik James Joyce ooit gezegd. Hoe ook een kunstenaar zijn werk laat beginnen (met of zonder Chaplin), en in welke richting, uiteindelijk gaat het om de overweldigende verrassing die het ons kijkers bereidt.

En dan dit: aan het begin van Inferno 13 vertelt Vergilius onder het lopen dat ze nu in de tweede ring komen en dan in een vlakte gruwelijk zand. Dan zegt hij tegen Dante: Daarom, kijk goed, dan krijg je iets te zien/ dat ongeloofwaardig was als ik het vertelde. Dat is werkelijk schitterend. Er zijn dus overal dingen te zien waar vertellers geen woorden voor hebben.

Vlak langs het museum stroomt een geruisloos smal riviertje door Eindhoven. De Dommel. In 1979 stroomde het langzaam en grijs. Er kwam van alles in terecht, bijvoorbeeld uit de nabije melkfabriek. Het water rook dan zoet. Het was zoet grijs, en zo met die kleur heb ik Katharina’s beeldverhaal nog steeds in mijn hoofd zitten.

PS. Dante heb ik geciteerd uit de vertaling van Rob Brouwer, Primavera Pers, Leiden