Een droevige despoot

Sana Valiulina begon ‘deze onderneming’ nadatze klassieke boeken van haar vader erfde © Frank Ruiter

Toen Gustave Flaubert aan Salammbo begon, wist hij wat hij zich op de hals haalde, met een historische roman die zich afspeelt in de Romeinse Oudheid. ‘Het kan mooi worden, maar het kan ook volstrekt idioot worden’, schreef hij in 1858 een brief. ‘Het is een werk dat bol staat van de problemen. De mensen een taal laten spreken waarin ze niet gedacht hebben!’

Bij elke historische roman sta je voor de opgave om een complete wereld integraal te herscheppen, maar voor de Oudheid geldt dit in extremis. Elk onbenullig detail vergt onderzoek. Of zoals Flaubert dat noemt: ‘Er bestaat geen klotezooi waar ik in dit verdomde boek niet tegenop loop.’

Die onbekende Oudheid herscheppen betekent deels ook onvermijdelijk je eigen fantasie erop projecteren. Historische romans zeggen vaak meer over de tijd waarin ze tot stand kwamen. Elke tijd heeft zijn eigen Oudheid. Bij Flaubert en Couperus is ze een wereld van decadentie en dromerige esthetiek. Bij Vestdijk is ze het decor voor existentiële levensvragen, bij Shakespeare dat van afgunst, intriges en macht. Na de lancering van het derde seizoen van de Netflix-serie Roman Empire wezen analyses op de parallellen tussen Caligula en Donald Trump.

Met die gedachten begon ik aan Een wolf bij zijn oren pakken, de historische roman die Sana Valiulina schreef over keizer Tiberius, stiefzoon van Augustus (hier Octavianus genoemd). Valiulina groeide op in Estland, onder de Sovjet-dictatuur, waarover ze schreef in Kinderen van Brezjnev (2014). Zouden we daar sporen van zien in haar portret van Tiberius, die bekendstaat als een van de wreedste keizers, een kolossale zuipschuit, fanatiek deelnemer aan orgieën en bacchanalen?

Voor die stereotypering is Valiulina in elk geval niet gezwicht. Haar Tiberius is een tragische figuur, een keizer tegen wil en dank die liever filosoof was geweest en die een groot liefhebber van mythen is, die kleurrijk naverteld worden in deze grote vertelling, die breed uitwaaiert, maar rust op twee sleutelepisodes, twee periodes van ballingschap, op twee verschillende eilanden: Rhodos en Capri.

In Valiulina’s vertelling herken je de poëtische elegantie van Ovidius en Vergilius

Op het eerste eiland blikt hij terug op zijn opmars, hoe hij als negenjarige opviel met de grafrede op zijn vader, en nu op Rhodos stort hij zich vol op de retorica en de filosofie, waar hij worstelt tussen animus en animo, ziel en verstand. Maar ook belandt hij in een weelderig bacchanaal, waar hij, zo is de suggestie, een kind verwekt dat een halve eeuw later zijn noodlot blijkt.

Dan bevindt hij zich op Capri, en regeert hij het Romeinse Rijk vanaf een afstand, terwijl de werkelijke macht is uitbesteed aan plattelandsridder Sejanus. Deze wil Tiberius om zeep helpen om blijvend de troon te veroveren. In plaats van geijkte bloed- en seksscènes biedt dit deel een hallucinante afdaling in de onderwereld, die Tiberius zelf vertelt, in een koortsige, erudiete, meeslepende monoloog die hij afsteekt tegen (mooi gevonden) de slang die hij houdt als huisdier.

Als je hier projecties van de eigen tijd wil vinden, zitten die vooral in de psychologie: de auteur maakt Tiberius menselijk, ze probeert door te dringen tot zijn droevige en tragische kern.

Het levert een boek op met een vrij hoog soortelijk gewicht, minder bestemd voor een publiek dat achterover denkt te gaan leunen als voor een seizoen Roman Empire. Het is eerder alsof je een ingewikkelde tekst uit de Oudheid in vertaling leest. Een heel goede vertaling overigens, vol schilderachtige panorama’s: ‘Er klonken luidkeels bevelen, de wapens werden met gekletter vastgemaakt, begeleid door het gestamp van de bespijkerde laarzen op het hout.’

Blijkens het nawoord begon ‘deze hele onderneming’ toen de auteur een plank boeken erfde van haar vader, classicus in de Sovjet-tijd, waar klassieke werken vaak nog wel de censuur doorstonden. Die boeken heeft Valiulina duidelijk geabsorbeerd. Ze lijkt zich ten doel te hebben gesteld om een boek te schrijven dat uit die tijd zelf stamt. Een waanzinnig experiment, dat nog gelukt is ook. Eerder schreef Valiulina in de toonaarden van Tolstoj en Dostojevski. Klaarblijkelijk beschikt zij over een groot mimetisch talent, het vermogen om zulke stemmen te incorporeren en eigen te maken. Dit boek moet je dan ook niet vergelijken met romans als die van Couperus, Flaubert of Vestdijk. Het is een klassieke vertelling, waarin je soms de intellectuele scherpte herkent van Tacitus, dan weer het bombastische van Plinius of de poëtische elegantie van Ovidius en Vergilius. Het is taal die soms betovert, soms uitdaagt. De gymnasiast in mij herkende allerlei in onbruik geraakte stijlmiddelen, zoals de effectieve inzet van een praesens historicum (abrupte omschakelingen naar de tegenwoordige tijd).

Als er al een centraal thema is aan te wijzen zou dat de universele vraag over noodlot tegenover de menselijke vrijheid kunnen zijn, maar het gaat hier vooral om een uitzonderlijke vorm van vertelkunst. Die put nadrukkelijk uit de wereld van ver vóór de roman, en hervindt daarmee een grillige onbevangenheid: achteloos meanderen van poëzie naar filosofie, van redevoering naar evocatie.

Voor zo’n experiment geldt nog veel sterker die onzekerheid van Flaubert, dat het mooi maar ook volstrekt idioot kan worden. Het werd zonder meer het eerste.