Een duik in de diepe tijd

De mens als soort is een geologische kracht geworden die de aarde met duizelingwekkende snelheid tot ver in de toekomst aan het vervormen is. Om de schaal en omvang van die vervorming te erkennen, moeten we een sprong in het diepe wagen. In de diepe tijd. Vier auteurs maken dat duidelijk.

De uitbarsting van de Eyjafjallajökull-vulkaan op IJsland, 15 mei 2010 © Etienne De Malglaive / Getty Images

De radioactieve Uranium-238-isotoop heeft een halveringstijd van 4,47 miljard jaar, een duizelingwekkende tijdspanne waar ik me geen enkele voorstelling bij kan maken. Dat lukt me overigens net zomin bij de meteorietinslag die het uitsterven van de dinosauriërs inluidde, 66 miljoen jaar geleden. Of het begin van het Plioceen, het tijdperk waarin het een paar graden warmer was op aarde, vijf miljoen jaar geleden. In mijn hoofd klonteren al deze prehistorische tijden samen tot een amorfe massa van één ‘heel lang geleden’.

Marcia Bjornerud noemt het ‘temporeel analfabetisme, een wijdverbreid gebrek aan kennis over tijdschalen, het ontbreken van gevoel voor temporele proporties’. In haar boek Timefulness: How Thinking Like a Geologist Can Help Save the World schrijft de Amerikaanse geoloog over onze ‘kinderlijke desinteresse en gedeeltelijk ongeloof in de tijd vóórdat we zelf op aarde verschenen’. We interesseren ons niet voor verhalen zonder menselijke hoofdrolspelers en de meeste mensen kun je maar beter niet lastigvallen met natuurhistorie. Dat is gevaarlijk, vindt Bjornerud: ‘Net als onervaren maar al te zelfverzekerde bestuurders versnellen we in landschappen en ecosystemen zonder gevoel voor lang ingesleten verkeerspatronen, om vervolgens verrast en verontwaardigd te reageren wanneer we worden geconfronteerd met de boetes op het negeren van natuurlijke wetten.’

Hoe duidelijker die boetes zich de laatste tijd tonen in de vorm van smeltende ijskappen, brandende bossen en verzuurde oceanen, hoe vaker journalisten, schrijvers en kunstenaars wel degelijk een sprong wagen in de diepe tijd.

Veel reizen in de diepe tijd beginnen in voorwaartse richting. Niets zo spannend als bespiegelingen over een toekomst waarin lijnen uit het heden zijn doorgetrokken; de hoeveelheid recentelijk gepubliceerde fictieve dystopieën getuigt hiervan. Maar ook in het wetenschappelijke non-fictiegenre wordt flink vooruit gereisd. Neem het radioactieve afval dat in het Finse plaatsje Olkiluoto onder de grond wordt verstopt, in de hoop dat toekomstige generaties in een verre toekomst hier niet mee in aanraking zullen komen. Een van de vele schrijvers en journalisten die deze plek bezochten is Robert Macfarlane. In Benedenwereld: Reizen in de diepe tijd beschrijft hij zijn bezoek aan de Finse tombe met de mysterieuze naam Onkalo (Fins voor ‘grot’ of ‘schuilplaats’). Deze ondergrondse plek, zwaarder beveiligd dan de strengst beveiligde gevangenissen ter wereld, noemt Macfarlane een ‘experiment in posthumane architectuur’. Want de chronologie van radioactieve stoffen ‘decentraliseert de mens, vermorzelt de eerste persoon tot irrelevantie’. De halveringstijden van radioactieve stoffen vallen immers buiten de menselijke maat.

Ook literair criticus David Farrier, auteur van Voetafdrukken: Op zoek naar de fossielen van de toekomst, bracht een bezoek aan Onkalo en vraagt zich af hoe je toekomstige generaties kunt waarschuwen voor het gevaar dat zich onder de grond bevindt. Het is het onderzoeksgebied van de ‘nucleaire semiotiek’ en Farrier én Macfarlane bespreken het in hun boeken met de nodige opwinding.

In Finland besloot men om vooral géén aandacht te besteden aan de opslagplaats. Dan is de kans het kleinst dat mensen proberen de stoffen op te graven. Wat niet weet, wat niet deert, is de gedachte.

Maar de Amerikaanse Environmental Protection Agency, epa, besloot juist wél een waarschuwingssysteem te ontwerpen voor een nucleaire afvalplaats. De Waste Isolation Pilot Plant, wipp, bevindt zich in New Mexico en zal in 2038 definitief worden afgesloten. De epa tuigde daarom een taskforce op om een markeersysteem te ontwerpen dat toekomstige generaties waarschuwt voor het nucleaire gevaar. Uiteraard omvatten de plannen de gangbare gevaartekens, zoals doodshoofden, en onheilspellende teksten in verschillende talen. Maar ‘alle woorden hebben een halveringstijd’, merkt Farrier op. ‘Door het gebruik slijt de waarde van sommige woorden en veranderen andere, maar ze zijn, net als radioactieve stoffen, alle onderworpen aan hetzelfde onverbiddelijke verval. In oude talen gespecialiseerde linguïsten noemen dit “semantische” of “fonetische erosie”.’

Om deze reden stelden experts tegelijkertijd vormen van ‘vijandige architectuur’ voor. Zo werd bijvoorbeeld gesuggereerd een ‘landschap van doornen’ te ontwerpen met behulp van betonnen, puntige pilaren. Een ander voorstel omvatte de bouw van een ‘zwart gat’, een groot blok zwart graniet dat zonne-energie absorbeert en op die manier ondoordringbaar heet wordt. Ook zou De schreeuw van Edvard Munch, als universeel teken van angst, in veelvoud te zien zijn op de plek. Het klinkt allemaal erg Hunger Games – dystopisch. De vraag is bovendien of dergelijke ‘vijandige architectuur’ niet juist de interesse opwekt voor de verboden vrucht. Wat heeft immers meer aantrekkingskracht op mensen dan een plek die je om onbekende reden niet mag bezoeken?

De panels van de taskforce bestaan uit verschillende experts, zoals linguïsten, geologen, architecten en grafisch ontwerpers. Het hele project blijkt een helse klus en de vraag is wat het eindresultaat zal zijn. Maar als de zogenaamde ‘wipp-bakens’, de vijandige architectuur rondom de opslagplaats in New Mexico, er inderdaad komen, zullen ze ‘een landschap beschrijven dat kant-en-klaar is om gemythologiseerd te worden, terwijl ze hun angstaanjagende boodschap uitzenden op een moment dat hun makers al lang tot stof zijn vergaan. Maar op de aard van deze mythen, of ze het over ons fatsoen of over onze woestheid hebben, kan geen enkel levend wezen invloed uitoefenen’, aldus Farrier. Bovendien wijst hij erop dat de waarschuwingssystemen iets pervers hebben: ‘Er lijkt ook iets van zelfverheerlijking om deze informatie heen te hangen: het gaat niet alleen om een waarschuwing, maar ook om een getuigenis over het toppunt van destructie dat onze beschaving heeft kunnen bereiken. Wellicht is de ware strekking van het advies aan onszelf gericht.’

'De schreeuw' van Edvard Munch, als universeel teken van angst, zou als waarschuwing te zien zijn op de plek

Macfarlane verwoordt dat advies trefzeker: ‘Denken in radiologische tijd betekent niet noodzakelijkerwijs vragen wat wij van de toekomst maken, maar wat de toekomst van ons zal maken. Welke nalatenschap laten we achter… Zijn we goede voorouders?’ Farrier schrijft dat we met de splijting van het atoom onszelf niet hebben vergoddelijkt, maar dat de energie van het uraniumatoom ‘ons in smekelingen heeft veranderd tegenover de nieuwe onsterfelijke goden die we zelf hebben geschapen. En net als bij de oude goden lijkt het onvermijdelijk dat deze nieuwe goden (…) hun eigen collectie mythen zullen opeisen, die over het nucleaire moment zullen gaan dat zich onder de huidige tijd verbergt.’

De splijting van het atoom heeft ervoor gezorgd dat de mensheid in een fractie van een seconde stoffen kan produceren die op onvoorstelbare tijdschalen bewaard blijven. De zwartste materialen op aarde vertegenwoordigen misschien wel de zwartste kant van de mens. Maar net als het atoom is ook de menselijke geest gespleten. Want Onkalo is ook de plek waar mensen werken die zich zorgen maken om mogelijk gevaar voor hun onbekende toekomstige generaties. Zowel Farrier als Macfarlane bespreekt het bezoek aan Onkalo dan ook voornamelijk in dat hoopgevende licht.

Wie wil begrijpen wat er op dit moment gebeurt op aarde zal echter daadwerkelijk in het diepe verleden moeten springen. Want alleen dan kun je de aarde in beweging zien komen. Denk aan een lange film van een plant die, versneld afgespeeld, plotseling het wonder toont van een bloem die ontluikt. Het tempo waarin wij leven maakt het ons onmogelijk om te zien dat de plant groeit en het moment van ontluiken ontgaat ons. Maar we weten wel degelijk dat het gebeurt. De plant bevindt zich in een andere temporele dimensie, maar wetenschap en technologie helpen ons het wonder waar te nemen.

Op dezelfde manier leven rotsen, stenen en sedimenten in een andere temporele dimensie. Een dimensie die nóg veel langzamer is dan de plantaardige tijd. Onderzoek van de strata, aardlagen in de bodem van de aarde, biedt ons het versnelde filmpje waarop we kunnen zien dat wat op het eerste gezicht levenloze materie leek in feite continu in beweging is. De diepe tijd brengt ons op die manier in relatie met bewegende grond onder onze voeten, met van richting veranderende rivieren, met aanzwellende en zich weer terugtrekkende zeeën en oceanen. De diepe tijd brengt het strakke decor van onze statische ‘natuur’ fundamenteel aan het wankelen.

Bjornerud pleit voor meer temporele geletterdheid, voor ‘timefulness’. In haar boek Timefulness legt ze uit hoe je door geologisch denken kunt inzien dat ‘rotsen geen zelfstandige naamwoorden zijn, maar werkwoorden – zichtbaar bewijs van processen: een vulkanische uitbarsting, het aangroeien van koraal, de groei van een bergketen’.

Ze vergelijkt de geologie met natuurkunde en scheikunde, die vaak als de hoogste wetenschappen worden beschouwd vanwege hun ‘kwantitatieve exactheid’. Maar, schrijft ze: ‘Zulke exactheid is slechts mogelijk in zeer gecontroleerde, onnatuurlijke situaties, losgemaakt van elke specifieke geschiedenis of moment. Deze wetenschap wordt “puur” genoemd. Veelzeggend, want ze zijn puur in de zin van wezenlijk a-temporeel, onbezoedeld door tijd, slechts betrekking hebbende op universele waarheden en eeuwige wetten.’

Bloemen bedolven door as na uitbarsting van de Eyjafjallajökull-vulkaan op IJsland, 13 mei 2010 © Etienne De Malglaive / Getty Images

Geologie daarentegen plaatst ons juist keihard in de tijd en kan tegelijkertijd boven de grenzen van de menselijke ervaring uitstijgen. Hoewel Bjornerud toegeeft dat zelfs geologen soms de mens als maatstaf blijven nemen. Zo is een bekende metafoor voor de geschiedenis van de aarde die van de klok. Onze eigen soort, de mens, is pas op het toneel verschenen vlak voor middernacht, terwijl onze verre familie van andere organismen al op aarde is vanaf zes uur ’s ochtends. En de aarde zelf bestaat dan dus al bijna een heel etmaal. Bjornerud wijst deze metafoor af, omdat de analogie impliceert dat er geen toekomst is na ons. Want wat gebeurt er na middernacht?

Bovendien ontkent deze vergelijking hoe de mens verweven is met de aarde, hoe groot de menselijke impact is. Misschien zijn we er pas kort, maar de gevolgen van onze aanwezigheid zijn veelomvattender dan die paar minuten voor twaalf. Processen die normaal gesproken miljoenen jaren duren, spelen zich nu af in een paar menselijke generaties. Farrier verwijst naar wetenschapsschrijver Gaia Vince die heeft vastgesteld dat ‘elke weg die door het Amazone-regenwoud wordt aangelegd gevolgd wordt door een “halo van ontbossing” van vijftig meter breed, die tot nieuwe aardverschuivingen en erosie leidt, en als zodanig bijdraagt aan een versnelling in de kringloop van afzettingsmateriaal over de hele wereld. Op jaarbasis verplaatsen mensen nu meer sediment dan alle rivieren bij elkaar – ongeveer 45 gigaton – waardoor de kans toeneemt dat onze sporen, inclusief de wegen zelf, begraven zullen worden en als toekomstige fossielen bewaard zullen blijven.’

Dat wat op het eerste gezicht levenloze materie leek is in feite continu in beweging

Zoals enorme hoeveelheden materie zich samenpersen in één zwart gat, zo perst de diepe tijd zich nu samen in een enkel mensenleven. Timefulness, of temporele geletterdheid, kan ons hiervan bewust maken, denkt Bjornerud. Ze vergelijkt kennis over de morfologie van een bepaald landschap met het inzicht dat je kunt hebben als je plotseling de etymologie van een alledaags woord leert. ‘Een raam wordt geopend en verlicht een ver maar herkenbaar verleden – als een herinnering aan iets dat vergeten was.’

Onze weerzin tegen diepe tijd en de onbevattelijkheid ervan heeft te maken met existentiële angsten voor een tijd zonder ons, met onze eigen doodsangst. Daarom leven we liever in onze eigen menselijke, temporele proporties en doen we alsof die mensentijd tijdloos is. Maar nu mensentijd en geologentijd in elkaar overlopen, ontkomen we er niet aan om ons te bekwamen in ‘timefulness’.

In zijn boek On Time and Water toont de IJslandse schrijver Andri Snær Magnason zich een bedreven beoefenaar van timefulness. Hij wijst er eveneens op dat we de veranderingen die plaatsvonden over miljoenen jaren nu zien gebeuren in één mensenleven. ‘We zijn voorbij de geologische tijd’, schrijft hij, en dit heeft tot gevolg dat ons systeem van betekenisgeving instort. ‘Als een systeem instort, wordt taal losgemaakt als boten van hun vaste ligplaatsen. Woorden die de realiteit moesten omvatten hangen plotseling leeg in de lucht, nergens meer op van toepassing.’ Waren de gletsjers in IJsland voor Magnasons grootouders de eerste gletsjer-monitors van IJsland, nog een decor voor de eeuwigheid, inmiddels verdwijnen deze ijsreuzen voor hun ogen. Het gaat erom een nieuwe taal te vinden voor deze nieuwe werkelijkheid.

Denken over de klimaat- en biodiversiteitscrisis, over wat er op dit moment gebeurt met de aarde, pogingen om daar betekenis aan te geven – Magnason vergelijkt het met een zwart gat. ‘Geen enkele wetenschapper heeft ooit een zwart gat gezien… De manier om een zwart gat te zien is om er voorbij te kijken.’ Daarom is voor hem de enige manier om over onze relatie met de aarde te schrijven: ‘Door erlangs te gaan, eronder, in het verleden en in de toekomst, door zowel persoonlijk als wetenschappelijk te zijn en door het gebruik van mythologische taal.’ In een eerder interview dat ik met Magnason hield legde hij uit dat mythen over het begin van de aarde zich vaak afspelen in enkele dagen. Denk aan hoe God de aarde schiep. Daar is sprake van een zelfde soort verdichting van de tijd, want alleen op die manier kunnen wij als mensen een vertaalslag maken van diepe tijd naar mensentijd.

De Noorse mythologie over een bevroren koe die de wereld schiep verbindt hij, na een gesprek met de dalai lama, met de mythologie in de Himalaya over een heilige gletsjer waar de vier grote rivieren van Azië ontspringen en die wordt gezien als de ‘bron van al het leven’. De bronnen van het leven zijn aan het verdwijnen: zo is de verwachting dat de Snæfellsjökul, de beroemde gletsjer waar Jules Verne een ingang vond en begon aan zijn Reis naar het middelpunt van de aarde (1864), over dertig jaar verdwenen zal zijn.

De IJslander schakelt gemakkelijk van gletsjers naar vulkanen. Toen de Eyjafjallajökul, een vulkaan in IJsland, in 2010 uitbarstte, werd het Europese vliegverkeer zes dagen lamgelegd. Tijdens de uitbarsting stootte de vulkaan 150.000 ton CO2 per dag uit. Tegelijkertijd voorkwam de vulkaan, door het stilleggen van vliegtuigen, 300.000 ton aan menselijke CO2-uitstoot per dag. ‘Het was de eerste milieuverantwoordelijke uitbarsting in de geschiedenis’, constateert Magnason.

Te constateren dat we in mythologische tijden leven is geen overdrijving, schrijft Magnason: ‘Wereldleiders komen bij elkaar en praten over het weer.’

De zoektocht naar die nieuwe taal, naar nieuwe vormen van betekenisgeving, wordt soms verward met het archiveren en vastleggen van alles wat we in het heden van waarde achten. Bevroren dna van uitgestorven diersoorten, genetische barcodes voor alle soorten op aarde of zelfs het vastleggen van alle informatie van het internet in dna-moleculen. Het voelt als een angstvallige poging om het natuurlijke, aardse heden te bewaren in het vooruitzicht van een griezelige toekomst, waarbij miskend wordt dat de schoonheid van de zaken die we willen bewaren nu juist wezenlijk geaard is in de grond van de aarde en in de tijd van het heden.

David Farrier constateert dan ook ‘een scherpe tegenstrijdigheid tussen het feit dat wetenschappers overwegen om dna als opslagruimte te gebruiken voor langetermijnarchieven en het feit dat de mondiale biodiversiteit in elkaar stort. Het feit dat we andere levensvormen simpelweg als hulpbronnen zien, verklaart voor een groot deel de ellendige situatie waarin wij ons nu bevinden, maar terwijl het onze zorg hoort te zijn om een levensvatbare toekomst mogelijk te maken voor alle levende wezens kijken we nu naar het leven zelf om onze eigen verhalen veilig te stellen.’

In Voetstappen vertelt Farrier het fascinerende verhaal van ‘The Preserving Machine’ van Philip K. Dick in The Magazine of Fantasy and Science Fiction. Het is het verhaal van een wetenschapper, DocLabyrinth, die de beschaving van zijn tijd niet verloren wil laten gaan en zich afvraagt hoe hij de bijzondere prestaties van zijn tijd voor altijd kan bewaren. Omdat hij vooral bezorgd is over het verlies van muziek ontwerpt hij een ‘bewaarmachine’ die het mogelijk maakt om partituren in levende wezens om te zetten. Composities van Bach slaat hij op in kevers, liederen van Schubert in lammeren, een symfonie van Mozart wordt een vogeltje met een pauwenstaart. Als de mooiste muziek is opgeslagen ‘laat Labyrinth zijn dieren los in het bos achter zijn huis, maar ze verwilderen snel, vreten elkaar op en vullen de nacht met hun kreten. De geleerde, die verstoord is geraakt door deze onverwachte wending, vangt een van de Bach-kevers en brengt die weer terug naar de bewaarmachine. De muziek die eruit komt is onherkenbaar, een onaardse kakofonie die hij nooit eerder heeft gehoord.’ De dieren zijn geëvolueerd door de interactie met hun omgeving en het verstrijken van de tijd en de opgeslagen informatie is onbruikbaar.

Farrier vindt ‘het vooruitzicht om de dingen die we het meest waarderen over te laten aan de zorg van microben eveneens schokkend. Ik vroeg me af of, als je een bezoek moet brengen aan het laboratorium in plaats van aan de bibliotheek om informatie terug te halen, en die informatie opgeslagen is in flesjes in plaats van in boeken, we datgene wat er tevoorschijn komt nog steeds als het onze zullen beschouwen. Als een scheringdraad het weefsel binnenkomt en een vreemd element meeneemt, wat dan? We kunnen misschien het verzamelde werk van Shakespeare als een gesynthetiseerd microbieel geheugen opslaan, maar als dat terugkeert als de versies van de grote werken in Borges’ bibliotheek, die alle van het origineel verschillen, al is het maar met een enkele fout, moeten we wellicht gaan nadenken over de vraag wat we eigenlijk aan het lezen zijn, en wat voor soort informatie – wat voor léven – die vertegenwoordigen.’

Nieuwe betekenisgeving is niet gelegen in het bevriezen van het heden, maar in het formuleren van een langetermijnvisie. De noodzaak van een dergelijke visie wordt volgens Bjornerud ‘steeds acuter, juist in een tijd van het “Narcistische Nu”.’ Macfarlane roept op tot ‘een retrospectieve lezing van het huidige moment – een paleontologie van het heden, waarin we zelf zijn verworden tot sedimenten, strata en geesten’. Want hoewel de meeste mensen misschien individueel deugen, is de mens als soort, als collectief, een geologische kracht geworden die de aarde met duizelingwekkende snelheid tot ver in de diepe toekomst aan het vervormen is. Om de werkelijke schaal en omvang van deze vervorming te erkennen en voelen, zullen we de sprong in het diepe moeten wagen. Want de diepe tijd is nu onze tijd.