Hitlers gewillige beulen, Daniel Goldhagen

Een duivels volk

Volgens historicus Daniel Goldhagen was heel Duitsland verantwoordelijk voor de holocaust, zo schreef hij in Hitlers gewillige beulen. Dat hij een heel volk in de beklaagdenbank zette, kwam hem op veel kritiek te staan, ook van vakbroeders.

Begin jaren negentig verschenen er twee boeken over hetzelfde Duitse politiebataljon dat actief was in noordoostelijk Polen tussen juli 1942 en mei 1943, de sinistere hoogtijdagen van de holocaust. De mannen van Polizeibataillon 101 stonden onder bevel van de SS, maar waren zelf reservisten van middelbare leeftijd uit de lagere middenklasse van Hamburg. Ze waren aanvankelijk afgekeurd voor militaire dienst, en zouden alleen ingezet worden om krijgsgevangenen te bewaken. De mannen waren geen overtuigde leden van de nazipartij, waren geen geharde soldaten gewend aan geweld, en toen hun commandant hun meedeelde dat hij er niets aan kon doen, maar dat van hogerhand was besloten dat ze moesten meewerken aan de ‘ruiming’ van wat uiteindelijk 83.000 joodse ouderen, vrouwen en kinderen zouden blijken, deed hij dat met tranen in zijn ogen. De commandant zei dat wie gewetensbezwaar maakte, niet gedwongen zou worden mee te werken, waarop maar twaalf van de vijfhonderd zeiden dat ze het niet konden.

Medium 2 20retrieveasset 2.aspx

Waarom zo weinig?

Het ene boek dat die vraag probeerde te beantwoorden kwam van Christopher R. Browning, een Amerikaanse historicus verbonden aan een kleine universiteit in de staat Washington. Zijn Ordinary Men (1992) was grotendeels gebaseerd op verklaringen die de Duitse soldaten aflegden kort na de oorlog. Browning liet zien hoe de groepsdruk werkte. Soldaten verklaarden niet te willen afhaken, niet anderen ergens mee te willen opschepen. De redeneringen kwamen in alle soorten en maten. Een soldaat weigerde kinderen te vermoorden omdat hij zelf kinderen had; een andere soldaat bood juist aan kinderen te vermoorden omdat hij ze zelf had en hij dus wist dat het zo met compassie zou gebeuren. De genocide verliep in meerdere ‘rondes’ en nam dagen in beslag; veel soldaten probeerden hun snor te drukken na een ronde te hebben meegemaakt, zetten het op een zuipen, wandelden doelloos door het bos, deden het voorkomen alsof ze druk waren met andere dingen. Maar uiteindelijk werd de smerige klus geklaard.

Inmiddels geldt Ordinary Men als een klassieker binnen de holocauststudies, het dunne boek is nog altijd in druk en is adembenemend om te lezen. Browning weet een intieme kijk te geven in de gewetens van ‘gewone mannen’ die tegen wil en dank massamoordenaars worden. Dat is de communis opinio nu, en dat was de communis opinio toen het boek uitkwam. Recensies waren laaiend enthousiast, op eentje na, in het gezaghebbende weekblad The New Republic.

Het tweede boek over bataljon 101 verscheen vier jaar later, onder de titel Hitler’s Willing Executioners, en was geschreven door een jonge universitair docent aan Harvard die niet toevallig recensent was bij The New Republic: Daniel Jonah Goldhagen. De focus van Goldhagen was veel directer: hoe kan het dat tijdens de oorlog niet één Duitse soldaat werd gestraft voor het weigeren om joden te vermoorden? Als gewone soldaten niet wilden moorden, dan hoefden ze dat niet, schreef Goldhagen, maar ze wilden het juist wel. Dat was de crux.

Volgens Goldhagen was de jood voor het Duitse volk wat Moby Dick was voor kapitein Ahab: hij moest en zou hem vangen en vernietigen, ook al ging het tegen elke rationaliteit in. Vanaf de Middeleeuwen waren de Duitsers gevoed met antisemitisme, van de katholieken tot Luther, en toen Hilter en Goebbels hun massapropaganda op het publiek loslieten, was dat als olie op het vuur. Niet alleen was extreem antisemitisme ‘het definiërende aspect van het Derde Rijk’, schreef hij, ‘het was het definiërende aspect van de Duitse maatschappij’. Dus toen Hitler beulen nodig had, stond de gewone Duitser klaar, een rol waar hij al generaties op had staan te wachten. Dat verklaarde waarom honderdduizenden Duitsers met schrikbarende efficiëntie een vortex van genocide creëerden.

Goldhagen stapelde anekdote op anekdote, uit dagboeken en egodocumenten van soldaten en kampbewakers, die het ijverige, sadistische karakter van de Endlösung onderstreepten. En passant gaf hij een veeg uit de pan aan zo’n beetje elke historicus van de holocaust die hem was voorgegaan. Historici als Browning zouden de intrinsieke slechtheid van het Duitse volk met de mantel der liefde bedekken, het was een vorm van revisionisme, van wegkijken van het absolute kwaad.

Goldhagens boek verscheen bij een serieuze uitgeverij, werd als een ‘major publishing event’ in de markt gezet, kreeg serieuze besprekingen in serieuze bladen. Het werd in meer dan een dozijn talen vertaald. Simon Schama, toen verbonden aan de New Yorker, schreef dat het boek ‘de vrucht (was) van fenomenaal wetenschappelijke arbeid en volledige integriteit, dat voorgoed het debat over de holocaust zal veranderen’. New York Times-_columnist A.M. Rosenthal schreef dat het lezen van _Hitler’s Willing Executioners voor hem een ‘even vormende ervaring was’ als zijn bezoek aan Auschwitz, kort na de oorlog.

Tegelijk maakten veel recensenten bezwaar tegen zijn centrale these. Want als ‘heel Duitsland’ voor de vernietiging van de joden was, waarom probeerde de nazitop die vernietiging zich dan te laten afspelen in stilte en uit het zicht van de bevolking? En als een virulent antisemitisme vrijelijk in elke doorsnee Duitser heerste, waarom was er dan zoveel protest van inwoners van Berlijn tegen de Kristallnacht dat Hitler deze als een propagandamislukking zag, en verbood verdere pogroms te organiseren?

Goldhagen maakte collega Norman Finkelstein uit voor zelfhatende joodse Hamas-aanhanger

Maar er was meer aan de hand met Hitlers gewillige beulen, zoals het boek in het Nederlands heet. Een brievenschrijver die op de bespreking in de London Review of Books reageerde, merkte op dat Goldhagen de terugkerende beschuldigingen van rituele moord als voorbeeld gaf van het wijdverspreide Duitse antisemitisme. Rituele moord, vooral op kinderen, is zo’n hardnekkig verzinsel dat sinds de Middeleeuwen op joden wordt gespeld. Goldhagen citeerde een studie die erop wees dat er tussen 1867 en 1914 twaalf rechtszaken over rituele moord plaatsvonden in Duitsland en Oostenrijk. Maar, schreef de brievenschrijver, als je de bladzijde in de geciteerde studie omslaat, zie je dat elf van die zaken tot niets leidden.

Hetzelfde gold voor Goldhagens onderbouwing dat ‘the vast majority of the German people (…) were aware of what their government and their countrymen were doing to the Jews, assented to the measures, and, when the opportunity presented itself, lent their active support to them’. Voor verdere empirische onderbouwing verwees Goldhagen naar een academische studie over de publieke opinie tijdens de nazitijd. Maar als je deze studie erbij pakte, zag je dat de academicus zulke uitspraken helemaal niet deed.

De brievenschrijver in de London Review of Books was niet zomaar iemand. Het was Norman Finkelstein, een veelbesproken, polemische academicus die naam had gemaakt door historische studies te ‘ontmaskeren’ als politieke geschriften. Finkelstein maakte er een zaak van en publiceerde samen met een Duitse collega, Ruth Bettina Birn, een boek waarin ze Goldhagens wetenschappelijk werk naliepen en hem op talloze fouten betrapten.

De zaak spleet de academische wereld in tweeën, veel historici distantieerden zich van Goldhagen en sloten zich, schoorvoetend, bij de beruchte Finkelstein aan. Het leverde de situatie op dat Finkelsteins (en Birns) weerwoord A Nation on Trial: The Goldhagen Thesis and Historical Truth met dubieuze aanprijzingen kwam, zoals die van Christopher Browning: ‘Ik ben het niet eens met veel van Finkelsteins conclusies, maar ben de auteurs dankbaar.’ De Duitse media namen het werk van Finkelstein en Birn gretig over, met als gevolg dat Goldhagen zich bij verschillende gelegenheden in Duitsland door bodyguards moest laten begeleiden.

Boeken over daders zijn nooit alleen historische werken. Ze bevatten onherroepelijk een mensbeeld. Hannah Arendt had haar boek over Eichmann niet kunnen schrijven als ze types als Eichmann niet had gekend, en had gezien hoe stapsgewijs racisme beleid kon worden. Chris van der Heijden had zijn Grijs verleden niet geschreven als hij er niet ergens van overtuigd was dat een mens een speelbal is van omstandigheden en uiteindelijk voor zelfbehoud zal kiezen. Bespiegelingen op de holocaust zijn bespiegelingen op mensen. Daarom is het zo belangrijk om te proberen de holocaust te begrijpen, omdat we zo kunnen proberen te begrijpen hoe we reageren wanneer we gegijzeld worden door angst en haat, en tot hoeveel kwaad we zelf in staat zijn.

De rel die ontstond rond Goldhagens brongebruik ging niet alleen over slordig academisch werk, het ging juist om dat mensbeeld. Opeens bleek dat zijn anekdotes en citaten in dienst stonden van een bepaalde overtuiging. Finkelstein vermoedde dat Goldhagens these voortkwam uit diens steun aan de rechtse politiek van Israël: Goldhagen maakte van antisemitisme zoiets groots en fundamenteels, dat niets behalve volledige machtspolitiek Israël kon beschermen, en dat niemand het recht had die machtspolitiek in twijfel te trekken. (Goldhagen op zijn beurt maakte Finkelstein voor zelfhatende joodse Hamas-aanhanger uit, en deed zijn best Finkelsteins boeken uit de handel te laten nemen.)

De hele Israël-link is een speculatief verhaal apart, maar wat talloze historici, essayisten, columnisten en gewone lezers (het boek was tegen de tijd dat de rel uitbrak al een bestseller) kwaad deed opspringen, was dat Goldhagen op een heel wezenlijke manier de menselijkheid uit het debat haalde. In zijn visie waren er geen daders die vanuit racisme of vanuit sociale druk tot gruwelijke dingen in staat waren, nee, er waren alleen Duitsers, een duivels volk. Dat was de reden dat juist ook veel tijdschriften met een joodse traditie – Commentary bijvoorbeeld – het boek verwierpen: Goldhagen ontsloeg de niet-Duitse lezer van de moeilijke vraag: ‘Wat zit er in onze cultuur en onze manier van denken dat onze menselijkheid zo kan vervormen dat etnische zuivering een logisch en praktisch doel wordt?’

Goldhagen nam uiteindelijk ontslag aan Harvard, om als fulltime publicist verder te gaan. Dat gaat hem niet onverdienstelijk af, zijn boeken over antisemitisme worden nog steeds vertaald, je komt zijn naam tegen in internationale kranten en bladen, maar zelden nog buiten de opinieafdeling. Zoals The Guardian als motto heeft: ‘Comment is free, but facts are sacred.’


Boeken die ons boos maakten

Soms valt een boek als een vinger op een zere plek, die de lezer boos, verontwaardigd of gekwetst laat opspringen. Doet het boek dan iets heel erg fout, of juist iets heel erg goed? Deze zomer herleest De Groene de naoorlogse boeken, fictie en non-fictie, die ons deden opschrikken en het boek door de kamer lieten smijten, van Nabokovs Lolita tot The Bell Curve van Murray Herrnstein. Was de verontwaardiging aan een specifieke tijd en moraal gebonden, of blijft die verontwaardiging vandaag nog steeds overeind?


Beeld: Leden van Polizeibataillon 101 bewaken het getto van Lodz; joodse politiemannen moeten op de knieën (United States Holocaust Memorial Museum / Courtesy Michael O'Hara)