Liefde in tijden van verandering Aruba

Een dushi met big boobs

Op Aruba praten leerlingen openlijk over hun seksuele geaardheid, of de pil, maar bijna iedereen is tegen abortus. Toch wordt het ‘knettergekke eiland’ modern: ‘Men laat de eigen tradities en taboes achter zich.’

Medium 05533812

ik was een week of vier op het eiland, toen een Arubaanse voorzichtig tegen me zei, het is inmiddels een jaar geleden: ‘Als je wil kunnen we wel blijven scharrelen…’

Blijven scharrelen? Nog nooit had een vrouw me zoiets voorgesteld, in die bewoordingen. Maar ik begreep natuurlijk wel wat ze zo ongeveer moest bedoelen en dacht aanvankelijk dat ze tactvol was en me niet onmiddellijk voor het blok wilde zetten, bang natuurlijk mij van zich af te stoten, tenslotte kenden we elkaar nu precies één avond en één nacht. Het duurde een paar maanden, maanden van scharrelen, eer tot me door begon te dringen dat de zaken hier misschien anders lagen en zij die ruimte voor zichzelf had gewild. Tenslotte waren dit de harde feiten: zij was 34, ik 51. Voor wie alle hoop nog niet had laten varen, waar in haar geval geen enkele reden toe was, leek het inderdaad beter maar met mij te blijven scharrelen.

Ze was net terug uit Nederland, had er een tweede master gehaald – daar was ik wel van onder de indruk. Haar baan bij een ministerie hier op Aruba was voor haar bezet gehouden, daar kon ze zo naar terug, en met die tweede master op zak was het een kwestie van maanden eer ze ‘meer verantwoordelijkheid’ zou krijgen, met bijbehorend salaris – en ze verdiende nu al meer dan ik, docent Nederlands op een middelbare school, dezelfde waar zij ooit op had gezeten. Ze dacht er nu over een huis te kopen en ook maar gelijk een nieuwe suv, want op Aruba kon je natuurlijk niet zonder auto. Aan een tweedehands auto begon ze niet meer, want daar had je hier altijd problemen mee, en ze was een vrouw, dus ze kon het zich niet veroorloven midden in de nacht ergens in de cunucu, het Arubaanse platteland, met pech langs de kant van de weg te staan, want dan was je overgeleverd aan dronkelappen en chollers (junks, zwervers).

Dat ze een vrouw was, merkte ik ook aan andere dingen. Zo droeg ze doorgaans een korte, strakke rok of jurk, en liep ze eigenlijk altijd op tien centimeter hoge hakken, wat van haar, een betrekkelijk grote vrouw, een nog grotere vrouw maakte, maar daar had ze geen moeite mee. Het verbaasde me dan ook niet dat ze een keer opmerkte dat ze ‘toch niet zonder hakken de deur uit kon’, wat ik gul beaamde, ‘er zijn grenzen’, waar ze wel weer om kon lachen.

Wat van deze Arubaanse te maken? Ze had twee keer een periode in Nederland gestudeerd, en was in een bepaald opzicht misschien wel Nederlandser, of natuurlijk gewoon jonger, dan ik – ik doel uiteraard op het scharrelen. Aan de andere kant was ze in mijn ogen tegelijkertijd volbloed Arubaanse gebleven, zo belangrijk als het voor haar was er zo vrouwelijk, ja verleidelijk mogelijk uit te zien, iets dat ik meer met het nabije Zuid-Amerika associeerde dan met Nederland.

Mijn Arubaanse – ik geef toe dat ‘mijn’ hier niet helemaal op zijn plaats is – sprak vloeiend Nederlands, al zaten daar woorden tussen, zoals dat scharrelen, die ze een eigen betekenis leek te hebben gegeven. Ze bleef bovendien met grote hardnekkigheid gewagen van ‘de strand’ en ‘de eiland’, iets dat ik er – docent Nederlands tenslotte – in de luttele maanden die mij gegeven waren niet uit heb kunnen krijgen, tot mijn verbazing toch wel, want hoe moeilijk kon het zijn? Achteraf denk ik dat het ook de invloed van het Engels is – the beach, the island. De taal die hier de meeste status heeft, is het Engels, ik merk dat ook op school, waar leerlingen zich onder elkaar bij voorkeur in het Engels uitdrukken, doorgaans met een sterk Amerikaans accent, terwijl het toch verstandiger van ze zou zijn dat in het Nederlands te doen, de taal waarin ze tenslotte eindexamen moeten doen en waarin de meesten hun studie – in Nederland – zullen vervolgen. Maar wat ik ook zeg, het haalt niks uit, ze blijven Engels met elkaar praten, en anders Papiaments, of Spaans, eigenlijk nooit Nederlands, alleen als het echt moet – in de klas, tegen hun docenten. Soms heb ik het gevoel dat we ook tegen een zekere weerzin moeten opboksen, die je deels uit het koloniale verleden zou kunnen verklaren, waarin overigens – hier op Aruba – maar zeer beperkt van slavernij sprake was, maar dus wel van kolonialisme, en deels, misschien, uit een zekere aversie tegen de nadrukkelijke aanwezigheid van de Nederlandse gemeenschap op het eiland, die, Nederlands tenslotte, alles altijd beter denkt te weten. In het parlement wordt tegenwoordig alleen nog Papiaments gesproken, dat sinds tien jaar de status van officiële taal heeft, en in de rechtszaal ook steeds vaker – al in 2006 concludeerde Eric Mijts, wetenschappelijk medewerker van de Universiteit van Aruba, in het tijdschrift van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek dat het Nederlands hard op weg is hier een dode taal te worden.

Toen ik haar eens vroeg wat nu een goed Caribisch boek was, raadde mijn Arubaanse, om dat er nu maar in te houden, me aan Dubbelspel te lezen, van Curacaoënaar Frank Martinus Arion. Verplichte kost voor de student Nederlands die ik ooit was, en toch had ik het nooit gelezen. Enfin, nu was het moment daar. Ik begon eraan, en was al na een paar bladzijden verkocht. Dus toen mijn Arubaanse me per sms vroeg wat ik vond van ‘de boek van Arion’, antwoordde ik opgetogen dat Arion wat mij betrof ‘de Tolstoi van de Caribische letteren’ was, waarop zij terugsms’te: ‘Wat is Tolstoi?’ Even was ik uit het veld geslagen. Acht jaar in Nederland wonen, er twee masters halen, straks een leidinggevende baan op een ministerie, en dan niet weten wat Tolstoi was? Ze deed me denken aan een ­personage in een van Nabokovs boeken, type dom blondje dat, als ze kennelijk voor het eerst van haar leven de naam Tolstoi hoort, doll’s toy verstaat, iets dat ik tot nog toe geneigd was te zien als een echt Nabokov-grapje, ingenieus, vilein, maar niet wat je noemt uit het leven gegrepen. Dat heb ik natuurlijk niet weer teruggesms’t.

tijd voor wat feiten. Op het kleine Aruba, vergelijkbaar met Texel, spreken velen dus vier talen. Het ligt op zeventien kilometer van Latijns-Amerika – dat is dichtbij. Er wonen ruim honderdduizend mensen, het stikt er van de auto’s, gefietst wordt hier niet. Je staat dan ook vaak in een file, al zijn die niet zo lang als in Nederland. Onder de bewoners zijn grote minderheden Colombianen en Venezolanen, die in de bouw of in de hotels werken, en die door veel Arubanen worden gediscrimineerd, ja worden beschouwd als een soort zigeuners, die als je even niet oplet de was van je lijn stelen. En de Latina’s, vinden Arubaanse vrouwen, pakken je man af, dat zijn eigenlijk allemaal hoeren. Er wonen hier ook veel Chinezen, nijvere lieden die de supermarkten exploiteren, waar ze zelf achter de kassa staan, en de zogenaamde Chinese bars, waar Arubanen graag komen drinken, waar je wordt bediend door jonge Latina’s, maar waar ook onveranderlijk een Chinees zich in de nabijheid van de kas ophoudt. Af en toe kom je een Dominicaan of Haïtiaan tegen, kleinere minderheden. Nederlanders lopen je helaas overal voor de voeten. Verder ondergaat Aruba de invloed van jaarlijks ruim een miljoen toeristen, onder wie veel Amerikaanse cruisetoeristen, die een paar uur door de exclusieve shopping malls van Oranjestad of Palm Beach slenteren, er wat van hun dollars uitgeven, en dan weer op de boot stappen.

In het begin zag ik alleen de alomtegenwoordige Nederlanders. De dag dat ik hier aankwam, haalde een Arubaanse collega me van het vliegveld en nam me direct mee naar wat hij een van de leukste bars op het eiland noemde, Moomba. Het was op een zondagmiddag, inmiddels tegen zessen. Dat Moomba bleek een soort strandtent, en ik zag er voornamelijk Nederlanders, jonge maar ook veel oudere, die bier zaten te drinken aan een enorme, open, cirkelvormige bar. Ik had niet de indruk dat deze zondagmiddagdrinkers veel van doll’s toy hadden gelezen, en ik herinner me nog goed mijn grote teleurstelling. Moest ik hier drie jaar wonen? Een Nederlands-Marokkaanse kennis die ik kort voor mijn vertrek had gesproken, had me verbaasd gevraagd ‘of Aruba niet een soort Benidorm was’. Ik hoop het niet, had ik geantwoord. Nu begon ik te vrezen dat hij wel eens gelijk zou kunnen krijgen.

op aruba, merkte ik, was ik ‘een meneer’ geworden – zo noemen Arubanen mannelijke ­docenten hier. Ondanks de warmte, altijd zo’n dertig graden, wordt een meneer hier geacht in lange broek en schoenen op school te verschijnen. In niet alle lokalen is airco, dus dat was zweten in het begin – nu ben ik er wel aan gewend. Leerlingen moeten een ‘uniform’ dragen, eigenlijk niet meer dan een poloshirtje met het embleem van de school erop. Het doet wat saai aan. Als je leerlingen buiten school tegenkomt, zien ze er een stuk leuker uit, bloter ook, zeker de meisjes.

Mijn lastigste klas was een 4 havo, waarvan de schoolleiding me ook maar meteen mentor had gemaakt. Die klas telde dertig leerlingen, zeventien meisjes, dertien jongens, volle bak. De gemiddelde leeftijd zal zo’n zeventien jaar zijn geweest, want bijna iedereen was óf een keer blijven zitten, óf halverwege naar de mavo gegaan om te voorkomen dat ze twee keer bleven zitten, en die waren nu weer terug om alsnog een havodiploma te halen. De jongens waren relatief rustig, maar aan die dekselse meiden, die geen blad voor de mond namen, heb ik mijn handen vol gehad. Uiteraard wilden ze in de eerste paar weken alles van de nieuwe meneer weten, ‘of meneer altijd meneer was geweest’, of meneer getrouwd was, kinderen had – nee? waarom niet? Terwijl ik een antwoord hakkelde, schreeuwde een van die meiden dat het geen probleem was, dat ik hier zeker ‘een mooie dushi met big boobs’ ging vinden, waarop iedereen in lachen uitbarstte en de meneer tot zijn eigen ergernis begon te blozen. Overigens betekent ‘dushi’ zoiets als schatje, of gewoon lief, Arubanen zeggen van hun land dat het hun dushi tera is.

Een van de jongens in die klas was Stanley, wiens wortels in Suriname liggen. Stanley, zag en wist iedereen wel, was homoseksueel, én moedig, want toen het zijn beurt was voor een spreekbeurt van een minuut of tien, vertelde hij over hoe en wanneer hij had ontdekt dat hij homo was, en vervolgens over zijn coming out. Nu zaten er jongens in die klas, wist ik al wel, die niets van homoseksualiteit moesten hebben, dat vaak ook heel duidelijk maakten, en die ik al met hun ogen zag rollen toen Stanley het onderwerp van zijn spreekbeurt aankondigde. ‘Wat is er Mike’, zei ik, ‘vind je het vervelend dat Stanley het over homoseksualiteit gaat hebben? Het betekent niet dat jij niet meer over jouw coming out kan praten hoor.’ Gelach van de meiden, hoongelach voor Mike van de jongens. ‘Waarom lachen jullie nou? Er is niets om je voor te schamen. Ga je gang, Stanley.’

Die allergie van jongens van die leeftijd voor homoseksualiteit, ach, ook op Nederlandse scholen vind je die, maar toch is er een verschil met Aruba. Homoseksualiteit wordt hier nog niet helemaal geaccepteerd, door de wet dan. Een half jaar geleden werd het eerste ‘Caribische’ homohuwelijk gesloten tussen een Arubaan en een Venezolaan, maar niet op Aruba, waar het stel woont, maar op Saba, waar zo’n huwelijk wel mogelijk is. Naar aanleiding van dit huwelijk herhaalde de Arubaanse politiek nog maar eens dat Aruba nog niet rijp zou zijn voor het homohuwelijk, en dat wetgeving die een dergelijk huwelijk mogelijk zou maken er voorlopig dus niet zou komen.

Dus het was moedig wat Stanley deed. Indrukwekkend ook. De klas was stil en luisterde geboeid, geen vanzelfsprekendheid, en na afloop zei ik tegen Stanley dat dat zijn verdienste was, omdat hij zo dicht bij zichzelf was gebleven, ik meen het Stanley, weinig mensen heb ik zo natuurlijk over een zo delicaat onderwerp horen spreken. Ik zei dat ik het zelf zeker niet beter zou hebben gedaan, dat hij een natuurtalent was en dat hij een tien van me kreeg. Al die lof, hardop in de klas uitgesproken, maakte de jongen verlegen, hij was er wat beduusd onder, al zag ik ook een glundering op zijn gezicht.

Even opmerkelijk vond ik de spreekbeurt van Keyla, uit dezelfde klas, een stil meisje dat altijd een boek bij zich had, een roman bedoel ik, meestal Amerikaanse chicklit, en daar tijdens de les gewoon in begon te lezen als ze zich verveelde – deze Keyla openbaarde tijdens haar spreekbeurt dat ze biseksueel was. Ook zij deed het erg goed, ingetogen, serieus, en ook zij bleef zichzelf. Mike en consorten wisten er niet goed raad mee, vroegen zich misschien af waarom zij dit moesten weten, maar hielden zich gedeisd. In 5 vwo vertelde een meisje uitgebreid en ernstig over de pil, hoe die werkte, wat je moest doen als je ’m een dag vergeten had, et cetera, terwijl ik me afvroeg voor hoeveel leerlingen dit eigenlijk onbekend was. Tienerzwangerschappen komen relatief veel voor op Aruba, maar vind je toch meer in de lagere milieus. En de school waarop ik werk wordt door de Arubanen gezien als een eliteschool, omdat we alleen havo en vwo hebben, en de enige vwo op het eiland zijn, op één dure privé-school na. Ik overdrijf nauwelijks als ik beweer dat iedereen zijn kind op ons colegio wil hebben.

Dus aan de ene kant zijn er die leerlingen die openlijk over hun seksuele geaardheid durven praten, of over de pil, en zie je leerlingen voortdurend hand in hand over het schoolplein lopen, daar bij elkaar op schoot zitten, elkaar zoenen, maar aan de andere kant, merkte ik tot mijn verbazing, waren die progressieve meiden tijdens discussielessen bijna zonder uitzondering tegen abortus. ‘Je kunt je kind toch weggeven voor adoptie?’ ‘Moet je maar uitkijken wat je doet als je seks hebt!’ Abortus was voor hen moord, punt uit. Euthanasie idem dito: moord. Je kon hier gerust ongetrouwd samenwonen, je kon zwanger zijn en dan pas trouwen, niemand die daar een probleem van maakte. Maar zelf voor God spelen, dat kon blijkbaar nog niet op Aruba.

omdat ik het gevoel had dat ik nog te kort op Aruba was om daarvan een grondig beeld te kunnen schetsen, ja eigenlijk alleen over wat hapsnap-ervaringen beschikte, belde ik de Nederlandse antropoloog Luc Alofs, die hier al meer dan twintig jaar woont en werkt. Eind jaren tachtig schreef hij zijn afstudeerscriptie over Aruba, met de titel ‘Ken ta Arubiano? Wie is de Arubaan?’, dat hij later uitwerkte tot proefschrift. In een koel café-restaurant in een shopping mall legde ik hem uit wat de bedoeling was van dit stuk, en Alofs is dan zo iemand die onmiddellijk met je mee begint te denken. ‘Tja’, mompelde hij glimlachend voor zich uit, ‘wat is de sleutel van dit knettergekke eiland?’

Zelf was ik er inmiddels al achter dat Aruba geen Benidorm was. Het is, als je dat zo kunt zeggen, een behoorlijk geglobaliseerd eiland, met vestigingen van Starbucks en Pizzahut en Kentucky Fried Chicken en Gaucho’s, van Tommy Hilfiger en Gucci en Ralf Lauren en Tagheuer en Louis Vuitton. Al zie ik bij mijn leerlingen nog vooral Blackberry’s, de iPhone 5 en de Samsung Galaxy II of III zijn bezig aan een opmars – in rap tempo nadert ook hier het moment dat je met je Blackberry een sukkel bent.

‘Misschien dit’, zei Alofs, doelend op de sleutel, ‘dat Aruba in wezen een katholieke samenleving is. Arubanen zijn katholiek, Latino’s zijn katholiek, en de meeste Nederlanders die hier wonen komen uit Brabant. Maar het katholicisme hier is vooral op Latijns-Amerikaanse leest geschoeid, het botst niet met het gendermodel waarin vrouwen vooral aantrekkelijk en verleidelijk moeten zijn. En toch speelt religie in het dagelijks leven nog maar een heel beperkte rol. Religie lijkt alleen nog recht van spreken te hebben bij de hot topics, homoseksualiteit, euthanasie, abortus.’ Tegelijkertijd noemt Alofs Aruba een Caribische samenleving – en dat was mij inmiddels ook opgevallen, vooral tijdens het carnaval, waar de Arubanen inderdaad naartoe leven. Het is voor hen dé gebeurtenis van het jaar, waarvoor ze sparen en exotische kostuums van glanzende stoffen laten maken, waarin ze, vaak met metershoge verentooi, een maand lang optocht na optocht lopen, of liever dansen, de helft van de tijd onder de moordende zon. Iedere groep heeft dan ook zijn eigen bar-truck, en natuurlijk rijdt er ook een truck met dj en torenhoge boxen mee, waar Caribische of Zuid-Amerikaanse muziek uit dendert.

Dat andere Caribische fenomeen, de buitenvrouw of byside, tot voor kort een normaal verschijnsel, was volgens Alofs inmiddels op z’n retour. ‘Voor de jongere generaties geldt nu het romantische huwelijksideaal, het kerngezin. Mijn vrouwelijke collega’s en studenten (Alofs is verbonden aan de lerarenopleiding hier) zijn moderne Arubaansen, die pikken geen buitenvrouw meer. Sinds een paar jaar is het ook veel makkelijker geworden om te scheiden, het is nu niet meer nodig ontrouw aan te voeren als reden voor echtscheiding. Direct nadat die wetgeving werd ingevoerd, was echt sprake van een scheidingsgolf, maar daar zaten natuurlijk huwelijken bij die al lang op de klippen waren gelopen maar waarvan niemand wilde toegeven dat hij of zij vreemd was gegaan. Sindsdien is het scheidingspercentage hoog gebleven, ik schat zo’n vijftig. Misschien kun je zeggen dat ook hier een soort realiteit van seriële monogamie aan het ontstaan is.’

Op dat moment komt parlementariër-op-verkiezingscampagne Marlon Sneek het etablissement binnenlopen, een grote donkere man van een jaar of 45. Alofs kent hem, Alofs kent hier iedereen, en vraagt hem of hij niet even tijd heeft, het zou interessant zijn te horen hoe de Arubaan zelf zijn eiland ziet. Sneek kijkt om zich heen, en als zijn afspraak er nog niet blijkt te zijn, schuift hij gewillig aan, en steekt onmiddellijk van wal. Volgens de politicus is de buitenvrouw niet echt op haar retour, maar is er natuurlijk wel iets veranderd:

‘Toentertijd was de man de macho, de vrouw had niks te zeggen, anders had ze niet meer te eten, want de man bracht het geld binnen. Ze accepteerde die zaken dus noodgedwongen. Nu kunnen ook de vrouwen vreemdgaan. Het is een kwestie van emancipatie. Vrouwen zeggen, nou, als de man mag, waarom ik dan niet? Of misschien is het: ik ben toch niet zeker dat ik bij jou zal blijven, dus ik doe wat ik wil. Opmerkelijk is dat vroeger veel werd gezegd: die Latina’s, met hun vrije zeden, die pakken onze mannen af, maar inmiddels zijn die Colombiaansen eigenlijk conservatiever dan onze eigen vrouwen. Latina’s zoeken in eerste instantie iemand om het leven mee door te komen, ze willen zekerheid. Misschien dat ze daarna van hun partner gaan houden, maar eerst is er het rekensommetje. Terwijl onze lokale vrouwen nu zeggen: ik vind die vent leuk, en het maakt me niet uit of hij een hoge opleiding heeft of niet. Ze hebben zelf een opleiding.’

Onwillekeurig dacht ik terug aan mijn Arubaanse, en aan het scharrelen. Eigenlijk, bedacht ik nu pas, had ze mij indertijd tot haar buitenman gemaakt, al was ze dan nog niet getrouwd. Terwijl ze wachtte op het moment dat ze de ware tegen zou komen, zeg, vijftien jaar jonger dan ik, ze was er klaar voor, wilde ze best met me uit, of een nachtje overblijven, maar ze nam me nooit mee naar de familiefeestjes (verjaardag van weer een tante, neefje, oma) en zondagmiddagbarbecues, omdat ze niet de indruk wilde wekken, zei ze een keer, dat ze dan weer met deze kerel, en dan weer met die… Hoe vrij ze ook was, ze vond kennelijk dat ze een reputatie hoog te houden had, in de ogen van haar familie dan.

Intussen hield Alofs het gesprek gaande: ‘Het eiland wordt modern’, vatte hij samen, ‘men laat de eigen traditites en taboes achter zich, en de individualisering rukt op.’

‘Mensen zijn toch nog wel erg familie­gericht, heb ik de indruk’, wierp ik half tegen.

‘Zeker’, zei Marlon Sneek. ‘Maar het is ook waar dat taboes aan het verdwijnen zijn. Vroeger spraken we niet over kindermisbruik, incest, verkrachtingen. Nu beginnen we daarover te praten. En dan blijken de mensen verrast. Dan zeggen ze: maar wat gebeurt hier allemaal? Nee, dit gebeurde al lang, maar vroeger keek men de andere kant op. Met armoede hetzelfde, we zeggen niet meer: nee hoor, ik heb alles, terwijl we bezig zijn te kreperen van de honger, nee, nu komen we ervoor uit. We beginnen onze problemen dus onder ogen te zien, als is dat vaak pas op het moment dat het water ons aan de lippen staat. Wat je nu veel tegenkomt, is dat gezinnen in moeilijkheden komen als de grootouders sterven. Ik zie het bijna dagelijks, families die al zes maanden zonder water en elektriciteit zitten, en hoe komt dat: oma is zes maanden geleden overleden. Oma betaalde de huur, het water, de elektriciteit, en de kinderen rijden in dure auto’s, die ze op afbetaling hebben gekocht. Dus als je het over toenemende individualisering hebt… de familiegerichtheid, en de afhankelijkheid van de familie, die zijn zeker nog niet verdwenen.’


Liefde in tijden van verandering

Deze zomer buigen onze correspondenten zich over de liefde wereldwijd. De manier waarop mensen verliefd worden, waarop relaties worden aangegaan, de liefde wordt bedreven – het heeft alles te maken met de maatschappelijke omstandigheden. Liefde als spiegel van de toestand van een land, daar gaat het om. Van de seksuele revolutie die zich in Egypte aan het voltrekken is tot het rumoer rond het homohuwelijk in Frankrijk tot de liefdesmoraal in Oeganda.