De wanhoop van Marokkaanse Nederlanders

Een dwingende lotsverbondenheid

Door de uitzichtloosheid en wanhoop die de weinig rooskleurige maatschappelijke situatie van veel Marokkanen met zich meebrengt, voelen velen van hen zich sterk verwant met de Palestijnen. Dat, en niet antisemitisme, droeg onlangs bij tot gewelddadigheden tijdens de pro-Palestijnse demonstratie, meent Mohammed Benzakour.

In de dagen na de pro-Palestina-demonstratie is mediabreed met de vinger gewezen naar een kleine groep relschoppers. Deze relschoppers dorsten onder meer een Israëlische vlag te verbranden, zouden grossieren in nazi-leuzen en droegen spandoeken met teksten als «hakenkruis=davidsster» en «Sharon=Hitler». Puur antisemitisme, zo werd geroepen in de media.

Interessanter dan de vraag hoe de media opereren, is waar dat anti-joodse sentiment bij met name Marokkanen vandaan komt, en of dat sentiment wel als antisemitisch kan worden aangemerkt. Allereerst is het nogal ironisch dat het bij uitstek Marokkanen zijn die zich joodonvriendelijk gedrag aanmeten. Marokko staat al eeuwenlang te boek als een van de meest joodvriendelijke landen ter wereld waar de joodse gemeenschap grote privileges en vrijheden kent. Bij de begrafenis van Koning Hassan II verbaasde het dan ook niemand dat de Israëlische delegatie de grootste en de zwaarste was. Daarentegen was het wel weer Marokko waar een historisch aantal van, volgens de Marokkaanse staatstelevisie, meer dan twee miljoen (!) mensen de straat op ging uit piëteit met de Palestijnen.

En nu hier te lande.

De met hakenkruisen getooide relschoppers op de Dam deden feitelijk niets anders dan wat we al decennialang zien in voetbalstadions en tijdens optochten van clubs als cp’86: het zich bedienen van (losgeslagen) symbolentaal om de tegenstander in te wrijven hoe vijandig hij is. Of in het geval van de demonstranten: hoe mensonterend de situatie in Palestina eigenlijk is. Je zou dat retoriek kunnen noemen, en wel van het soort dat in abstracto weinig verschilt van de retoriek waarvan het joodse volksdeel zich placht te bedienen; de afgelopen tijd hebben we kunnen zien hoe praktisch elke kritiek op Sharons bloedbaden pavloviaans wordt beantwoord met de bekende dooddoener genaamd «antisemitisme» (daarbij overigens gemakshalve voorbijgaand aan het verschil tussen semitisme, zionisme en racisme, maar dat terzijde). Deze emotionele maar tamelijk paranoïde vereenzelviging met Israël en zijn politiek (die rechtstreeks verwijst naar de holocaust) wurgt iedere poging tot discussie die tot wederzijds begrip zou moeten leiden.

Het is extra frustrerend, omdat juist bij dit delicate onderwerp woorden jammerlijk te kort lijken te schieten. Immers, woorden zijn slechts klanktekens voor begrippen en begrippen zijn min of meer gedefinieerde hiëroglyfen voor dikwijls terugkerende en samengaande gevoelens en gevoelsgroepen. Om elkaar te begrijpen is het vaak niet voldoende dat je dezelfde woorden gebruikt; je moet ze ook voor dezelfde klassen van innerlijke gebeurtenissen gebruiken, je moet je ervaringen tenslotte gemeen hebben. En als die gemeenschappelijke ervaring ontbreekt, wordt het knap lastig. Niettemin waag ik een poging.

H?t tentoongespreide gedrag van de relschoppers (dat ik liever anti-joods dan antisemitisch noem, daar het niet is gericht op het wezen van het jood-zijn maar indirect het gevolg is van joodse daden) vindt zijn oorsprong niet direct in de gewelddadige bezettingspolitiek van Israël, maar vloeit voort uit een reeds langer bestaand, breed gedragen en diep ervaren onbehagen. Een onbehagen dat zijn wortels vindt in de eigen, weinig rooskleurige sociaal-maatschappelijke status quo; werkloosheid, discriminatie, marginalisering, mediavijandigheid, vernedering, zondebok, paternalisme, verwaarlozing — een cumulatie van wantoestanden die de poort opent voor recalcitrant en provocatief gedrag.

Wie dieper speurt dan de oppervlakte van de krantenverslagen kan merken dat voor de gemiddelde Marokkaanse betoger de volgende eenvoudige, zij het foute, formule geldt: het Palestijnse volk en ik zijn één. Het Palestijnse volk wordt aangevallen, dus ik word aangevallen, de Palestijnen zijn anti-joods dus ik ben het ook. Volgens deze redenering komt elke militaire aanval op de Palestijnen, gerechtigd of niet, neer op de hoofden van de mensen die emotioneel begaan zijn met het lot van het Palestijnse volk, en dat zijn er veel.

Hoe ogenschijnlijk angstwekkend ook, deze situatie is voor de Nederlandse samenleving veel minder gevaarlijk dan ze wordt voorgesteld. Het echte gevaar zit hem veeleer in het onbegrip voor die redenering.

Allereerst betrof het anti-joodse gedrag tijdens de betoging in Amsterdam een specifieke categorie Marokkaanse jongelui: de problematische, dezelfde categorie die zich maatschappelijk in een gemarginaliseerde positie ziet. Deze jongens hebben nauwelijks een identiteit en voor zover ze die bezitten, ervaren ze die in het Buitenstaanderschap, dat hen bindt vanwege wederzijdse gevoelens van defaitisme. En omdat het Palestijnse verzet bij uitstek een strijd is die wordt gevoerd vanuit diepe gevoelens van vernedering, frustratie en uitzichtloosheid (de Palestijnen hebben niets meer te verliezen, enkel nog hun leven) is het vooral hun eigen uitzichtloosheid en wanhoop die hen verwantschap doet voelen met de Palestijnen.

In deze fatalistische mengeling van wanhoop en onmacht schuilt een dwingende lotsverbondenheid die tegelijkertijd de achtergrond vormt van waarom zoveel Marokkaanse randgroepjongeren een onverholen bewondering koesteren voor de Palestijnse strijd — die in hun ogen onverzettelijk en moedig is en wordt geleverd tegen élke prijs, ook die van het eigen leven. Wat de Marokkaanse jongelui zien, kortom, is de kleine herder David die met gevaar voor eigen leven een steen slingert naar de Filistijnse reus Goliath — o ironie!

Strikt genomen koesteren deze jongeren nauwelijks politieke of filosofische bewustwording (of althans een simplistische), maar ze engageren zich, zoals gezegd, instinctief, psychologisch met een volk in wie zij zichzelf herkennen maar met wie zij enkel via het beeldscherm in contact komen. Je zou bijna kunnen stellen dat ze eigenlijk voor zichzelf, om hun eigen noodlot schreeuwen.

Na afloop van de demonstratie stond ik op de Dam, en dat oudtestamentische beeld van David-Goliath zag ik tastbaar voor mijn ogen gestalte krijgen. De ME, pontificaal en tot de tanden toe bewapend met machinegeweren en gummiknuppels, tegenover een groepje jongelui dat niets anders bezat dan bijeengesprokkelde keien en stokken. Dat zinderende beeld keert vrijwel elke avond terug op tv: een oppermachtig Israëlisch leger tegenover een schare armlastige, stenengooiende Palestijnen. De betogers voelden die dichotomie haarfijn aan. De leuze «Wij zijn allen Palestijnen» stond bijna op hun voorhoofd gegrift.

Deze identificatie, die verder gaat dan alleen een gemeenschappelijke taal en godsdienst, is misschien wel irrationeel maar daarom niet onbegrijpelijk. Bovendien gaat ze nóg verder. Want ook op het vlak van de fysionomie bestaat een niet geheel toevallige verwantschap. Immers, de uiterlijke kenmerken van een Palestijnse stenengooier uit Ramallah verschillen in bijna niets van die van een gemiddelde Marokkaan uit Amsterdam-West. De jongeren zien op tv dat in Ramallah iemand wordt doodgeschoten die exact hetzelfde zwarte kroezige haar heeft als zijzelf, hetzelfde gelaat, dezelfde ogen, wenkbrauwen, mimiek, postuur, alles — het had zijn broer, nee, het had hijzelf kunnen zijn!

Hoe bizar ook, de oorlog tegen de Palestijnen wordt door Marokkanen (en Arabieren overal) allang niet meer beschouwd als een oorlog over territorium, over een lap grond. Zij ervaren deze als een vuile en ongelijkwaardige vorm van neokolonialisme, die uitsluitend tot doel heeft het systematisch en moedwillig vernederen van het Palestijnse en daarmee het volledige islamitisch-Arabische volk. Het verdelgen van honderd jaar oude olijfboomgaarden, het mishandelen van zwangere vrouwen, Westoever-bewoners als slaven gebruiken in het arbeidsproces, het martelen van kinderen, of zoals recentelijk de wijze waarop de Israëlische overheid aan de internationale media het voedselpakket voor de belegerde Arafat naar buiten toe bracht: een gedetailleerde lijst, compleet tot en met het laatste sardienblikje. En waarover de ongediplomeerde komediant Michael Stein bij Barend & Van Dorp kon opmerken dat het ontbreken van honing, Arafats favoriete voedsel, een «misdaad tegen de menselijkheid» was. De boodschap van Israël was en is duidelijk: zie jullie leider, die is zelfs voor voedsel afhankelijk van ons, hij eet uit onze handen. En dat is precies wat de Marokkanen voelen: de Israëliërs willen van de Palestijnen een kudde makke schapen maken, die grazen wat hen wordt toegeworpen.

Ik ken Marokkanen die spontaan beginnen te vloeken en te spugen als Sharon op tv verschijnt, ik ken Marokkanen die elke foto waarop een keppeltje of pijpenkrul prijkt in stukken scheuren of vertrappen. Is dit antisemitisme? Nee, het is een geïnternaliseerde en bijna invoelbare inleving met het Palestijnse leed en gevoelens van vernedering die al 35 jaar voortduren en die dag in, dag uit op tv zijn te zien. Het zijn déze beelden die zij kennen, en niet de beelden van concentratiekampen en gaskamers. Zij beschouwen hierom het Palestijnse verzet als een voorbeeldige strijd die als inzet heeft het behoud van trots en menselijke waardigheid, met als geestdriftig motto: het is beter te sterven met opgeheven hoofd dan te sterven als een lafaard.

Het is die geestdrift die ik terugvond in de demonstratie op de Dam. Sceptici zijn geneigd te denken dat de betogers zich die geestdrift lieten aanpraten, dat we met «propaganda» te maken hadden. Maar het was anders: die geestdrift werd niet aangepraat, die geestdrift was empathie, identificatie. Identificatie die vele betogers als eervol en positief ervoeren. Natuurlijk, er liepen ook vele autochtone Nederlanders mee, Turken, ook joden, niet alleen die van Een Ander Joods Geluid. Maar hoewel hun solidariteit met het Palestijnse volk oprecht en sympathiek was, behelsde het een ander, veel minder virulent zinderen. Dat verschil in virulentie is verdere studie waard.