Thomas Verbogt

Een echte tearjerker

Thomas Verbogt

Onze dagen

Uitgeverij Veen, 252 blz., ƒ34,90

Volgens de tekst op het omslag is Wouter Stevens, de held van de nieuwe roman van Thomas Verbogt Onze dagen, «verslaafd aan de volheid van het leven, aan de energie waar mee hij zich aan deze volheid over geeft». Niets blijkt minder waar. De theaterregisseur en docent aan de toneelschool Wouter Stevens is een nogal gedesoriënteerde figuur die worstelt met een forse midlifecrisis. Hij is bang, al weet hij niet waarvoor. Hij wordt overvallen door herinneringen aan gebeurtenissen die hij niet meer precies kan reconstrueren. Hij is voortdurend op de vlucht en niet in het minst voor zichzelf. Van het leven genieten is er voor hem niet bij. Hij wordt geconfronteerd met zijn verarmde gevoelsleven en zijn vervlakte waarnemingsvermogen, waardoor hij de wereld en de mensen als een serie clichés ondergaat. De directeur van de toneelschool is «een valse oude nicht met een groot roosprobleem», de man van de cafetaria heeft «een trots Noord-Afrikaans gezicht».

Maar het zijn vooral de vrouwtjes die Wouters gemoedsrust verstoren. Zijn eigen vrouw Sylvia is manisch-depressief. Zij vervalt van uiterst gelukkige ogenblikken in zwaarmoedige buien waarin zij nog slechts kan vluchten naar haar dominante moeder, voor wie Wouter een innige haat voelt. Wouter heeft een gedeeltelijk platonische verhouding met het hoertje Tasja, een lieve meid met een mooi lijf en het voorspelbare gouden hart, want dat hoort zo bij hoertjes. Hij laat zich en passant verleiden door de studente Manuela, ook een depressief typje, die zich in Zuid-Limburg voor de trein werpt. Waarom is niet duidelijk. Hij heeft een kortstondige affaire met de Duitse toneelschrijfster Raymonda Halpert, van wie hij eerst denkt dat zij zijn leven zou kunnen veranderen. Maar Raymonda is hem kennelijk een tikkeltje te wild. Ook dat wordt dus niets. En dan verschijnt zijn oude geliefde Thera, die aan een hersentumor lijdt en hem vraagt om samen naar vier momenten van geluk uit hun verleden terug te gaan. Met zo'n enerverend damesgezelschap om zich heen zou iedere man waarschijnlijk ontregeld raken, en Wouter, die voor zichzelf vlucht maar het ongeluk dankbaar zijn leven binnenhaalt, is niet sterk genoeg om zich uit deze deprimerende spiraal los te wrikken.

Gelukkig laten zij hem allemaal in de steek. Tasja stapt uit het leven, Manuela doet dat letterlijk, Sylvia gaat bij haar moeder wonen en wil Wouter niet meer zien, Raymonda is terug naar man en kind. Wouter kapt met zijn werk en vertrekt met Thera naar New York, waar zich een van de gelukkige momenten heeft afgespeeld. Op de Brooklyn Bridge natuurlijk, ook weer zo'n overbekend beeld. Want om die vluchtige momenten gaat het in het leven, leert ons Thomas Verbogt: «Je denkt dat je het kunt pakken, maar daar moet je moeite voor doen. Dat besef je, dat je er moeite voor moet doen. En terwijl je dat beseft, beseft dat je het beseft, is het te laat, en is er weer nieuwe tijd voorbij aan het gaan.» Wie zei dat Nederlandse schrijvers niet in staat zijn om diepzinnige filosofische reflecties losjes door hun romans heen te weven?

Maar ook Thera verdwijnt opeens. Haar vrienden doen geheimzinnig, in het ziekenhuis waar zij behandeld wordt, blijkt haar naam onbekend. Heeft zij een spelletje met hem gespeeld? Wat er gebeurd is, zal niet duidelijk worden, en ook het einde van de roman is raadselachtig: Wouter krijgt een auto-ongeluk maar hij komt ongedeerd uit het wrak. Hij besluit naar huis te gaan, waar dat ook mag zijn, want «het moet ergens zijn. Het moet onderhand ergens zijn.»

De motivaties achter de handelingen van de personages uit Onze dagen zijn duister. Korte, nerveuze zinnen en snelle dialogen worden afgewisseld met melodramatische beschouwingen waarin tenenkrommende metaforen overheersen. «Het is alsof kou vingers heeft die nu geërgerd over mijn gezicht tasten.» Denkend aan voorbije tijden: «De dagen van toen trekken aan mijn tranen.» Wanneer hij zijn vroegere geliefde Thera weer ontmoet: «Ik ruik haar — jonge bloemen, een tuin in de lente als het pas geregend heeft.» En: «Haar ogen waren kleine sterren die door haar blozende gezicht innig werden gekoesterd.» Verbogt vervalt vooral in sentimentele nietszeggendheid wanneer hij indrukken en gevoelens wil beschrijven: «Ik zie nu pas dat ze kleiner is dan ik dacht. Of dat de wereld om haar heen groter is geworden», stelt hij vast wanneer hij Manuela uit een taxi ziet stappen. En na haar zelfmoord: «Manuela van der Jagt is alleen maar een schim. En om die schim is duisternis.» Het lijkt alsof Verbogt zo dicht op de werkelijkheid wil zitten en zo z'n best doet om de intensiteit van kortstondige momenten weer te geven dat hij zich verga loppeert en er niet in slaagt tot de kern der dingen door te dringen. Door de sentimentele, vaak clichématige beeldspraak ontaardt de roman hier en daar in een echte tearjerker. Wie is Wouter precies, en wat wil hij? Mij is dat in elk geval niet duidelijk geworden.