Acht vragen

Een economische oorlog?

Velen menen dat de oorlog in Irak een conflict is om economische macht over olierijkdom. Na de oorlog zouden de VS vooral een dominante rol willen spelen in de wederopbouw en exploitatie van Irak. Acht vragen die een ander beeld schetsen.

Is de oorlog door olie veroorzaakt?

Nee, en ja. Nee, want een voorspoedig einde van de oorlog zal niet tot een snelle groei van de Iraakse olieproductie leiden. De productie vóór de aanvang van de oorlog was tamelijk hoog (ruim twee miljoen vaten per dag, de mondiale oliebehoefte is ongeveer tachtig miljoen vaten per dag). De potentiële productie die Irak na herstel van alle productiefaciliteiten kan bereiken, wordt geschat op zes miljoen vaten. Daarvoor zijn jaren van herstel en enorme investeringen nodig. De hoogste productie die Irak ooit heeft gekend, ligt daar echter ver onder: ongeveer 3,5 miljoen vaten per dag. Als middel om de olieproductie een beetje op te voeren is de oorlog dus buiten proportie. Is er dan een soort neokoloniale drift om Amerikaanse maatschappijen de kans te geven de olievelden te bezitten? Wie dat denkt is volstrekt naïef: zo zit de wereld niet meer in elkaar, zelfs niet in de beleving van een supermacht. Koloniale exploitatie van minerale rijkdom is het recept voor opstand en revolutie, zoals de eerdere geschiedenis van Irak en bijvoorbeeld Libië heeft geleerd.

Waarom speelt olie dan toch een grote rol?

Ten eerste geeft olie koopkracht. Als die voor militair speelgoed wordt gebruikt, kan dat tot een gevaarlijke situatie leiden. Ten tweede corrumpeert grote minerale rijkdom het binnenlands bestuur van een land. Olie wordt vaak het zwarte goud genoemd, maar het is eerder een zwarte vloek. Export van grote hoeveelheden olie leidt tot een binnenlandse economische ontwrichting. De productie en export van andere goederen wordt, vergeleken met olie, relatief onprofijtelijk. Zo ontstaat een monocultuur. Irak zou een grote voedselexporteur kunnen zijn (was dat tot eind jaren zeventig ook) en is technisch goed ontwikkeld. Het gewicht van olie beperkt die waarden. Omdat de eigendom van olie niet gespreid is, ontstaat machtsconcentratie bij de controleurs van de bronnen. Niet voor niets zijn veel oliestaten ondemocratisch: waar economische macht niet gespreid is, is ook politieke macht niet gespreid. In enkele gevallen zijn de machthebbers tevreden met hun rijkdom, maar sommigen willen meer. Saddam is het meest extreme voorbeeld. Zonder olie was hij waarschijnlijk niet aan de macht gekomen en zeker niet zo machtig en gevaarlijk geworden.

Wordt de oppositie tegen de oorlog van Frankrijk, Duitsland en Rusland door een Hogere Moraal gedreven?

In een discussie met een Duitse hoogleraar sociologie werd mij voor de voeten geworpen dat Amerikanen geen geschiedenis en geen ethisch bewustzijn hebben. Slechts het «oude Europa» zou kunnen oordelen over rechtvaardigheid. De werkelijkheid is minder pro zaïsch. Frankrijk probeert al jaren een eigen lijn in de Arabische wereld te volgen, om daarmee invloed te verwerven. Dat lukt redelijk. In het Irak van Saddam Hoessein kreeg het Franse TotalElfFina onlangs de concessie om het belangrijkste nieuwe olieveld, Majnoon, te ontginnen. Het veld kan meer dan een miljoen vaten per dag opleveren. Het beleid van Duitsland wordt vooral door binnenlandse motieven gedreven. Ik denk dat Fischer oprecht is, van Schröder is opportunisme de grote drijfveer. De stemming onder de Duitse bevolking is veel meer anti-Amerikaans dan bij ons. Een mogelijke verklaring is dat Duitsland economisch al jaren in de malaise zit, en dat de Amerikaanse oplossing (deregulering) zowel bij conservatieven als bij een groot deel van de vakbeweging zeer impopulair is maar tevens steeds moeilijker te vermijden. Dat leidt tot irritatie. Anti-Amerikanisme betekent vervolgens anti-oorlog. Dat werd rond de Bondsdagverkiezingen duidelijk. Bovendien heeft Duitsland, net als Frankrijk, te maken met grote groepen migranten. In Frankrijk zijn het vooral Noord-Afrikanen, in Duitsland veel Turken. Er is gerede angst voor binnenlandse conflicten bij een openlijke steun aan de oorlog. Het verzet van Rusland, ten slotte, verschilt niet zo veel met de eerste Golfoorlog. Rusland is net als Frankrijk een belangrijke partner van Saddam Hoessein bij het ontwikkelen van nieuwe olievelden. Ook niet weg te cijferen is dat een groot deel van de schuld van Irak aan Rusland wegens wapenaankopen nog steeds openstaat.

Is herstel van de Iraakse olieproductie essentieel voor de wereldenergiebehoefte?

Nee. Irak heeft weliswaar de op één na grootste bewezen olievoorraden, maar voorlopig zijn er ruim voldoende andere bronnen beschikbaar van landen die maar al te graag willen leveren. Saoedi-Arabië alleen al heeft een onmiddellijke reservecapaciteit van 2,5 miljoen barrels per dag. Andere Opec-leden hebben bij elkaar eenzelfde reservecapaciteit. De problemen op de oliemarkt van de afgelopen tijd zijn vooral te wijten aan incidenten. Zoals stakingen in Venezuela, dat drie miljoen vaten per dag produceert, en in de kleinere olieproducent Nigeria, waardoor aanbod tijdelijk wegviel. Alsmede een koude winter in de VS, waardoor de netto import van olie het hoogste niveau sinds de eerste Golfoorlog heeft bereikt: bijna elf miljoen vaten per dag.

Leidt de militaire ingreep tot een hergroepering van het oliekartel Opec, waardoor onberekenbare Arabische olieproducenten opeens weer een factor van belang gaan worden?

Nee. Het kartel is zwak, doordat individuele leden van het kartel een grote verleiding hebben om onder productieafspraken weg te duiken. Opec deelt dit lot met vrijwel ieder ander kartel. Ik ken weinig stabiele mondiale productiekartels. Opec heeft bovendien het probleem dat het geen totaal kartel is: een belangrijk aantal olieproducenten doet niet mee. Die producenten breken de kartelmacht van Opec.

Is de oorlog een impliciete aanval op Rusland, door diens groeiende machtspositie als olie-exporteur onderuit te halen via extra Iraakse olie?

We moeten ons niet te veel voorstellen van de extra Iraakse olie-export na beëindiging van de oorlog. Rusland, met een dagproductie van 7,5 miljoen vaten, blijft belangrijker dan Irak en is de grootste exporteur na Saoedi-Arabië. Rusland heeft de oliebaten hard nodig, economisch en politiek. Het ziet een herstel van zijn positie als grootmacht in het vermogen een betrouwbare energieleverancier te worden. De VS zijn betrokken bij het ontwikkelen en financieren van Russische exportfaciliteiten, zoals pijpleidingen naar een te ontwikkelen ijsvrije diepzeehaven in Moermansk. Amerikaanse oliebedrijven, zoals Exxon, zijn zeer actief in de Russische oliewinning zelf. Er is derhalve geen Amerikaans belang gediend bij het ondermijnen van de Russische oliewinning.

Zal het herstel van Irak een Amerikaanse business worden?

Onwaarschijnlijk. Ook als de interventie tot een succesvol einde komt (in het meest optimistische scenario zal dat drie weken vergen; het is tamelijk naïef om, zoals sommige commentatoren deden, al na drie dagen ongeduldig te worden en te spreken van stagnatie) en de Amerikanen als helden op de schouders gaan, ligt het niet voor de hand dat de economische wederopbouw zwaar Amerikaans gekleurd zal zijn. Ten eerste hebben de Amerikanen zelf het geld niet om die opbouw te bekostigen. Het gaat om honderden miljarden dollars. Dat is zelfs voor de VS veel, zeker omdat ook het Amerikaanse begrotingstekort snel oploopt, en Bush om binnenlandse redenen een aantal belastingen wil verlagen. De wederopbouw moet dus ook door andere landen medegefinancierd worden, niet in de laatste plaats door Irak zelf. En wie betaalt, bepaalt. Dat brengt me tot het tweede punt. De VS zullen niet de indruk willen wekken dat Irak als een nieuwe kolonie is overgenomen. Een nieuw Iraaks bestuur zal het herstel moeten coördineren, en heeft daarvoor ook de nodige middelen, in de vorm van (toekomstige) oliebaten. Bij grote aanbestedingen spelen sentimenten slechts een beperkte rol, indien het aanbestedingsproces enigermate transparant is. De geloofwaardigheid van een nieuw regime in Irak staat of valt met zulke transparantie. Slechts als het bestuur in staat is zich daarvoor af te schermen en terugvalt in nepotisme of corruptie, zal een deel van de markt uitgesloten kunnen worden. Of het «oude Europa» daarvan slachtoffer is, of juist de VS, hangt af van de politieke dynamiek in Irak. Ik verwacht echter dat de VS en Groot-Brittannië er veel aan gelegen zal zijn een legitieme basis voor een nieuw regime te organiseren. Vriendjespolitiek past daar niet bij. Wel zal Irak steun kunnen gebruiken. De Wereldbank kan daarin een belangrijke rol spelen.

Maar Amerikaanse bedrijven willen toch graag die voorkeurspositie, en het bedrijfsleven dicteert toch de Amerikaanse politiek?

Zelfs als het laatste waar zou zijn, valt het eerste nog maar te bezien. Natuurlijk worden enkele opdrachten voor herstelwerkzaamheden, die op korte termijn gegund moeten worden en waarvoor de VS het initiatief moeten nemen, niet richting Frankrijk gesluisd. Op iets langere termijn is het onwaarschijnlijk dat belangrijke marktpartijen uitgesloten worden. Om de genoemde redenen, maar ook omdat dit niet in het belang van een groot deel van het Amerikaanse bedrijfsleven is. Amerikaanse multinationals en exporteurs floreren bij een wereldeconomie die op vrije handelsprincipes is gebaseerd. Indien de VS, lange tijd de grote aanjager van vrijhandel, daar nu afstand van gaan nemen, dreigt het gevaar dat andere mogendheden hetzelfde gaan doen: oog om oog, tand om tand. De economische kosten daarvan zijn vele malen hoger dan de voordelen die enkele Amerikaanse bedrijven kunnen hebben bij een voorkeurspositie in de wederopbouw van Irak. Niet voor niets werd de Amerikaanse staatssecretaris voor Internationale Handel, Alan Larson, tijdens een bijeenkomst van het European Policy Centre op 27 maart in Londen, hevig gekritiseerd door internationale topondernemers, inclusief Amerikaanse, toen hij de suggestie wekte dat Amerikaanse bedrijven een voorkeurspositie zouden krijgen. Welbegrepen eigenbelang zal de doorslag geven. Afscherming past daar niet bij.

De antwoorden op bovenstaande vragen zeggen niets over de rechtvaardigheid van de oorlog. Wel geven ze, hoop ik, een nuchterder inzicht in de vermeende motieven van de Amerikanen, en de consequenties voor de wereldenergievoorziening na de oorlog.