Een eenmansschrijver

De derde aflevering van Jeroen Brouwers’ eenmanstijdschrift Feuilletons wordt opmerkelijk onwelwillend ontvangen. Het geschrevene, luidt zo ongeveer het verwijt, is niet zo hoogstaand en er wordt menig afgereden karrepaard afgerost.

Het zal allemaal wel. Feit blijft dat Brouwers na het overlijden van Hermans en de vervroegde pensionering van Komrij zonder concurrentie de vinnigste en meest virtuoze reputatiekraker van het Nederlandse taalgebied is. Tja, of het allemaal zo hoogstaand is wat hij schrijft? Ik weet, eerlijk gezegd, niet wat hoogstaand proza is. Ik weet alleen dat als pamfletterend proza aan dit criterium zou moeten voldoen, er nooit een eenmanstijdschrift zou zijn of worden uitgegeven, niet Alexander Cohens De Paradox, niet Richter Roegholts De Spiegel van Sem, niet Jacques Gans’ Het Pamflet en niet Hans van Stratens Vlachtwedder Grensbode.
Een eenmanstijdschrift wordt door andere creatieve wetten geregeerd dan meermanstijdschriften als Maatstaf of De Groene. De eenmansschrijver is een gedrevene die een onaangename boodschap heeft en daarbij niet door anderen voor de voeten wenst te worden gelopen. De eenmansschrijver is een maniak die zijn prooi totterdood (schrijver of beschrevene) blijft achtervolgen. De vorige aflevering van Brouwers tijdschrift was geheel aan Ronald Dietz gewijd, de directeur van De Arbeiderspers. In deze nieuwe, derde aflevering krijgt Dietz nog 25 pagina’s Zutendaalse modder over zich heen - en ik durf er wat om te verwedden dat het verhaal in aflevering vier wordt voortgezet.
Is René Diekstra, schrijver-overschrijver te Leiden, een oude koe? Het verhaal van de getalenteerdste plagiaris van naoorlogs Nederland lijkt uitentreuren verteld. Maar niet door Jeroen Brouwers, die trouwens tussen de bedrijven door een paar nieuwe, interessante bladzijden aan het dossier toevoegt. U dacht toch niet dat Diekstra zijn veelgelezen en veelbecommentarieerde Over suïcide (1971) zelf heeft bedacht? Het lijkt vreemd dat het meer dan 25 jaar moest duren voordat dit geval van letterdieverij aan het licht is gekomen.
Het lijkt inderdaad kinderachtig om als de zoveelste op rij tegen Willem-Alexander tekeer te gaan. Maar Brouwers betoog gaat niet, anders dan zijn recensenten suggereren, primair over ’s mans gebrek aan intellectueel gewicht. Het gaat over uitgever Geert van Oorschot, die eind 1970 per koninklijk schrijven te horen kreeg dat Hare Majesteit ‘vanuit het oogpunt van bezuinigingen’ niet langer prijs stelde op de toezending van de nieuwste afleveringen van Multatuli’s Verzamelde Werken. En toen Multatuli’s opera omnia eindelijk voltooid waren, was het Haar kleinzoon die deze, na de presentatie, gratis en voor niks, mee naar huis mocht nemen, tot postume woede van Van Oorschot, die - door Brouwers telefonisch op zijn wolk geraadpleegd - zei: 'Die snotneus weet niet eens wie Multatuli is, zal nooit van Multatuli kennis nemen, noch überhaupt van een letter literatuur. Dat heeft hij gemeen met zijn opoe.’
Want eigenlijk is het gehele kritische oeuvre van Brouwers een verdedigingsrede tegen degenen die - zijns inziens - de literatuur misbruiken. Is het letterkundig klimaat inmiddels zo versuft dat de recensenten dat niet meer zien of wensen te zien? Laat je niet intimideren, Brouwers! Op naar aflevering vier!