Debatteren op z’n Brits

Een eerbiedwaardige idioot

Van het politieke oerwoud in het Britse Lagerhuis gaat een onweerstaanbare charme uit. Leren Nederlandse Kamerleden hier ooit wat van?

Medium lagerhuis

De uitbarsting kwam onverhoeds. Tijdens het wekelijkse vragenuurtje was David Cameron met een antwoord bezig over het begrotingstekort, het belang van lage rentestanden en een actief monetair beleid. Het oog van de premier rustte op oppositieleider Ed Miliband en diens schaduwkabinet, meer in het bijzonder de geanimeerde Ed Balls. Deze woordvoerder Financiën maakte het gebaar van een lijn op de hartmonitor van een overleden patiënt, dit ter illustratie van de nulgroei. Cameron had daar schoon genoeg van en nadat hij had verklaard dat de Britse economie herstellende was, voegde hij eraan toe dat zulks niet het geval was geweest als ‘we hadden geluisterd naar die mompelende idioot tegenover me’.

Het Lagerhuis was te klein. Op de Conservatieve bankjes klonk gejuich en hoongelach. Kamerleden zwaaiden met velletjes, zoals Barcelona-fans dat doen met witte zakdoekjes. De sociaal-democraten beklaagden zich. ‘Flashman! Flashman!’ klonk het uit die hoek, een verwijzing naar Tom Brown’s School Days, een Victoriaanse roman waarin menige puber op de Rugby-kostschool lijdt onder de terreur van ouderejaars Harry Flashman. Balls, die een klein spraakgebrek heeft, lachte sportief. A good sport. Nadat de storm was gaan liggen verzocht de Kamervoorzitter de premier om deze onparlementaire term in te trekken. Cameron verving het met ‘de man die een enorme staatsschuld en een financiële crisis heeft achtergelaten’.

Het was een typisch moment in Prime Minister’s Questions. Elke woensdag rond het middaguur vullen de groene bankjes zich om het haantjesgevecht tussen de premier en hare majesteits oppositie gade te slaan. Op de perstribune zitten de sketchschrijvers om deze politieke variant van Jan Klaassen en Katrijn te recenseren. Premiers bereiden zich dagen voor op mogelijke vragen. Tony Blair verzocht de koningin zelfs om hem op een andere dag dan dinsdag te ontvangen. Inhoudelijk gezien is het weinig verheffend. Het gaat, in de woorden van Dries van Agt, om de optiek en de akoestiek. Het is het hoogtepunt van de Britse confrontatiepolitiek.

Het Lagerhuis – waar niet genoeg zitruimte is voor alle Kamerleden – is een jungle, waar overal vijanden op de loer liggen. De Conservatief Michael Heseltine, gezegend met blonde manen, greep ooit het ceremoniële zwaard van de middentafel om daarmee te zwaaien. Het leverde hem de bijnaam Tarzan op. Jaren later was hij betrokken bij de coup tegen zijn eigen leider, Margaret Thatcher. Deze episode bewees het gelijk van Winston Churchill. Een jonge Tory, die voor het eerst het Lagerhuis betrad, wees de oorlogspremier op de bankjes aan de overkant. ‘Dus dat is de vijand?’ constateerde hij. ‘Nee’, zei Churchill, ‘dat is de oppositie. De vijand zit daar…’ wijzend op de bankjes achter hem.

Tweede-Kamer­leden komen bijeen om te vergaderen, het land te regelen, te polderen en niet om te debatteren

Van dit politieke oerwoud gaat een onweerstaanbare charme uit, zeker sinds er in de jaren tachtig televisiecamera’s werden geïnstalleerd. Zoals ‘Mind the gap’ de uitdrukking is die wordt geassocieerd met de Londense metro, staat ‘Order, order’ voor het Lagerhuis, de kreet waarmee de Kamervoorzitter op theatrale wijze de orde probeert te handhaven. Enkele maanden geleden opperde zijn collega in de Tweede Kamer, Anouchka van Miltenburg, dat ze het Britse vragenuurtje wilde importeren. Deze drang naar meer strijd was een opmerkelijk standpunt voor een politica die ooit huilend wegliep nadat een fractieleider voorzichtig had laten doorschemeren te twijfelen aan haar onpartijdigheid.

Of de export van het Britse model naar de Tweede Kamer enige kans maakt, valt echter te betwijfelen. Het eerste probleem zit ’m in de term ‘Plenaire Vergadering’, zoals een parlementaire samenkomst in Nederland heet. Kamerleden komen bijeen om te vergaderen, het land te regelen, te polderen en niet, zoals in Groot-Brittannië, om te debatteren.

Dat verschil uit zich in de architectuur. In Londen staan de leren bankjes tegenover elkaar, terwijl de Nederlandse Kamerleden in een halve-maanvorm zitten, allemaal aan een eigen tafeltje, in een opgeruimde zaal met een Ikea-uitstraling. De regering houdt zich schuil in Vak K. Waar de Britten er alles aan doen om de politieke verschillen te benadrukken, lijkt het doel van de Haagse politici te zijn om een consensus te bereiken, iets dat tevens het geval is in Straatsburg. Het is zaak om leiders van andere partijen niet te schofferen, want er is altijd een kans dat je op een dag moet samenwerken, iets waar Conservatieven en Labour geen last van hebben. Die zullen nooit een coalitie vormen.

Wie in Nederland een debat wil, krijgt al snel het verwijt te ‘polariseren’. De Britse Kamerleden, daarentegen, zijn opgegroeid in een debatcultuur. Scholen, zeker de particuliere, en universiteiten nemen retorica serieus. Het houden van een eloquente toespraak, uit het hoofd, gevolgd door een debat met gevatte opmerkingen is hier aan de orde van de dag. Mocht het in Nederland onverhoopt tot een debat komen, dan leidt dat soms tot tergende taferelen, van fractieleiders die ‘Beeeehhh’ roepen (Bolkestein), met een contactdoos klungelen (Sap) of overgaan tot opmerkingen die je bij de kassa van AH hoort, zoals ‘Doe eens normaal man’ (Wilders). Als er vijandschap is, dan is deze meteen boers van aard.

Het verschil tussen het Britse confrontatiemodel en het continentale streven naar consensus komt fraai tot uiting bij de toespraken van Ukip-leider Nigel Farage in Straatsburg. Zo dichtte hij de toen kersverse president Herman Van Rompuy eens ‘het charisma van een natte vaatdoek en het voorkomen van een laagbetaalde bankbediende’ toe. Waar er in het Lagerhuis zou zijn gejoeld, daar klonk in Straatsburg sterke afkeuring. De essentie zat hem in het voorafgaande ‘Ik wil niet onbeleefd zijn, maar…’ Dat was typisch Brits. Hoe groot de vijandelijkheden ook zijn, ze gaan altijd gepaard met een zekere beleefdheid. Zo spreken Britse Kamerleden elkaar altijd keurig netjes aan met ‘The Right Honourable Member’ dan wel ‘My Right Honourable Friend’. Of ze het nu menen of niet.


Beeld: Ed Balls spreekt in het Lagerhuis, Londen (PA Photos LTD / HH).