13 januari 2021, Syrische vrouwen met foto’s van hun omgekomen familieleden voor het gerechtshof in Koblenz. ©  Martin Meissner/ AP | Associated Press

Het principe van ‘universele jurisdictie’maakt het mogelijk om verdachten van in het buitenland gepleegde ernstige misdrijven te vervolgen. Gisteren werd in Duitsland een Syrische kolonel via die weg medeschuldig bevonden aan misdrijven tegen de menselijkheid.

‘Dit is geweldig! Dit is een overwinning voor de slachtoffers en voor gerechtigheid. Ik ben zo blij!’ zegt Anwar al-Bunni opgetogen door de telefoon. De Syrische mensenrechtenadvocaat staat bij het gerechtsgebouw in de Duitse stad Koblenz waar de rechters zojuist, donderdag 13 januari, uitspraak hebben gedaan in het historische proces tegen een hoge functionaris van het Syrische regime. Kolonel Anwar R. was Hoofd Onderzoek van de gevangenis van Branche 251 van de inlichtingendienst, gevestigd in de wijk al-Khatib in Damascus. Gevangenen wachtte er een afgrijselijk lot. Na 110 procesdagen veroordeelde de rechtbank Anwar R. wegens misdrijven tegen de menselijkheid. Als mededader is hij schuldig aan marteling van zeker vierduizend gevangenen, 27 moorden, seksueel geweld en andere misdrijven. Hij is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

‘Nee’, zegt Al-Bunni, voor wie deze zaak onderdeel is van zijn levenswerk: ‘gerechtigheid voor Syrië’. De mensenrechtenadvocaat was niet in de rechtszaal toen het vonnis werd voorgelezen. ‘Mensen stonden vanochtend al om vier uur voor het gebouw om zeker te zijn van een plaats’, legt hij uit. Collega’s die per se binnen moesten zijn, wachtten uren in de kou. Al-Bunni kwam later. Toen het vonnis was uitgesproken vielen hij en andere Syriërs elkaar voor het gebouw in de armen. Sindsdien wordt Al-Bunni platgebeld door journalisten en mensen met felicitaties. ‘Zoveel media willen hier over berichten. Dat betekent dat het echt belangrijk is. De hele wereld weet nu wat er in Syrië gebeurt.’

Het vonnis heeft grote betekenis en stijgt uit boven de individuele veroordeling. Internationaal is het de eerste rechtszaak waarbij marteling door de Syrische staat wordt vervolgd. Het is ook de eerste keer dat een hoge Syrische staatsfunctionaris schuldig is bevonden aan misdrijven tegen de menselijkheid. Tegelijk met Anwar R. stond ook Eyad A., een medewerker lager in rang bij de Syrische geheime dienst, terecht. Hij werd al in februari 2021 tot vierenhalf jaar celstraf veroordeeld voor het bijdragen aan misdrijven tegen de menselijkheid. Beide Syriërs vluchtten indertijd naar Duitsland, waar ze dachten veilig te zijn. Tot justitie ze in het vizier kreeg.

De kansen voor internationale gerechtigheid voor Syrië zijn gering. Het Internationaal Strafhof in Den Haag, opgezet voor het vervolgen van daders van internationale misdrijven, kan niets doen omdat het voor Syrië geen rechtsmacht heeft. Het land is geen lid van het hof. Rusland, dat continu Syrische burgers bombardeert, blokkeert een verwijzing door de VN-Veiligheidsraad waarmee het strafhof wel actief had kunnen worden.

Dat Anwar R. en Eyad A. in Koblenz zijn berecht, is mogelijk omdat Duitsland (net als enkele andere landen zoals Nederland) het principe van ‘universal jurisdiction’ toepast. Als wreedheden zeer schokkend en bedreigend voor de mensheid zijn, kunnen zij als derde landen deze misdrijven vervolgen, ook al is het geweld gepleegd in het buitenland. Het gaat om zware misdrijven als genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en marteling. ‘Universal jurisidiction is vaak de laatste hoop voor slachtoffers van de ernstigste misdrijven’, stelde Wolfgang Kaleck, algemeen secretaris van het European Center for Constitutional and Human Rights (ECCHR) in een persverklaring.

Het aantal landen dat universal-jurisdiction-zaken doet groeit, schreef TRIAL International. Al blijft het een druppel op de gloeiende plaat. De pandemie zorgde voor stagnatie. Daarom is het extra bijzonder dat het proces in Koblenz midden in de coronacrisis op 23 april 2020 startte. Om succes te hebben met deze zaken moeten landen hun wetgeving op orde hebben, jarenlang investeren in complex onderzoek naar misdrijven in het buitenland, gespecialiseerde politieteams en professionals hebben, samenwerken zoals Duitsland en Frankrijk bij het Syrië-dossier doen.

Een grote rol spelen organisaties zoals het ECCHR, die gaan voor aangiften en juridische procedures en samenwerken met Syriërs als Al-Bunni en Mazen Darwish (lees het portret dat De Groene over hem schreef), die zich onvermoeibaar dag en nacht inzetten. Syriërs zijn onmisbaar en cruciaal. Ze kennen de situatie in Syrië, spreken de taal, begrijpen slachtoffers, weten waar getuigen verblijven, overtuigen hen mee te werken en vormen een brug met justitie. De vreselijke ervaringen van gevluchte Syriërs kunnen cruciaal bewijs vormen. Er is voor al deze Syriërs veel moed en vastberadenheid nodig om mee te werken, zeker als het gaat om aanklachten tegen functionarissen van een criminele staat.

Tevens werden bij het proces voor het eerst de ‘Caesar files’ als bewijs opgevoerd in een rechtszaak. Het fotodossier bevat tienduizenden foto’s van overleden slachtoffers die in detentiecentra werden gemarteld, uitgehongerd en vermoord. Het is vernoemd naar de codenaam van de ex-fotograaf van de Syrische militaire politie die de beelden maakte en met gevaar voor eigen leven Syrië uit smokkelde.

Het vonnis is belangrijk voor alle Syriërs die lijden onder de misdrijven van het Assad-regime, verklaarde Ruham Hawash, een van de Syrische overlevenden van Branche 251 en getuige in het proces. ‘Het toont ons: gerechtigheid moet niet een droom voor ons blijven.’ Zoals velen benadrukt ook zij dat de uitspraak een begin is en er nog een lange weg te gaan is. Maar het is voor de getroffenen ‘een eerste stap naar vrijheid, waardigheid en gerechtigheid’, stelt Hawash. Het zijn woorden waarin pijn en hoop doorklinkt.
Het vonnis is een baken dat staat tegenover de extreme straffeloosheid in Syrië. Sinds de Syrische Lente in 2011 losbarstte zijn minstens 350.000 mensen gedood, aldus een schatting van de Verenigde Naties. Mensen zijn gemarteld, verdwenen, gearresteerd, uitgehongerd en gebombardeerd. Meer dan 12 miljoen mensen ontvluchtten hun huis. De Syrische regering en pro-regeringsgroepen zijn ‘verantwoordelijk voor de meeste gewelddadigheden tegen burgers’, aldus Human Rights Watch.

Anwar al-Bunni richt zich vooral op het regime. Inmiddels hebben het ECCHR, Syriërs en partnerorganisaties aangifte gedaan tegen andere hoge functionarissen van het Syrische veiligheidsapparaat in Duitsland, Oostenrijk, Zweden en Noorwegen. Nederland vervolgt Syriërs die vooral behoorden tot rebellengroepen en terroristische organisaties. Volgens onderzoekers zouden in Nederland ook tientallen handlangers van het Syrische regime die verdacht worden van zware misdrijven, vrij rondlopen.

Een Syrische vriend put vooral hoop uit het proces in Koblenz. ‘We moeten niet opgeven. Net zoals misdadigers van nazi-Duitsland nog berecht worden, al zijn ze honderd jaar, zullen Syrische oorlogsmisdadigers vervolgd kunnen worden.’