Paula Rego, the Family, 1988. Acryl op papier op canvas, 213,4 cm x 213,4 cm © courtesy Paula Rego

Nederland geldt als een van de meest egalitaire landen ter wereld, er is een hoge arbeidsmarktparticipatie van vrouwen, en het aandeel vrouwen in politiek, media en wetenschap zit in de lift. Tegelijkertijd verbazen velen zich over het hoge aantal deeltijdwerkers, het lage aantal vrouwen dat financieel onafhankelijk is en een ‘onverklaarbare’ loonkloof. Niet toevallig kunnen Sophie van Gool en Liesbeth Staats zich dan ook afvragen ‘waarom vrouwen minder verdienen’ en ‘minder werken’ in dit land.

Dat lijkt een paradoxale situatie, want hoe kunnen vrouwen in een van de meest egalitaire landen ter wereld nog altijd een achtergestelde positie innemen? Daarvoor moeten we het hebben over de emancipatie.

Spreken over emancipatie is een beladen spreken. Want in Nederland wordt emancipatie namelijk nogal snel gereduceerd tot een ‘vrouwenzaak’. Aan de ene kant verzamelen degenen die vrouwen het liefst afschilderen als ‘deeltijdprinsesjes’, als ‘luie luxepaardjes’ die in ‘deeltijddecadentie’ baden. Aan de andere kant verzamelen zij die de financiële afhankelijkheid, de loonkloof en zwangerschapsdiscriminatie aankaarten als bewijs van structurele achterstelling.

Om voorbij het gebabbel in termen van afstand, kloof en achterstelling te komen begin ik met de conclusie: het benadrukken van emancipatie is bedoeld om een scheiding aan te brengen tussen geëmancipeerden en ongeëmancipeerden. Dat zorgt voor een voortdurende afhankelijkheid van degene bij wie de mate van emancipatie geproblematiseerd wordt. Door de verheven geëmancipeerde status bovendien voor te behouden aan leden die de orde bevestigen, zorgt emancipatie voor uitsluiting. Was dat eerder voorbehouden aan katholieken, joden, arbeiders en slaven, vanaf de Tweede Wereldoorlog komt die deviante positie toe aan vrouwen. Want historisch onderzoek laat zien dat wat we onder emancipatie verstaan allesbehalve een statische, neutrale of onschuldige aangelegenheid is. Laat staan dat het een feminien begrip is. Het begrip verschiet door de tijd sterk van kleur. Zodoende moeten we de vraag stellen: wat doet emancipatie in Nederland?

Als we nu spreken over ‘emancipatie’ bedoelen we impliciet ‘vrouwenemancipatie’ zoals de Van Dale stelt ‘het toestaan of verwerven van gelijke rechten aan/door een groep die was achtergesteld: de emancipatie van de vrouw’. Echter is die feminiene interpretatie zeer recent en allesbehalve vanzelfsprekend. De term emancipatie komt namelijk oorspronkelijk uit het Latijn en stamt uit het Romeins recht. Het komt van het woord mancipatio, een samentrekking van ‘in de hand’ (manus) ‘houden, nemen’ (capere) en verwijst in het Romeins recht naar een derivatieve wijze van eigendomsoverdracht. Een formele en geritualiseerde procedure waarbij aan een aantal strikte voorwaarden moest worden voldaan die voorbehouden waren aan Romeinse burgers. Middels de mancipatio kon eigendom of bezit, zoals kinderen en slaven (res mancipi), door de vader van de hand worden gedaan. Daarmee verloor de vader zijn vaderlijke macht als hij zijn zoon, dochter of slaaf verkocht of verpandde. Daarmee vindt de term emancipatie zijn oorsprong dus in een juridische procedure die de transformatie van eigendomsverhoudingen moest bezegelen.

De ontwikkeling van het Romeinse en juridische mancipatio naar de huidige feminiene interpretatie van emancipatie is allesbehalve een lineaire ontwikkeling. Toch blijft emancipatiedenken historisch gezien lange tijd binnen de juridische kaders waarin het zijn oorsprong heeft. Pas wanneer Verlichtingsdenkers zich gaan verdiepen in zoiets als zelfverwerkelijking, individuele rede en autonome soevereiniteit wordt dat Romeinse emancipatiebegrip herontdekt. Dan komt het namelijk van pas bij de intellectuele reconstructie van het subject. Daarmee krijgt het begrip in de moderne tijd een nieuwe en ruimere betekenis, waarbij de nadruk verschuift van de (passieve) overdracht van eigendom en rechten naar de (actieve) zelfbevrijding van het subject. Het zijn denkers zoals Mary Wollstonecraft die in haar Pleidooi voor de rechten van de vrouw (1792) als eerste het begrip emancipatie van een feminiene interpretatie voorziet en daar een schitterend pleidooi op baseert, want ‘wat anders laat de geschiedenis zien dan tekenen van haar minderwaardigheid? Hoeveel vrouwen waren er die zich van het kwetsende juk van de oppermachtige man hebben geëmancipeerd? Zo weinig’ stelt Wollstonecraft.

Er gaat een lange periode overheen voordat er vanaf het midden van de jaren zeventig nationale beleidsaandacht komt voor emancipatie. In 1974 spreekt koningin Juliana in de troonrede voor het eerst over emancipatie, en dan ook direct als vrouwenemancipatie. Daarbij wordt het bij aanvang opgevat als een vrouwen- én mannenvraagstuk, want in het kabinet-Den Uyl is het onderdeel van een beleid van culturele emancipatie van de burger. ‘Meer mensen mondig maken’, zoals pvda-minister Jos van Kemenade dat benoemt.

Idealen rondom zelfontplooiing, individuele vrijheid en gelijke kansen worden op een nieuwe wijze onder de aandacht gebracht. Met ‘emancipatie’ wordt primair het maatschappelijk vraagstuk opgevat tot de ‘vrijmaking van de vrouw en man uit sociale conventies die individuele keuzen om het leven naar eigen goeddunken in te richten in de weg staan’. De ingestelde ‘emancipatiekommissie’ brengt twee jaar later haar advies uit met de titel ‘Aanzet tot een vijfjarenplan’, dat door het kabinet-Den Uyl (1973-1977) wordt overgenomen. Ondanks de focus op een vrouwen- én mannenvraagstuk gaat het uiteindelijk primair om ‘de emancipatie van de vrouw’. De kabinetten-Van Agt (1977-1982) nemen die probleemanalyse over en ook het daaropvolgende kabinet-Lubbers I herhaalt die inzet, aangezien het erom gaat ‘te bereiken dat het verschil tussen de seksen niet langer op zodanige wijze grondslag voor de maatschappelijke organisatie is dat systematisch de kansen voor de ene groep groter zijn dan voor de andere en de daarmee verbonden machtsverschillen in stand worden gehouden’.

In het Beleidsplan Emancipatie (1985) van dat kabinet gaat emancipatie primair over structurele en ongelijke machtsverhoudingen. Om een machtsevenwicht te bereiken moet het voor vrouwen mogelijk worden meer zelfstandigheid te bereiken door het verzekeren van gelijke rechten. Ondanks een ronkende start ontstaat in de jaren tachtig een impasse, omdat bepaalde emancipatiedoelstellingen met elkaar conflicteren. Aan de ene kant wil het kabinet-Lubbers vrouwen minder afhankelijk maken van uitkeringen, maar tegelijkertijd blijft economische zelfstandigheid binnen de rechtervleugel van het cda omstreden. Dit zorgt er uiteindelijk voor dat emancipatiebeleid wordt omgevormd tot arbeidsmarktbeleid, zonder stevige investeringen in voorzieningen zoals kinderopvang. Deze impasse duurt tot na het derde kabinet-Lubbers (1989-1994).

In de daaropvolgende kabinetten in de jaren negentig verengt de beleidsfocus zich steeds meer tot een arbeidsmarktparticipatievraagstuk. In het beleidsvertoog wordt dit gekoppeld aan ‘economische zelfstandigheid’ en ‘individuele ontplooiing’. Bovendien wordt de institutionele infrastructuur grotendeels afgebroken. Zo wordt de projectstaatssecretaris voor Emancipatie afgeschaft, de ministeriële Commissie Emancipatiebeleid opgeheven en worden de vaste Kamercommissie voor emancipatiebeleid en de Emancipatieraad opgeheven in 1997. Deze institutionele ontmanteling luidt opnieuw een inhoudelijke impasse in. Nieuwe programma’s herhalen de vaste beleidsonderdelen, beschrijven wat in het verleden is gebeurd en beloven nadere uitwerking in nieuw beleid.

Die institutionele verschraling komt met name naar voren in het eerste paarse kabinet (1994-1998) waar minister Ad Melkert (pvda), verantwoordelijk voor emancipatie, afgedwongen fusies en teruglopende subsidies doorzet voor vrouwenorganisaties. Emancipatie wordt steeds meer een technocratisch beleidsterrein, opgevat als een herverdelingsvraagstuk. Dat zorgt ervoor dat Melkert in 1996 de Commissie Dagindeling introduceert, die zich gaat bezighouden met ‘een ingrijpende verschuiving in Nederland van een sekse-specifieke taakverdeling naar een taakverdeling waarbij mannen en vrouwen dagelijks arbeid en zorg combineren’. De emancipatiestrijd wordt een herverdelingsvraagstuk, en dat gaat gepaard met nieuw jargon. De Commissie moet zich namelijk gaan richten ‘op de fricties tussen de individuele tijd-ruimtelijke gedragingen en de tijd-ruimtelijke structuur van de samenleving die knelpunten en afstemmingsproblemen opleveren voor taakcombineerders’.

In 1998 volgt de Stuurgroep Dagindeling de inmiddels opgeheven Commissie Dagindeling op. Ook wordt besloten vanaf 2000 de beleidsinzet te voorzien van periodiek onderzoek. Zodoende voert het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp), in samenwerking met het Centraal Bureau voor de Statistiek (cbs), inmiddels tweejaarlijks de Emancipatiemonitor uit over ‘thema’s die overeenkomen met het landelijk emancipatiebeleid’. Het zorgt voor een verdere rationalisering van het beleidsterrein.

Ondanks deze technocratisering treedt er inhoudelijk in de paarse kabinetten wel een belangrijke beleidswijziging op. De focus op emancipatie als machtsvraagstuk tussen vrouwen en mannen verandert naar de emancipatie van etnische minderheden. De nadruk komt te liggen op de emancipatie van vrouwen van niet-Nederlandse afkomst, en vooral islamitische vrouwen. De veronderstelling is dat Nederlandse vrouwen al geëmancipeerd zijn en minder beleidsmatige aandacht behoeven. Het kenmerkt een periode van culturalisering van emancipatie, waarbij emancipatie gekoppeld wordt aan specifieke culturele, religieuze of etnische groepen. Institutioneel komt deze beleidswijziging in 2001 tot uitdrukking in de installatie van de commissie die gaat over Arbeidsparticipatie Vrouwen uit Etnische Minderheden (avem). Deze commissie moet de ‘vrouwenemancipatie van etnische minderheden en de arbeidsmarktpositie van allochtone vrouwen’ bestuderen en voorstellen aandragen ter verbetering.

Zoals cabaretière Hester Macrander stelt: ‘Grootmoeder had geen kiesrecht, moeder geen pil, dochter geen tijd’

Bovendien wordt met de oprichting van de avem de emancipatie van Nederlandse vrouwen als afgerond beschouwd. Illustratief voor die periode stelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Aart-Jan de Geus (cda) in 2003 tijdens een lezing in het Rotterdamse Luxor dat we ‘aan het begin van deze eeuw met de emancipatie een nieuwe fase ingaan. Een fase die in belangrijke mate zal worden gekenmerkt door de emancipatie van de vrouwen van “allochtone afkomst”.’ Hij sluit zijn toespraak af met de slotzin: ‘Het is mijn ambitie om deze integrale aanpak de komende jaren zo vorm te geven dat een speciale portefeuille emancipatiebeleid bij de volgende kabinetsformatie overbodig is.’

Die uitspraak wordt in verschillende media uitgelegd als bewijs dat De Geus emancipatie als afgerond ziet. Na een storm van kritiek benadrukt De Geus zijn onverminderde inzet op emancipatie en blijft hij achter de accentverschuiving richting ‘de allochtone vrouw’ staan. Ook het emancipatieonderzoek buigt mee met deze politieke koersverlegging, waardoor het scp vanaf 2006 overgaat tot het publiceren van de Sociale Atlas van Vrouwen uit Etnische Minderheden om te voorzien in ‘een uitgebreid overzicht van de emancipatie van de allochtone vrouw’.

De Emancipatiemonitor constateert droogjes dat waar het eerst ging om het verkleinen van verschillen tussen mannen en vrouwen nu ‘de autochtone vrouw gepromoveerd lijkt tot ijkpunt voor de emancipatie van de allochtone vrouw’. Terwijl de focus vol gaat op die allochtone vrouw wordt de emancipatie van de Nederlandse vrouw minder urgent en binnen de ministersploeg zelfs ‘impopulair’. Deze terugtrekking wordt ook geconstateerd in de Emancipatiemonitor: ‘Al met al is de conclusie dat de emancipatie de afgelopen jaren is vertraagd. Dat is niet uitsluitend te wijten aan economisch slechtere tijden. Dat de vaart eruit is hangt ook samen met het feit dat de overheid zich terugtrekt. (…) van ondersteuning vanuit daadkrachtig overheidsbeleid is nauwelijks meer sprake. Het kabinet laat het emancipatieproces (…) steeds meer op z’n beloop.’

Vervolgens zetten de kabinetten-Rutte I en II (2010-2017) bestaand beleid vooral voort, al wordt vanaf 2007 ‘homo-emancipatie’ en ‘lhbt’ ondergebracht bij emancipatiebeleid. Toch wordt in 2014 gesteld dat ‘de hoofdlijnen van het emancipatiebeleid sinds 2007 onveranderd zijn’. Weliswaar breekt minister Jet Bussemaker in 2012, overigens net als haar voorganger Ronald Plasterk, met de ‘afrondingsgedachte’ van De Geus en stelt juist dat ‘emancipatie nooit af is en continu onderhoud behoeft’. Ze zet zelfs een nieuwe koers in omdat ze ‘enige emancipatiemoeheid’ constateert. Zodoende introduceert Bussemaker de nota ‘Hoofdlijnen Emancipatiebeleid’, waarmee vrouwenemancipatiebeleid expliciet wordt gekoppeld aan lhbt-beleid. Niet langer ligt het accent op de ‘reeds geëmancipeerde’ autochtone vrouw voor de emancipatie van de ‘traditionele migrantenvrouw’. De beleidsfocus wordt nu gekleurd door een perspectief waarin zowel vrouwen, lesbiennes, homo’s en biseksuelen als transgenders worden gezien als ‘slachtoffers van traditionele man-vrouwrolpatronen’.

De focus verschoof van een culturalisering naar een seksualisering van emancipatiebeleid. Emancipatie werd een imperatief: gij zult geëmancipeerd zijn, en werd daarmee een culturele norm. Emancipatie was niet langer een proletarische of feminiene strijd die gestreden moest worden, maar via emancipatiebeleid konden religieuze of culturele anderen bestreden worden. Die focus, ingezet in het kabinet-Rutte II, wordt overgenomen door minister Ingrid van Engelshoven van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en is nog altijd leidend, verwoord in de laatste Emancipatienota 2018-2021. Daarbij richtte het kabinet-Rutte III zich op ‘gendergelijkheid en de emancipatie van de lhbtqi-gemeenschap’ aangezien het ‘leidend principe hierbij is dat alle burgers hun leven moeten kunnen inrichten zoals zij dat willen’. Maar wat onder burgers wordt verstaan, is toch primair feminien, aangezien onder emancipatie nu vooral de ‘financiële onafhankelijkheid van vrouwen, betere doorstroming van vrouwen naar hogere functies en het bestrijden van de loonkloof’ wordt verstaan.

Bijna vijftig jaar beleidsaandacht toont wie er middels emancipatie worden geproblematiseerd en wie de afwijking op welke norm vormt. Laten we de balans opmaken, en kijken naar op z’n minst drie dingen die denken via emancipatie doet:

1.

Emancipatie produceert mannen en vrouwen. Emancipatie als beleid veronderstelt een onderscheid tussen geëmancipeerden en ongeëmancipeerden en die laatste categorie wordt recentelijk voorbehouden aan vrouwen. Met het ijken en vergelijken van de categorieën man en vrouw binnen emancipatiemonitors, nota’s en beleid wordt via gender mannelijkheid en vrouwelijkheid geproduceerd en gelegitimeerd. Om emancipatie namelijk als ‘proces’ te kunnen meten moet sekseongelijkheid geoperationaliseerd worden en daarom creëert de wetgever twee binaire categorieën: vrouwen en mannen.

Mannen worden daarin steeds als het geëmancipeerde referentiepunt opgevoerd waar de ongewenste situatie zich toe dient te voegen. Door steeds aan vrouwen die ongeëmancipeerde status te verlenen, ligt vervolgens ook de bewijslast van die emancipatie bij vrouwen. Het doet denken aan de manier waarop de filosoof Judith Butler laat zien hoe het denken in essentiële categorieën bij het incestverbod de categorieën vrouw en man uitkristalliseert als gevolg van het verbod. Butler laat zien hoe een wet deze categorieën nodig heeft om een normerende werking te hebben en hoe de wet die categorieën, door ze te veronderstellen, produceert en legitimeert. Op eenzelfde manier produceert emancipatiebeleid mannen en vrouwen. Maar daar blijft het niet bij.

2.

Mannen hebben dispensatie van emancipatie. De beleidsreconstructie toont dat mannen langzaam uit het beleid zijn verdwenen. Waar de Haagse inzet begon met een heldere focus op emancipatie als ‘ongelijke machtsverhoudingen tussen mannen en vrouwen’ hebben mannen inmiddels geen aandeel meer in de bestendiging of de verbetering van emancipatie. Sterker nog, sinds emancipatie ‘primair wordt opgevat als een vrouwenzaak’ hebben vrouwen het monopolie op emancipatie, en mannen dus dispensatie.

Als mannen aanwezig zijn, dan zijn ze dat als afwezige referentiegroep. Zo zijn mannen een illusive category, ze spelen als norm een afwezige maar dominante rol, zoals ook Caroline Criado Perez in haar mooie boek Onzichtbare vrouwen of Sophie Frankenmolen in de npo 2-serie Reference Man laten zien. Het is in lijn met wat de Franse filosoof Jacques Derrida stelt: dat ons aanwezige denken (dat wat er is) wordt gekenmerkt door afwezigheid (dat wat er niet is, dat wat wordt verzwegen). Het is de referentiegroep die ‘in stilte’ de logica van het vraagstuk ordent, want dat ‘wat essentieel is, spreekt vanzelf, omdat het vanzelfsprekend is: de traditie zwijgt, vooral ook over zichzelf als een traditie’, zoals de Franse socioloog Pierre Bourdieu stelde. Maar dat wat vanzelf spreekt, spreekt doorgaans niet ‘vanzelf’. Er is eerder sprake van wat de Amsterdamse socioloog Abram de Swaan ‘vanzelfzwijgendheid’ noemt. Immers, dat wat vanzelf spreekt, zwijgt doorgaans.

Want of we nu kijken naar de meest recente Emancipatienota (2018) of Emancipatiemonitor (2020), als de positie van mannen wordt aangehaald, dan is dat hooguit als norm (voltijd), als gemiddelde inkomen (loonkloof) of als ideale standaard (topfuncties). Met als gevolg dat mannen ook niets hoeven en zodoende valt het vooral vrouwen aan te rekenen dat ze ‘minder verdienen’ (Liesbeth Staats) of ‘minder werken’ (Sophie van Gool). In het huidige beleid figureren mannen als emancipatoir neutrale categorie en hoeven dus ook nooit te emanciperen. Er bestaat ook geen emancipatiebeleid voor mannen, zij zijn blijkbaar al geëmancipeerd. Er wordt vanzelfzwijgend vanuit gegaan dat mannen al een ‘volwaardige positie’ innemen of zelfs de volwaardige positie zijn en bovendien dat mannen geen aandeel hebben in het creëren van die achterstelling.

Zodoende spelen mannen, en vooral heteroseksuele witte mannen, door de tijd heen een afwezige hoofdrol. Zo bevestigt deeltijdwerk vooral voltijdwerk, financiële afhankelijkheid vooral financiële onafhankelijkheid en onbetaalde arbeid vooral betaalde arbeid. Eenzelfde hegemoniale masculiniteit, zoals de Australische sociologe Raewyn Connell dat noemt, zien we ook elders, zo bevestigt het vrouwenvoetbal vooral het voetbal, de Oranjeleeuwinnen vooral Oranje en de Tour de France Femmes vooral de Tour de France. Zonder dat bij voetbal, Oranje of de Tour benoemd hoeft te worden dat het mannen betreft.

3.

Emancipatie bestendigt fundamentele afhankelijkheden. Ten derde veronderstelt emancipatiedenken een fundamentele ongelijkheid en afhankelijkheid tussen een dominante geëmancipeerde en een ondergeschikte ongeëmancipeerde. Want een te emanciperen groep of persoon is namelijk per definitie afhankelijk van de interventie van een emancipator. En alleen door de acceptatie van die afhankelijkheid kan de belofte op gelijkheid, volwaardigheid en onafhankelijkheid gestalte krijgen.

Zo worden vrouwen ‘op dubbele wijze uitgebuit: buitenshuis door het kapitalisme en binnenshuis door het patriarchaat’

Ga maar na, emancipatie bestaat bij de gratie van een hiërarchisch, bevoogdend en pedagogisch model. Een model waar we allemaal bekend mee zijn vanuit ons onderwijs. Want een onderwijzer kan een leerling doorgaans allerlei opdrachten, vakken en huiswerk opdragen vanwege de belofte op verlichting, ontwikkeling of vaardigheden. Maar ‘om deze superioriteit te laten bestaan’, stelt onderwijsfilosoof Gert Biesta, ‘heeft een emancipator de inferioriteit nodig van degene die geëmancipeerd moet worden’. De acceptatie van emancipatie legitimeert daarmee ongelijkheid en afhankelijkheid. En alleen vanuit die acceptatie zijn interventies van een dominante emancipator te legitimeren. En dat is prima binnen een scholend instituut als onderwijs. Het neemt problematischer vormen aan wanneer datzelfde bevoogdend model wordt toegepast op de helft van een samenleving.

Emancipatiedenken vormt daarmee de ketenen waarvan men zich wil bevrijden. Want emancipatie kan alleen vat krijgen op vrouwen als zij de onvolwaardigheid, ongelijkheid en afhankelijkheid van hun maatschappelijke positie accepteren. En dat zal voor velen aanvoelen als een paradoxale situatie. Want onder het vaandel der emancipatie konden we toch juist strijden voor bevrijding en onafhankelijkheid? Alleen toont het voorgaande dat ons emancipatiedenken inmiddels bestaat bij de gratie van onderschikking, ongelijkheid en afhankelijkheid. Sterker nog, de naoorlogse beleidsinzet van emancipatie als arbeidsmarktparticipatie is daarin illustratief. Want de nadruk op ‘financiële zelfredzaamheid’ en ‘economische zelfstandigheid’ zet dezelfde afhankelijkheid voort door het alleen te verplaatsen van het privé-domein naar een marktdomein.

Met andere woorden: ik betwijfel, net als de sociologe Marguerite van den Berg, hoe heilzaam het is dat we ‘bevrijding zijn gaan zoeken in een machtsrelatie met een baas’. Zo worden vrouwen ‘op dubbele wijze uitgebuit: buitenshuis door het kapitalisme en binnenshuis door het patriarchaat’, zoals de Franse historicus Ivan Jablonka stelt. Zodoende, aangezien emancipatie louter bestaat bij de gratie van ongelijkheid en afhankelijkheid, zou het verfrissend zijn om er afstand van te doen.

Het bestuderen van vijftig jaar emancipatiebeleid toont dat we te maken hebben met ‘een proces’, dat vooral ‘tijd nodig heeft’. Maar in het benoemen van emancipatie als proces gebeurt iets merkwaardigs. Want het gebruik van het begrip tijd en daarmee het tijdigen van sociale processen is geen neutrale aangelegenheid. Ga maar na, waarom hebben we nog nooit een vrouwelijke minister-president gehad, waarom is maar een kwart van de hoogleraren vrouw of wat te doen aan die hardnekkige loonkloof? ‘Dat is een kwestie van tijd’, is een veelgehoorde respons. Maar een feminien beroep op emancipatie stamt uit eind achttiende eeuw, bovendien werd Judith Leyster al in 1633 als een van de eerste Nederlandse vrouwen toegelaten tot een kunstenaarsgilde en was Anna Maria van Schurman al rond 1640 de eerste vrouwelijke student aan een Nederlandse universiteit. Zodoende mogen we na grofweg vierhonderd jaar met enig recht stellen dat wat we hier zien allesbehalve een kwestie van tijd is.

Daarmee heeft ons huidige emancipatiedenken verassende trekjes van hoe de Romeinen het begrip ooit gebruiken: mancipatio, oftewel een samentrekking van ‘in de hand’ (manus) en ‘houden, nemen’ (capere), verwijst in het Romeins recht naar een derivatieve wijze van eigendomsoverdracht. Ook nu richten wij emancipatiebeleid in vanwege de belofte op mancipatio: het transformeren van een oude (ongeëmancipeerde status) naar een nieuwe situatie (geëmancipeerde status). Maar daar waar het mancipatio ritueel voorzien was van een duidelijk juridisch kader en afronding is onze huidige inzet potentieel oneindig. Want het is niet langer een proces met een duidelijk juridische uitkomst, maar een oneindige belofte op een betere sociale uitgangspositie: op meer gelijkheid, gelijkwaardigheid of onafhankelijkheid. Maar het blijft ongewis of, hoe en wanneer die belofte wordt ingelost, want die belofte speelt zich af in de toekomst. En bovendien vervliegt tijd. En met het tijdigen van emancipatie als proces vervliegt ook steeds de emancipatienorm.

Paula Rego, ‘The Company of Women’ uit de Padre Amaro-serie, 1997. Pastel op papier op aluminium, 170 cm x 150 cm © courtesy Paula Rego

Zoals cabaretière Hester Macrander stelt: ‘Grootmoeder had geen kiesrecht, moeder geen pil, dochter geen tijd.’ In dat tijdigen van emancipatie als proces verschuift steeds de horizon van wat er te verwachten valt.

Dat valt te vergelijken met wat de Duitse historicus Reinhart Koselleck een ‘verwachtingshorizon’ noemt: een open oriëntatie op wat gaat komen dat acute handelingsopties met zich meebrengt. Maar een horizon, of, zoals dat veelal in beleidskringen wordt genoemd, ‘een stip aan de horizon’, is geen onschuldige metafoor. Want een horizon verschuift steeds en de gewenste toekomst die daarmee in het vooruitzicht wordt gesteld ook. Koselleck illustreert dit met een anekdote over Chroesjtsjov, die in een toespraak beweerde dat ‘aan de horizon het communisme reeds zichtbaar was’. Een toehoorder vraagt dan: ‘Kameraad Chroesjtsjov, wat is dat, horizon?’ De leider raadt hem aan het in een woordenboek op te zoeken. Daar leest de toehoorder: ‘Horizon: een schijnbare lijn die de hemel van de aarde scheidt en die zich verwijdert als men hem nadert.’

Het toont enerzijds dat zoiets als ‘de toekomst’ altijd verschuift en anderzijds dat de projectie daarop altijd ‘nu’ plaatsvindt. Want toekomst in letterlijke zin, als tijd na nu, bestaat niet, zoals de socioloog Willem Schinkel in 2017 in De Groene Amsterdammer liet zien. En omdat die toekomst niet bestaat, kan ze niet louter beschreven worden maar moet ze geprojecteerd of verbeeld worden. Het is wat Anthony Giddens de ‘kolonisatie van de toekomst’ noemt en dat is geen onschuldige aangelegenheid, want dat gebeurt veelal op basis van ideologische uitgangspunten. Politici projecteren die toekomst veelal in de vorm van dystopieën of utopieën: als we vanwege een stijgende zeespiegel ‘droge voeten’ willen houden, moeten we in het ‘hier en nu’ overschakelen op duurzaam beleid. En als we een coronavrije samenleving willen moeten we in het hier-en-nu de vaccinatiebereidheid verhogen.

Met andere woorden, er is niets neutraals aan het aanroepen van ‘de toekomst’, aangezien deze altijd in het hier-en-nu ideologisch wordt geladen. Zo ook rondom het tijdigen van emancipatie als toekomstige belofte, wat vergelijkbaar is met de eeuwige belofte op integratie voor allochtonen.

Met integratie blijft er, net zoals met emancipatie, een eeuwige voorwaardelijkheid bestaan. Zo kunnen ‘allochtonen’ altijd geproblematiseerd worden omdat ze ‘nog niet volledig geïntegreerd zijn’. In De Groene Amsterdammer verwees rechtsfilosofe Tamar de Waal onlangs naar de Franse socioloog Abdelmalek Sayad, die stelt dat dit doet denken aan de wiskundige functie van de asymptoot: een lijn die tot in het oneindige doorloopt maar nooit het nulpunt bereikt of nooit samenvalt met de x of y-as. Net zoals bij integratie blijft er ook via emancipatie altijd een mogelijkheid, een kier, een voorwaardelijkheid openstaan die op ieder moment geproblematiseerd kan worden. Daarom is het dus ook weinig zinvol om ons periodiek bezig te houden, of dat nu Hilda Verwey-Jonker, Aart-Jan de Geus of Jet Bussemaker betreft, met de terugkerende verzuchting of die emancipatie eindelijk is afgerond of voltooid. Het beantwoorden van die vraag hoort bij een voortdurend opschortende toekomsthorizon waarbij de belofte nooit volledig ingelost zal worden. Zodoende is denken via emancipatie een voorbeeld van asymptotische voorwaardelijkheid.

Het is ten slotte daarmee een eigentijdse sisyfus- of tantaluskwelling, want de belofte, de verlossing of het verwerkelijkingspunt verschuift namelijk continu. Want ga maar na, via emancipatie kan een voltijds zorgende moeder worden aangewreven dat ze haar opleiding verwaarloost terwijl ook vrouwen die een topfunctie vervullen, kostwinner zijn en voltijds werken kan worden aangewreven dat ze geen goede moeder zijn.

Met andere woorden, denken via emancipatie maakt een permanente problematisering mogelijk, omdat het bestaat bij de gratie van ongelijkheid en afhankelijkheid. Zolang emancipatie een belofte is waarbij de toekomsthorizon blijvend kan opschuiven en permanent geproblematiseerd kan worden in de richting van vrouwen dringt de vraag zich zodoende op of dit vraagstuk onder die vlag nog langer een legitiem domein is voor overheidsbeleid. Wellicht zijn we daarmee aangekomen bij het einde der emancipatie as we know it. Dat lijkt me een beloftevol perspectief.

Mark van Ostaijen is als bestuurssocioloog verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en is managing director van het Leiden-Delft-Erasmus Centre Governance of Migration and Diversity. Momenteel werkt hij aan een boek met als werktitel Einde der emancipatie, waar dit essay op is gebaseerd