Boekenweek 2018

Een eigen kamer en wat geld

In Een kamer voor jezelf stelt Virginia Woolf dat iedere vrouw die fictie wil schrijven zich met een eigen pot geld moet kunnen afzonderen. Zag ze de zwarte vrouw daarbij over het hoofd? Een briefwisseling.

Lieve Gloria,

Het liefst werk ik buiten de deur, waarschijnlijk omdat er een veilig ‘binnen’ is waar ik mag en kan verblijven. Ik heb altijd een bed om vandaan te vertrekken en soms blijf ik in dat bed om te schrijven. In bed gebeuren er andere dingen: een pen die slaperig van het papier afdwaalt en Rorschachvlekken maakt in de lakens, de rust om onaffe gedachtes onaf te laten, dromen die je verder vertellen welke kant je op moet denken. Het bed is de plek van het vrije werk, zonder koffie, zonder druk, zonder kleren – een prettig contrast met de knellende openbare ruimte.

Where the magic happens, inderdaad. Maar in bed ben ik niet altijd alleen en van het bed kan ik me nog wel voorstellen dat het ooit in de openbare ruimte staat. Er is maar één plek waar ik me werkelijk volledig privé waan: op de wc. Van het toilet verwacht ik namelijk dat het altijd een privé-ruimte zal zijn. Daar kan ik volledig verdwijnen. Soms zit ik daar net zo lang te tikken totdat ik mijn deadline heb gehaald – totdat de toiletbril in mijn billen en dijen gedrukt staat. Voor mij heeft het toilet de status van een ‘kamer voor jezelf’.

Dit doet me denken aan een passage in jouw boek The Politics of Passion, waarbij je een Winti-Pré bezoekt en een vrouw jou meevraagt naar het toilet. Jij denkt dat ze gewoon gezelschap zoekt in het donker en je weet dan nog niet dat ‘samen naar de wc’ een uitnodiging is met een erotisch-romantische lading. Het seksuele kruipt het liefst naar de privé-ruimte. Daar, zo leren we, is intimiteit mogelijk. In de publieke ruimte, die je met velen deelt, zou intimiteit veel minder gemakkelijk bestaan. Vandaar dat een ‘kamer voor jezelf’, behalve als studeer- of werkkamer, ook als de plek voor liefde en seksualiteit wordt gezien. (…)

Virginia Woolf vindt de privé-ruimte niet belangrijk vanwege seksualiteit of liefde, maar vanwege de mogelijkheid om te werken. In Een kamer voor jezelf stelt ze, zoals bekend, dat iedere vrouw die fictie wil schrijven, een kamer voor zichzelf moet hebben. Dit is een antwoord op twee vragen die ze, aan elkaar gekoppeld, stelt: ‘Waarom zijn vrouwen arm?’ en: ‘Hoe werkt een genie?’

De eerste vraag verwijst naar het feit dat de verdeling van ruimte en middelen evenredig loopt met maatschappelijke invloed. Ik denk aan het werk van de New Yorkse Alexandra Bell, een kunstenaar die als journalist is opgeleid en met haar publieke, visuele werk blootlegt hoe de witheid van witte mensen onbenoemd blijft in mediaberichten, terwijl mensen van kleur voortdurend met hun kleur en achtergrond in verband worden gebracht. Bell legt dit niet uit, zoals ik het nu simpel samenvat, maar toont het door de ruimteverdeling in de krant visueel te maken. Met dikke strepen zwarte stift ‘corrigeert’ ze metersgroot uitgeprinte artikelen in The New York Times, om aan te tonen waar de aandacht naartoe gaat, hoe de stereotypering van mensen van kleur keer op keer bestendigd wordt, terwijl bijvoorbeeld een witte man uit Texas een soort ‘neutrale’, gewone dader wordt, met alleen persoonlijke, psychologische motieven en geen maatschappelijke, politieke.

Bell vecht niet voor een ‘kamer voor jezelf’, maar bekritiseert de wijze waarop de ruimte in de krant wordt verdeeld. Ze doorkruist de bestaande ruimte en stelt de toegewezen kamers ter discussie. (…)

Woolf stelt een vraag over armoede, ruimte en talent door zich een zus van Shakespeare voor te stellen. Ze vraagt zich af wat Judith Shakespeare, met hetzelfde talent als haar broer, had kunnen scheppen. Onderwijs of zelfstandig wonen in de stad zouden voor haar niet toegankelijk zijn. Met zulke beperkingen zou haar talent niets betekenen, niets verwezenlijken, stelt Woolf. Een vrouw kon hoogstens een paar brieven schrijven aan het ziekbed van haar vader. Meer niet.

Maar hiermee zet Woolf één vorm voorop als dé beste vorm – die van de lijvige roman – en doet ze alsof een kunstwerk maar op één manier tot stand kan komen, alsof wat we doorgaans als een minder ideale situatie om te scheppen beschouwen, niet juist een nieuw soort ‘ideaal’ kan worden. Zo schrijven auteurs als Maggie Nelson en Valeria Luiselli met een kind op schoot. Dat resulteert in gefragmenteerder werk, associatiever misschien, maar wie zegt dat dit minder is? Nelson en Luiselli bevechten hun situatie niet en tonen zo dat een andere situatie andere idealen en ander werk oplevert. In plaats van talent op één manier te willen stimuleren, moeten we ons vermogen om talent te (h)erkennen diversifiëren.

Onlangs at ik mee met een Thanksgiving-diner van een voor mij onbekende familie. Er was een vrouw, ooit uit Polen naar New York gekomen, die al jaren tegen haar zin buiten de stad woont. Ze concludeerde dat ze al meer dan vijftien jaar als ‘zorgverlener’ werkt. Ze heeft een zoon van die leeftijd en de vader vertrok. De afgelopen tien jaar zorgde ze eerst voor haar zieke vader en daarna voor haar moeder, die inmiddels overleden is. Deze vrouw bekende zes talen te spreken ‘en eentje half’. Haar grootvader sprak er zestien, ‘maar hij deed er wat mee: hij oefende constant’. Zijzelf had er nu niets aan. Zorgen, werken, zorgen – dat doet ze allemaal in het Engels.

Op haar zoon moet goed worden gelet: hij vergeet de voordeur op slot te doen, hij laat het gas aan staan. ‘Teenage boys’, verzuchtte ze. Ze verhuisde voor hem naar het platteland. Voor haar ouders móest ze wel zorgen: ‘Ik ben enig kind.’ Toen ik haar woorden van even daarvoor herhaalde – namelijk dat de vader van haar zoon haar abrupt had verlaten en nooit meer iets van zich liet horen (de vader van haar zoon was eens zo’n boy wiens gedrag als teenage werd vergoelijkt) – keek ze me aan alsof de realiteit die hij verkoos voor haar nooit mogelijk zou zijn geweest.

Misschien niet moreel, maar materieel was een vlucht van haar even mogelijk als die van de vader. Iets (niet) kunnen is, hoewel materieel bepaald, ook altijd een idee. Daarom gaat privilege ook niet alleen over de reële mogelijkheden die een witte man bijvoorbeeld geniet. Het gaat vooral om het gevoel ‘recht’ te hebben op; wat je je permitteert, wat je van jou acht, ook als je het niet hebt. Hebben we allen recht op een eigen kamer? Volgens Woolf bovenal de vrouwen die fictie willen schrijven.

Dat brengt me op een van de beperkingen die een eigen kamer met zich meebrengt: wat eigen is, raakt gauw verstopt met een gevoel van veiligheid. Dat is, denk ik, niet gauw het geval bij expliciete safe spaces, waarbij mensen die tot minderheidsgroepen behoren ‘veilige ruimtes’ creëren om zich te sterken en de dagelijkse confrontatie met de samenleving aan te gaan.

Op mensen die zich overal veilig wanen, omdat de wereld voor hen is ­ingericht, heeft een eigen kamer een ­minder vruchtbaar effect

Zoals bekend stuurde Audre Lorde de witte studenten uiteindelijk het lokaal uit, zodat de vrouwen van kleur met elkaar konden zijn – een unieke gebeurtenis. Maar op mensen die zich bijna overal veilig wanen, omdat de wereld voor en door hen is ingericht, heeft een eigen kamer een minder vruchtbaar effect. De kamer wordt een plek waar de eigen wereld wordt bestendigd. Omdat die wereld binnenskamers nogal overeenkomt met de buitenwereld, vloeit deze ‘eigen kamer’ al gauw over in de buitenwereld, waardoor het gat tussen de ‘eigen kamer’ en de buitenwereld opnieuw kleiner wordt. Zo lijkt het ook bij Virginia Woolf en haar vrienden te zijn gegaan, toen ze zich donker schminkten, nepbaarden opplakten en tulbanden opzetten. Ze spraken een taal die als Swahili moest klinken en poseerden voor een foto; Virginia ging verkleed als man. Het naspelen van de ‘wilde’ werd erg grappig gevonden door het gezelschap – een grap die binnenskamers populair was, maar in de buitenwereld ook goed werd ontvangen. Ze vulden de kamer immers met ideeën die ook in de buitenwereld floreerden. Zo is de eigen kamer vooral een prettige plek om bestaande normen uit te vergroten.

In haar biomythografie Zami schrijft Audre Lorde hoe het bij haar thuis, als kind, als meisje, beledigend werd gevonden wanneer ze haar deur dichtdeed. Ze had behoefte aan privacy en wilde ongestoord kunnen lezen, maar zulk studieus gedrag was een belediging jegens de gezamenlijkheid van het gezin. Vertoon van intellectuele interesse is verdacht, en zeker van een meisje, misschien wel vooral vanwege die ‘terugtrekkende’ beweging die bij denken past. De blik van degene die zich aan het geheel onttrekt om de dominante posities en ideeën die de samenleving vormen te beschouwen en te bevragen, heeft een vreeswekkend effect. Wellicht vergelijkbaar met de vrees die witte mensen volgens James Baldwin dienen te voelen: ‘You give me this advantage: that whereas you have never had to look at me, because you’ve sealed me away along with sin and hell and death and all the other things you didn’t want to look at, including love, my life was in your hands, and I had to look at you. I know more about you, therefore, than you know about me. I’ve had to spend my life after all – and all the other Negroes in the country have had to spend their lives – outwitting and watching white people. I had to know what you were doing before you did it.’

De eigen kamer is misschien geen noodzakelijke plek om te kunnen scheppen en creëren, maar hoe mensen erop reageren wanneer je ervoor kiest een eigen kamer op te eisen en te betreden: dat zegt alles.


Dag lieve Simon(e),

Small virginia woolf color

Ik herinner me ons gesprek over Een kamer voor jezelf en ook dat ik er toen niet aan toekwam te zeggen dat er een hele traditie bestaat van zwarte vrouwen die het boek bekritiseerd hebben, vanwege het over het hoofd zien van zwarte schrijfsters. Zo schrijft Alice Walker in In Search of Our Mother’s Gardens: Womanist Prose over de dichteres Phillis Wheatley die niet alleen geen eigen kamer had, maar zelfs een tot slaaf gemaakte was. Hoe moest zij zich tot Woolfs eisen verhouden?

Het was in ieder geval een genoegen het boek na zo veel jaar te herlezen en erachter te komen wat het nú in mij naar boven haalt. Dat is anders dan toen ik het in eerste instantie, in de jaren zeventig las, toen ik zelf in de twintig was en las als een witte vrouw, als een witte feministe, blind voor intersectionaliteit, blind voor alle zaken die met kolonialisme en ras te maken hebben. Ook klasse is geen aspect dat me toen heel erg opgevallen is. Nu ik je terugschrijf, in mijn niet-afgesloten studeerkamer, mijn kamer die in verbinding staat met de huiskamer en met de rest van het huis en de mens(en) daar, zie ik hoe relevant het punt is dat je maakt over het huis waarin jij opgroeide.

Virginia Woolf schrijft dat wat een vrouw nodig heeft om te schrijven een inkomen is van vijfhonderd pond per jaar en een eigen kamer met een slot op de deur, waar zij alleen is en kan nadenken. Niet afgeleid door mensen die plotseling binnenkomen en voor wie je, zoals Jane Austen, de roman die je aan het schrijven bent verborgen moet houden. Ik heb dat nooit als model gehad en ik ben blij dat ik dat ook niet nodig heb, sterker nog, ik wil niet afgesloten van anderen zijn als ik schrijf. Ik vraag af en toe om feedback van mijn geliefde: Hoe begrijp jij dit woord? Hoe zat het ook al weer toen we, tijdens mijn veldwerkperiode, de Marowijne-rivier overstaken naar Frans-Guyana? Waar hebben we toen overnacht? En zij wil dat ik naar een bepaalde kleur kom kijken die ze gemengd heeft op haar palet en of die wel past in het stilleven dat ze aan het maken is. Ik wil op dat moment niet opstaan om te gaan kijken, maar na verloop van tijd doe ik het wel, want haar aanwezigheid maakt dat ik kan schrijven. (…)

In het grote herenhuis waarin ik opgroeide in Nijmegen, hadden we het grootste deel van de tijd familieleden uit Suriname of de Antillen te logeren. Hele families die verlof hadden, woonden voor lange perioden bij ons in, en als kinderen vonden we dat helemaal niet leuk; we wilden niet anders zijn dan andere kinderen. Dat huis moet buitengewoon betekenisvol voor mijn ouders geweest zijn. Het was weliswaar oud en enigszins vervallen, maar het was gigantisch, met vier verdiepingen, met per verdieping wel drie of vier grote kamers. We huurden het, dus veel geld werd er niet besteed aan het in stand houden en verbeteren ervan, en ik stel me voor dat mijn ouders hun geld met vier studerende kinderen wel beter konden gebruiken.

Stiekem was mijn vader er eigenlijk wel trots op dat zijn inkomen te hoog was om beurzen voor zijn kinderen mogelijk te maken. Alle geweldige opleidingen die we volgden, soms was dat er meer dan één tegelijk, maakte hij mogelijk. We waren immers voor beter hoger onderwijs naar Nederland gekomen en dus moedigde hij ons altijd aan, waarbij hij als voorwaarde stelde dat we een opleiding af moesten maken voor we met een volgende begonnen, maar daar was een mouw aan te passen, omdat hij zachtmoedig was en stinkend trots op ons. Enigszins beschroomd beken ik dat ik, als zijn jongste dochter, tot mijn 31ste op zijn kosten heb gestudeerd tot hij me op een dag schoorvoetend vroeg of het geen tijd was dat ik financieel voor mezelf ging zorgen. Ik denk dat mijn plaats in het gezin in combinatie met gender hier een belangrijke rol speelden. Mijn oudere broers en zussen en zelfs mijn jongste broer waren op veel jongere leeftijd financieel zelfstandig, maar hij wist zich kennelijk niet zo goed raad met een dochter die maar door bleef studeren en activist was. Liefkozend noemden mijn ouders mij ‘een echte blauwkous’. Ik wist toen niet wat dat precies betekende, maar gevoegd naar mijn ouders’ verlangen om een geleerde dochter te hebben, legde het mij geen windeieren.

Een kamer voor jezelf

Dit is een sterk ingekorte versie van het voorwoord dat antropologe Gloria Wekker (Witte onschuld) en schrijver en filosoof Simon(e) van Saarloos (De vrouw die) schreven bij Een kamer voor jezelf. Deze klassieke tekst van Virginia Woolf uit 1928 is de eerste uitgave van uitgeverij Chaos. In de discussie die Woolf met vele versies van haarzelf aangaat, staat één stelling centraal: een vrouw die fictie wil schrijven, heeft geld nodig en een kamer met een slot op de deur. Met haar beeldende taal en retorische kracht neemt ze dit idee uitvoerig onder de loep.

Voor migranten die begin jaren vijftig uit Suriname waren gekomen en nu in zo’n groot huis woonden, waarin ze die stoet familieleden uit de West op konden vangen, moest dat huis wel het toppunt van succes symboliseren. Ik heb er nooit een eigen kamer gehad. Ik deelde een kamer met mijn twee oudere zussen. Huiswerk maakte ik in de eetkamer op de begane grond of op mijn bed, nog steeds een van mijn favoriete plekken om te lezen.

Hoewel Woolf ons verzekert dat er seksuele relaties tussen vrouwen mogelijk zijn, komen zwarte vrouwen daar niet voor in aanmerking

Mijn vader moest vaak ’s avonds of in het weekend dossiers over aanvragen in het kader van de Ziekte- of de Werkloosheidswet na kijken, zaken waar zijn medewerkers niet uit waren gekomen en waar hij een eindoordeel over moest vellen. Soms moest hij rechtszaken voorbereiden, wanneer een uitkeringsgerechtigde het niet eens was met de beslissing en in beroep was gegaan. Dan moest hij naar het Hof van Beroep in Arnhem en werd hij gereden door een medewerker in een dienstauto, een lichtblauwe Volkswagen Kever. In vakanties mochten wij, de drie jongste kinderen, met hem mee en werden we op de terugweg getrakteerd op heerlijke frites in het halverwege tussen Arnhem en Nijmegen gelegen dorpje Elst. Hij is mijn voorbeeld van iemand die aan het schrijven is, te midden van drukte, en hij maakte er geen misbaar over en maande ons niet tot stilte. Hij vond het heerlijk om samen met ons te zijn en ons te onderhouden met verhalen over zijn werk of over de ‘toestand in de wereld’. Hij werkte ook aan die eettafel of zelfs in zijn stoel voor de tv, in de huiskamer op de eerste verdieping.

Werken doe je waar het kan en waar je je prettig voelt, heb ik geleerd en dat betekent niet dat je een eigen kamer met een slot erop moet hebben, liefst niet zelfs. Maar soms was het zo druk in huis en had ik zo’n spannend boek in handen dat ik mij in een diepe inloopkast op de derde verdieping verstopte, met een kussen onder mijn hoofd en een zak toffees onder handbereik. Terwijl ik mijn naam hoorde roepen, gaf ik niet thuis, zo lang als ik dat redde. (…)

Terwijl klasse hier en daar opduikt in haar tekst, is gender de belangrijkste variabele voor Woolf. Vrouwen worden aan het eind van het boek ernstig toegesproken op hun tekortkomingen: ‘Ik zou willen zeggen, en luistert u alstublieft, want dit is het slotwoord, dat jonge vrouwen naar mijn mening schandalig onwetend zijn. U hebt nooit een ontdekking van enig belang gedaan. U hebt nooit een keizerrijk aan het wankelen gebracht of bent nooit met een leger ten strijde getrokken. De toneelstukken van Shakespeare zijn niet van uw hand en u hebt nooit een barbaars volk kennis laten maken met de zegeningen van de beschaving. Wat is uw excuus? U kunt wel zeggen, wijzend op de straten, pleinen en bossen op aarde die wemelen van de zwarte, witte en koffiekleurige bewoners, allemaal druk bezig met handel, ondernemen en hofmakerij, dat u iets anders te doen hebt.’

Via de cynische toon van haar verteller leest een van Woolfs ‘Mary’s’ hier jonge vrouwen de les. In haar tirade zegt ze in feite dat nu er hoger onderwijs voor vrouwen mogelijk is, dat nu getrouwde vrouwen eigendom mogen bezitten, de beroepen opengesteld zijn en er kiesrecht is, er geen excuus meer is om inkomensafhankelijk te zijn en nog tien of twaalf kinderen te krijgen. Dat moet afgelopen zijn.

Die vijfhonderd pond per jaar moet in ieders bereik liggen, zodat vrouwen kunnen gaan schrijven. Schandelijk onwetend noemt ze vrouwen. Het is de hoogste tijd dat ‘vrouwen’ zich aan een nieuwe fase van hun lange, arbeidsintensieve en tot nu toe hoogst obscure carrière gaan wijden. Van aandacht voor klasse is geen sprake. Wat nog meer opvalt in de hierboven geciteerde passage is de centraliteit van de mannelijke voorbeelden die zij vrouwen voorhoudt. Het kan als cynisme weggezet worden, maar de taal verraadt veel: Woolfs verteller heeft ons al een paar keer verteld hoe betreurenswaardig het is dat vrouwen in tegenstelling tot mannen zo weinig nalatenschap hebben, en dat ze zelf in de gelukkige omstandigheid is een uitzondering op die regel te vormen omdat haar geld, vijfhonderd pond per jaar, nagelaten is door een tante. Bij iedere shilling die zij uitgeeft om in een lunchroom te gaan eten of om zich te laten vervoeren, dankt zij haar tante Mary Beton op haar blote knieën.

Die tante stierf overigens door een val van haar paard, terwijl ze een rijtochtje maakte om wat frisse lucht op te snuiven in Bombay. Het wordt ons terloops meegedeeld, en er wordt niet verder op ingegaan. Het belang van de erfenis is dat Woolfs verteller niet meer angstig en bitter hoeft te zijn, niet afhankelijk van een man, dat zij haar hele leven lang voedsel, een huis en kleren zal hebben. Haar erfenis, zo geeft ze aan, is belangrijker dan de wet op het kiesrecht voor vrouwen die in hetzelfde jaar werd aangenomen. Bij dat alles valt Bombay in het niet.

Daarmee bevestigt Woolf de centrale stelling van Edward Said in Culture and Imperialism (1993), namelijk dat zonder dat er expliciet aandacht aan besteed wordt, het koloniale rijk alomtegenwoordig is in de Britse literatuur. In feite, zegt Said, worden de geesten in de metropool rijp gemaakt voor het imperialisme in de literatuur. Woolf levert daar het ene voorbeeld na het andere van en doet dat zonder er ooit impliciet of expliciet commentaar op te leveren. Kolonialiteit als een feit, zo is het nu eenmaal, de voorzienigheid, the white man’s and woman’s burden; er valt uiterst weinig, eigenlijk niets, over te zeggen. Het is net als behang, zonder eigenschappen, een achtergrond van nietsheid. Maar de voordelen van zo’n rijk vallen voor de goede verstaander niet onder stoelen of banken te steken. Said laat in zijn analyses van vroege Britse literatuur zien hoe het heerlijke leven op de Britse landgoederen eruitzag, met copieuze drank- en eetgelagen, met de toneelstukken en de verkleedpartijen die ter verpozing en vermaak, tussen de schuifdeuren, opgevoerd werden.

Jouw voorbeeld van Woolf en haar vrienden en vriendinnen die met beschilderde gezichten de ‘wilden’ naspelen past in dit ‘onschuldige’ vermaak. Dan waren er nog de regelmatige perioden van plotselinge afwezigheid van de heer des huizes die af moest reizen om zijn bezittingen veilig te stellen tegen de opstandigheid van de tot slaaf gemaakten, of ter vervanging van een wrede directeur/bewindvoerder die tijdens een opstand het leven gelaten had; dit leven werd mogelijk gemaakt door het bezit en de rijkdom van overzeese plantages waar men in de metropool liever niet te veel van af wilde weten. In dit stramien laat Een kamer voor jezelf en ander werk van Woolf zich ook lezen.

Wanneer Woolf verwijtend tegen vrouwen zegt: ‘U hebt nooit een keizerrijk aan het wankelen gebracht of bent nooit met een leger ten strijde getrokken’ en: ‘U hebt nog nooit een barbaars ras kennis laten maken met de zegeningen van de beschaving (…)’, lijkt ze vrouwen ook te willen voegen in het koloniale regime, net als ze bij klasse doet. Ik kan haar niet anders lezen dan dat het ten onrechte is dat vrouwen zich niet intensiever met het koloniale project bemoeid hebben, want op zijn minst zou dat een beter jaarinkomen opgeleverd hebben. Getuige Mary Beton.

Op het kruispunt van gender, kolonialiteit en ras krijgen mannen zo af en toe een flinke sneer die waarschijnlijk onbedoeld een speciale blik op Woolfs universum mogelijk maakt. Haar opvattingen over mannen en vrouwen zijn overigens voortdurend vrij essentialistisch: mannen zijn a en vrouwen zijn b. Zo is ze van mening dat mannen de onbedwingbare neiging hebben om hun naam overal op te schrijven of het om een grafsteen of een wegwijzer gaat. Datzelfde instinct is werkzaam als ze een mooie vrouw of een hond zien passeren: die hond is van mij! Maar het zou ook een stuk land of een man met krullend zwart haar kunnen zijn. Deze laatste passage schudt me al wakker. Net zoals de passage, even later, waarin ze tantaliserend kort een lesbische verhouding ten tonele voert: “Chloe hield van Olivia…” (… ) Schrik niet. Bloos niet. Laten we in de beslotenheid van onze gelederen erkennen dat dit soort dingen soms gebeuren. Soms houden vrouwen van vrouwen’. En dan schrijft ze een zin die me laat schrikken. ‘Een van de grote voordelen van vrouw-zijn is dat je ook een heel mooie, zwarte vrouw kunt passeren zonder een Engelse van haar te willen maken’.

Wat zegt ze hier? Voor een gedegen analyse van wat ze precies bedoelt, zou een aparte studie nodig zijn. Ik kan er hier slechts naar gissen, maar in eerste instantie denk ik dat ze een contrast construeert tussen witte mannen en vrouwen: kijk, mannen willen alles en iedereen wat ze voorbij zien komen, bezitten, maar vrouwen zijn niet zo.

De positie van vrouwen is duidelijk moreel en intellectueel superieur in Woolfs ogen. Met andere woorden, ze zou hier kunnen zeggen dat het voor een Engelse vrouw, in tegenstelling tot een Engelse man, mogelijk is een mooie zwarte vrouw gewoon te kunnen laten zijn wie ze is qua nationaliteit. Ze hoeft geen Engelse te worden. Dat zou een welwillende, maar tamelijk naïeve, lezing zijn, die voorbij zou gaan aan de werking van ras in Woolfs tijd. Want hoewel het Woolf om nationaliteit lijkt te gaan, gaat het in feite om ras en wel in die zin dat Engelsen wit zijn. In de zin ligt immers ook de onmogelijkheid en/of de onwenselijkheid besloten dat, vanuit het perspectief van een witte vrouw, zelfs een erg mooie zwarte vrouw tegelijkertijd ook Engels kán zijn. Dit zou een illustratie kunnen zijn van een vaker geopperde theorie dat witte vrouwen racistischer waren dan mannen tijdens de koloniale periode. Een interpretatie daarvan is dat witte mannen zich wél seksueel inlaten met zwarte vrouwen en dat witte vrouwen zich daardoor bedreigd voelen. Dus hoewel ze ons verzekert dat er seksuele relaties tussen vrouwen mogelijk zijn, komen zwarte vrouwen daar kennelijk niet voor in aanmerking en moet de superioriteit van witte vrouwen over zwarte vrouwen gehandhaafd blijven. Het gaat hier dus om gender, ras en seksualiteit in een koloniale context. (…)

Tot zo ver ben ik gekomen in mijn herlezing van Een kamer voor jezelf, lieve Simon(e). Laten we blij zijn dat we een inkomen van minstens vijfhonderd pond per jaar weten veilig te stellen. En laten we ervoor zorgen dat onze analyses omvattender en complexer zijn dan die van Virginia Woolf konden zijn.