De Britse aristocratie en haar landgoederen

Een eigen kasteel

Vroeger resideerde het adellijke geslacht van de Carnarvons in Highclere Castle. Nu moeten ze hun landgoed openstellen voor het publiek. En verbazen ze zich: ‘English people could ever behave badly’.

“How scenic! How scenic!” Benjamin Disraeli zei geen woord te veel toen hij in 1866 bij Highclere Castle arriveerde, het onderkomen van zijn collega-minister, de Vierde Graaf van Carnarvon. Wie anderhalve eeuw later over de door ceders geflankeerde oprijlaan rijdt krijgt de indruk dat de tijd heeft stilgestaan. Het Victoriaanse kasteel ligt in de glooiende heuvels op de grens van Berkshire en Hampshire, omgeven door tuinen van Lancelot ‘Capability’ Brown. Maar in het kasteel heeft de huidige bewoner kopzorgen. “Het valt nog niet mee om dit wonderbaarlijke familiehuis, met al haar kunstcollecties, voor de familie en de toekomstige generaties te behouden,” zegt de Achtste Graaf van Carnarvon, gezeten op een lage sofa in zijn werkkamer, waarvan de muren zijn behangen met familieportretten. Het behoud van deze family seat behelst echter een dagelijks gevecht tegen het verval, onnavolgbare bureaucraten en een vijandelijk overnamebod door de buurman, Andrew Lloyd-Webber.

Een paar maanden geleden kwamen tien Engelse hertogen bijeen voor een diner in Wilton’s. Het etentje was georganiseerd door Tatler, dat hen bestempelde als de “diligent yet unpaid guardians of our national heritage”. In het biografische overzicht stond bij één van hen, de Veertiende Hertog van St Albans, de melancholieke mededeling ‘the family has no longer a landed estate’. Dat hij zich de Hereditary Grand Falconer of England mag noemen, is een schrale troost. Een beetje aristocratische familie heeft een landgoed waarmee ze in één adem wordt genoemd. Zo horen de Beauchamps bij Madresfield Court, de Marlboroughs bij Blenheim Palace, de Norfolks bij Arundel Castle, de Cecils bij Hatfield House en de Bentincks bij Welbeck Abbey. Op hun beurt zit het DNA van de Carnarvons in de muren van Highclere Castle, dat tien kilometer ten zuiden van het paardenracestadje Newbury ligt. Boven de deur hangt het familiewapen, op het dak geeft de rood-blauwe familievlag de windrichting aan en op de muren staat het familiemotto, ‘Ung je servirai’ (‘Een zal ik dienen’).

De Carnarvons hebben hun titel te danken aan koning George III, die Henry Herbert in 1679 in de adelstand verhief. Van zijn oom erfde deze Eerste Graaf van Carnarvon Highclere House, een groot, maar niet heel opvallend landhuis uit de tijd van Elizabeth I, de Virgin Queen. Het was gebouwd op de restanten van het paleis van de indertijd almachtige bisschoppen van Winchester. Pas in 1839 kreeg het haar hedendaagse grandeur toen de architect Charles Barry, de ontwerper van de parlementsgebouwen, van de Derde Graaf de opdracht kreeg om van Highclere House een neogotisch paleis te maken. Hij was geïnspireerd geraakt tijdens zijn reis door Toscane, de koninginnerit van zijn Europese Grand Tour. Het was één van de weinige gevallen binnen de geschiedenis van de bouwkunde waar de opdrachtgever voortdurend klaagde dat de architect niet genoeg geld besteedde. Tegen de tijd dat de verbouwing gereed was, leefden beide heren niet meer.

Onder de Vierde Graaf, die minister van Koloniale Zaken was onder de premiers Lord Derby en Disraeli, werd Highclere Castle een uitvalsbasis voor politici en intellectuelen. Als een typische Victoriaan hield de graaf van reizen, wat goed aansloot bij zijn betrekking. Een hang naar avontuur typeerde ook de Vijfde Graaf, een van de eerste automobilisten en een toegewijd fotograaf van vrouwelijk schoon (helaas had hij zijn butler de opdracht gegeven de naaktfoto’s na zijn overlijden te verbranden). Deze classicus verwierf eind 1922 wereldfaam door samen met Howard Carter het graf van de farao Toetanchamon te ontdekken. De Zesde Graaf was meer een levensgenieter en verhalenverteller, zoals blijkt uit zijn twee autobiografische boeken No Regrets en Ermine Tales. Daarin vertelt hij op gezellige wijze over zijn avonturen als cavalerist op de Mesopotamische veldslagen tijdens de Eerste Wereldoorlog, en over zijn vriendschappen met onder anderen Winston Churchill en Noël Coward. In de jaren zeventig was hij een graag geziene gast in praatprogramma’s. Voor schrijvers van necrologieën was deze “most uncompromisingly direct ladies’ man” een geschenk uit de hemel. De Zevende Graaf hield zich voornamelijk bezig met plaatselijke politiek en de paarden van Hare Majesteit, wier racemanager hij was. Hij was de laatste Carnarvon die het Hogerhuis zat, totdat de Labour Partij besloot dat mislukte ministers en partijdonateurs betere regeerders zijn dan aristocraten.

Vergeleken met zijn voorvaderen leidt de huidige landheer, de 54-jarige George Reginald Oliver Molyneux Herbert, een bescheiden leven. De dagen van deze jongensachtige edelman, gekleed in paarse ribfluwelen broek en donkergroene trui, staan in het teken van achterstallig onderhoud. Er is in het kasteel genoeg werk te doen om een seizoen Restoration, Restoration mee te vullen en de reparatiekosten dreigen in de buurt van twaalf miljoen pond uit te komen. Dat zijn vader en grootvader daar weinig aan hebben gedaan, neemt hij ze niet kwalijk. “Met name mijn opa leefde in andere tijden met andere zorgen, zoals oorlogen en vooral enorme belastingaanslagen. Hij plukte de dag, zonder te veel te denken over de toekomst.” Zijn opa was bovendien de laatste Carnarvon die voltijds in het kasteel zelf woonde, wat het vooruitzicht van een grootscheepse renovatie er niet aanlokkelijker op maakte. Zelf woont de Achtste Graaf met zijn tweede vrouw op een belendende boerderij waar in vroeger tijden de bedienden verbleven. Hun drie kinderen zitten op diverse kostscholen. “Het kasteel is wat aan de grote kant, maar we maken er wel dagelijks gebruik van. In deze kamer werken we veel,” zegt de graaf, “en als we veel gasten over de vloer hebben, dan nemen we er onze intrek.”

Terugkijkend op de treurige lotgevallen van de Engelse aristocratie in de twintigste eeuw kunnen de Carnarvons van geluk spreken dat ze Highclere nog bezitten. Door de massale sterfte van erfgenamen in de Eerste Wereldoorlog, de economische crisis tijdens het interbellum en de successierechten van negentig procent zijn veel families hun familiehuizen kwijtgeraakt. Soms werden ze opgekocht door de nieuwe rijken, zoals Leeds Castle dat in de jaren twintig eigendom werd door de Amerikaanse Olive Cecilia Paget, en Eltham Palace, dat in handen viel van de kunstminnende Courtauld-familie, rijk geworden met de verkoop van kunstzijde. Halverwege de jaren dertig begon er een uniek reddingsproject waarbij de National Trust landgoederen overnam van families die hun woningen door de death duties dreigden kwijt te raken. Namens de stichting bezocht de architectuurhistoricus, schrijver en estheet James Lees-Milne met trein en fiets zo’n 250 landeigenaren. De standaardovereenkomst bij deze verkapte nationalisering was dat de stichting, financieel gesteund door de reisondernemer en filantroop Ernest Cook, het landgoed zou overnemen, maar dat de burggraven, markiezen en hertogen er mochten blijven wonen zolang ze maar open huis hielden. De National Trust had liever ‘levende huizen’ dan musea.

Met zijn goede manieren, kennis van architectuur en belangstelling voor het nationale erfgoed was Lees-Milne de juiste man voor deze opdracht. Dat de bezoeken doorgaans het initiatief waren van de landeigenaren wilde niet zeggen dat ze blij waren met deze overheidsbemoeienis. Lord Sackville, bewoner van het extravagante landgoed Knole in Kent, zag zichzelf, zo noteerde Lees-Milne in People and Places, “as the inheritor of a glorious palace the burden of which he had been forced by a disobliging new world to shift on to the shoulders of an alien organization while retaining, as far as possible, the status granted him by the old world”. Minder moeite hadden de socialistische Trevelyans met de overdacht van hun Wallington, waar ze de toegangspoorten hadden uitgerust met hamer en sikkel. Op sommige plekken was Lees-Milne getuige van relatieve armoede. Zo vroeg Lady Massingbird van Gunby Hall regelmatig om wat extra huishoudelijke hulp, eraan toevoegend dat “perhaps the Labour Government would be angry with me in wanting four servants for two people”. In enkele huizen beschouwde men het toelaten van bezoekers als een noodzakelijk kwaad. Op Knole heerste, zo noteerde Lees-Milne, een gevoel dat men het publiek een grote gunst verleende door ‘my Lord’s house’ open te stellen. In Gunby Hall reageerde men verheugd toen er op de eerste openingsdag, een ijskoude 1 mei, maar twee mensen langskwamen. In de zomer nam het aantal toe, en de gastheer verbaasde zich over het feit dat “English people could ever behave badly”.

De vernedering van het aankloppen bij de National Trust is voor de Carnarvons nooit aan de orde geweest. Een cruciaal moment in de overlevering was de voortijdige dood van de Vijfde Graaf, die enkele maanden na de ontdekking van het ‘King Tut’s’ tombe bezweek aan een muggenbeet, waarbij de Vloek van de Farao veranderde in de Curse of the Carnarvons. Hij stierf in Cairo, waar precies op dat moment om onverklaarbare redenen de stroom een paar minuten lang uitviel. Korte tijd later werd zijn kanariepiet opgegeten door een cobra, een reptiel dat in het oude Egypte de bewaker van de koning was. Zijn dood viel tevens aan het einde van het Engelse belastingjaar, wat de toenmalige minister van Financiën Winston Churchill in een gesprek met de zoon des huizes verleidde tot de opmerking: “How very civil of him.” Om de successierechten te voldoen verkochten de Carnarvons land, parels en schilderijen. Maar er was nog een bron van inkomsten, zo vertelt de graaf. “Mijn overgrootmoeder was officieel een telg van de Wombwells, maar haar echte vader was de reeds overleden Alfred de Rothschild en de bijdrage van diens familie droeg bij tot het behoud van Highclere Castle.” Tegen juridische en vriendschappelijke adviezen in nam de Zesde Graaf, die na de dood van zijn vader snel was teruggekeerd uit India, zijn intrek in het kasteel. “Highclere was my heritage and although I knew it would be an onerous task, I was going to do my best to live here,” schrijft hij in het nawoord van Ermine Tales. Hoewel hij zuinig aan moest doen – al had hij nog wel een speciale keukenmeid voor het bakken van cake – was hij nog steeds in staat bezoekers, onder wie twee premiers, stijlvol te vermaken.

Echter, eind jaren tachtig opende hij zijn deuren voor gewone bezoekers, die vooral afkwamen op wat er resteerde van de Egyptische collectie en de eclectische inrichting waarover Simon Jenkins in England’s Thousand Best Houses schreef dat Highclere Castle hiermee aangeeft zichelf niet al te serieus te nemen. Zeer Engels. Pronkstuk is het portret van Charles I door Anthony van Dyck, maar het mooiste verhaal schuilt achter Van Dycks portret van Anne Clifford, de zeventiende-eeuwse Gravin van Dorset. Nadat was gebleken dat haar echtgenoot onvruchtbaar was, ging ze er vandoor met graaf Lonsdale. Na ruim twee jaar als diens maîtresse te hebben geleefd keerde ze met kind en al terug. Lonsdale stuurde zijn amice een begeleidende brief, die begon met de zin: “My Lord, today by stage-coach I return to your Lordship her Ladyship with her bastard son who is a bonny boy.” Dorset was blij met de erfgenaam.

Momenteel ontvangt Highclere Castle zeventienduizend bezoekers per jaar. De belangstelling van het publiek past bij een bredere interesse in aristocratische familiegeschiedenissen, hetgeen zich uit in de goede verkoop van recent verschenen boeken als Inheritance van Robert Sackville-West en Hancox: a House and a Family van Charlotte Moore. Anders dan enkele andere aristocraten, die reeds een hartverzakking krijgen bij het bestuderen van alle bijbehorende regelneverij, is Carnarvon positief over de toeristische interesse, ook al dwingt het hem ertoe een deel van zijn privacy op te geven. “Eén van de redenen dat we niet permanent in het kasteel wonen, is dat we bezoekers niet voor de voeten willen lopen. En onze honden Winston en Clemmie willen ook graag onbezorgd rondrennen.” Hij toont de Egyptische collectie, die zestig jaar lang onaangeraakt in de kelder heeft gelegen, bovendien graag aan de buitenwereld zonder over te gaan tot disneyficering, het lot dat enkele National Trust-huizen is overkomen. Voor de televisie presenteerde hij er zelfs een korte serie over, terwijl zijn vrouw Fiona twee boeken over de expedities van het duo Carnarvon & Carter heeft geschreven.

Naast familietrots speelt bij de opening voor het publiek ook een financieel motief. “Belastingtechnisch is het gunstig omdat ze worden vrijgesteld van successierechten zolang we open huis houden en het brengt geld op voor alle reparaties.” De graaf kijkt wat dat laatste betreft uit naar komende seizoen, want in de afgelopen maanden heeft Highclere Castle, dat ooit al eens het decor was voor de serie Jeeves & Wooster en de orgiescènes in Stanley Kubricks film Eyes Wide Shut, nationale bekendheid verworven dankzij het Edwardiaanse kostuumdrama Downton Abbey, waar wekelijks zo’n tien miljoen Britten naar hebben gekeken. Op voorstel van de recentelijk in de adelstand verheven regisseur en familievriend Julian Fellowes had ITV Highclere Castle uitverkoren als filmlocatie. De soap was zo populair – het ontdekken van anachronismen werd zelfs een gezelschapspel in de brievenrubriek van The Daily Telegraph – dat er een tweede reeks komt, waarna het net zo bekend zal zijn als Castle Howard, dat voor altijd zal worden geassocieerd met Brideshead Revisited. Eerder in de recente geschiedenis heeft Highclere overigens een heel ander soort ‘bezoekers’ gehad. “Mijn overgrootmoeder Almina had veel verstand van medische zaken en onder haar toezicht werd Highclere Castle tijdens de Eerste Wereldoorlog een noodziekenhuis. Voor zwaargewonde soldaten moet het een troost zijn geweest om vanuit de hel van de slagvelden hier terecht te komen. En tijdens de Tweede Wereldoorlog logeerden hier Londense kinderen die de Blitz waren ontvlucht,” zegt de graaf.

Het Downton-effect was al zichtbaar op de dag van mijn bezoek, toen de ochtendkrant berichtte dat de Santander-bank haar komende jaarvergadering op Highclere gaat houden. Voor de Carnarvons is dit goed nieuws, want sinds het begin van de economische crisis is het aantal zakelijke evenementen gedaald. Voorlopig hoogtepunt van deze ‘rather unsympathetic purposes’ zoals Lees-Milne de gastvrijheid voor het bedrijfsleven ooit noemde, was de gedoemde huwelijksvoltrekking van de celebrity Jordan. Een sympathieker evenement was het benefietconcert voor de vossenjacht, waarbij Brian Ferry in de lange schaduw van het kasteel Love Is the Drug zong. Naast deze bron van inkomsten is Highclere ook een veredeld boerenbedrijf. Carnarvon verdient geld met de schapenteelt en de verkoop van haver voor paarden. Met dat laatste houdt hij de traditionele link tussen zijn familie en de paardensport in stand. Tot slot hoopt Carnarvon de renovatiekas aan te vullen met de bouw van enkele huisjes op het vierduizend hectare tellende landgoed. De aanvraag daarvoor ligt nu bij de gemeente. Onomstreden is het niet, want het is officieel een Gebied van Buitengewone Schoonheid. Deze plannen waren voor de componist Andrew Lloyd-Webber aanleiding de gemeente te informeren over zijn interesse om Highclere Castle te kopen, met als lokkertje dat hij geen bouwplannen heeft. Het is een strijd tussen oud en nieuw geld, tussen de nummers 1771 en 89 op de Sunday Times-lijst van rijke inwoners van Groot-Brittannië, welke niet had misstaan in Downton Abbey. Graaf van Carnarvon is not amused. “Lloyd-Webber maakt prachtige muziek en zou zich daarop moeten richten in plaats van zich, via de gemeente en de pers, te bemoeien met mijn huis. Het is niet te koop.”

Carnarvon is redelijk optimistisch gestemd over de toekomst. Het dak van het kasteel is gerepareerd, evenals de Victoriaanse broeikas en de tempel van Diana. “Daarin zou zelfs iemand kunnen wonen,” oppert de graaf. Wanneer we langs het Carnarvon Arms-hotel rijden zegt hij het te betreuren dat dit etablissement niet van hem is. “Ze verdienen namelijk goed geld aan ons.” Even later vertelt Carnarvon soms naar veilingen te gaan om de kunstcollectie in het kasteel weer uit te breiden. Hiermee roeit hij tegen de stroom in, want nogal wat landheren kloppen juist aan bij Sotheby’s of Christie’s om delen van hun kunstcollecties te verzilveren. De Graaf van Carnarvon wil een huiselijke sfeer laten terugkeren in het kasteel. Met dat streven in het achterhoofd verheugt hij zich op de kerstdagen wanneer vrienden en familie, waaronder de vijf zussen van zijn vrouw, komen logeren. Dan is Highclere Castle weer even zoals vroeger, een echt familiehuis.