Schotse zanger Fish stapt in oude jas

Een eindeloze kindertijd

De Schotse zanger Fish komt naar Nederland om het oude symfonische popmeesterwerk Misplaced Childhood op te voeren. Over een oud jasje dat altijd zal blijven passen.

In zekere zin is het een zwaktebod van formaat, de nieuwe tournee van de Schotse zanger Fish ter gelegenheid van de twintigste verjaardag van Misplaced Childhood, met vier miljoen verkochte exemplaren het op afstand succesvolste album van zijn voormalige band Marillion. Het is een terugkeer naar gloriedagen, terugvallen op oud succes, een poging op te roepen wat ooit was. Tegelijkertijd is het geen zwaktebod. Misplaced Childhood was – waar het de thematische aanpak betreft en de consequente tekstuele en muzikale uitwerking van een heuse verhaallijn – voor de jaren tachtig wat The Wall van Pink Floyd voor de jaren zeventig was en Tommy van The Who voor de jaren zestig. Het album is de weerslag van de poging af te rekenen met een jeugd en tot slot het volle besef dat daar niet definitief mee vált af te rekenen, noch dat het een noodzaak is: «There is no childhood’s end.» In dat opzicht doet de tournee Fish zelfs recht: de thema’s die hij op Misplaced Childhood aanstipte, het zijn de onderwerpen die hij nog steeds bezingt tijdens een solocarrière die nooit uit de schaduw van zijn oude band en daarmee van dat album is gekropen. Zo bezien is terugkeren naar dat album niet eens een knieval, eerder het handelen naar het besef dat ook met Misplaced Childhood zelf niet valt af te rekenen.

Hij gaat het album integraal uitvoeren. Dat zal enige aanpassingen vergen, met name vocale. Fish’ stem mist inmiddels het bijtende venijn van de twintiger die het album inzong en heeft onder invloed van leeftijd (hij is nu 47), drank en tabak danig aan bereik ingeboet. Tegelijk is zijn geluid daardoor zoveel zwaarder en donkerder geworden dat de dreiging van het album nu wellicht zelfs beter tot zijn recht komt. Bovendien heeft zijn filmcarrière – voorzover hier sprake is van een echte carrière, maar in ieder geval deed hij een aantal film rollen – tot nu toe aangetoond dat zijn dramatische expressie beter uit de verf komt naar mate zijn gezicht getekender wordt. In de film The Jacket was hij dit jaar te zien als een psychiatrische patiënt die een groepsgesprek met lotgenoten uit de hand laat lopen. Hij bewees er opnieuw de zeggingskracht van zelfs maar het optrekken van zijn wenkbrauwen.

Lavender en vooral Kayleigh, de hitsingles van Misplaced Childhood, horen al twintig jaar tot het zelfrepeterende domein van «de top zoveel aller tijden» en Sky Radio. Losgetrokken uit de context van het album zijn het pakkende, met uit duizenden herkenbare introducties gezegende popliedjes, bitter maar vooral zoet, over respectievelijk een verloren liefde en de door kinderzang in het park aangestuurde overpeinzingen over een liefdeslied dat de zanger altijd had willen schrijven, maar nooit deed. Maar in het grote geheel van het album zijn het de nog redelijk onbekommerde inleidingen tot later onheil. Fish’ gedachten dwalen na deze twee nummers af naar een prostitueebezoek, in songteksten een graag gebruikte metafoor voor de zoektocht naar de ware liefde en, uiteraard, de daaropvolgende desillusie van het surrogaat. Haar echte naam geeft ze niet, die hoer in Lyon, maar «two hundred francs for sanctuary and she led me by the hand». En daar, in die «room of dancing shadows», daar fluistert ze in zijn oor: «J’entend ton coeur.» Het is het moment waarop hij zich realiseert wat hij hier beleeft: een bij voorbaat tot mislukken gedoemde vergelijking met wat hij echt mist, met wíe hij echt mist: «Another misplaced rendezvous.» Dus gloort daar in de verte de herinnering aan zijn geboortegrond, Edinburgh. Het nummer waar die herinnering in cumuleert, Heart of Lothian (een verwijzing naar het stenen hart in de beroemde straat Royal Mile in Edinburgh), is het meest opzwepende nummer van Misplaced Childhood en heeft exact de grootse bravoure en bijna extatische losbandigheid die de herinneringen aan wilde mannenavonden hier willen oproepen.

Alleen al hierom gaan de gebruikelijke bezwaren tegen symfonische rock – megalomanie, overschatting van het belang van techniek, structuren ten koste van emoties – niet op voor Misplaced Childhood: nergens loopt de band de thematiek in de weg. Prachtig is bijvoorbeeld de katerige uitleiding van Heart of Lothian waarin Fish zijn ambivalente verhouding met roem bezingt, zoals hij later uitgebreider zou doen op Clutching at Straws, het laatste album van Marillion met Fish als zanger en ironisch genoeg ook Fish’ laatste ervaring met die roem zelf. De artiest gereduceerd tot het aapje dat op verzoek een kunstje laat zien: «And the man from the magazine wants another shot – of you all curled up/ ’Cos you look like an actor in a movie shot/ But you feel like a wino in a parking lot.»

De woorden waarmee het eerste deel van Misplaced Childhood wordt afgesloten – oftewel, in woorden die in de jaren tachtig nog betekenis hadden: waarmee kant A van de plaat wordt afgesloten – zijn exemplarisch voor Fish’ wijze van tekstschrijven: «And the man in the mirror has sad eyes.» Er zijn minder omslachtige manieren om te schrijven dat je je slecht voelt, kunnen tegenstanders van zijn bloemrijke stijl stellen. Dat klopt. Maar ook minder mooie.

Het tweede deel van het album is minder liedjesgericht, grilliger en vooral donkerder. Het werd ook later geschreven, en juist in die periode kreeg Fish van tekenaar Mark Wilkinson het boek Demian (1919) van Herman Hesse. Diens favoriete thema’s – persoonlijke ontwikkeling, de daartoe benodigde confrontatie van de mens met zichzelf – sluipen het album nadrukkelijk binnen. In het tweede deel van Misplaced Childhood slaat de verwarring toe («Was it paradise lost or paradise found?»), stemt succes en al het holle gelul dat dat begeleidt cynisch («a lord of the backstage, a creature of language») en ontmoet Fish in «another Holiday Inn, another temporary home» de zoveelste interviewer die hem vraagt om zijn verhalen. Maar natuurlijk: «So I talked about conscience and I talked about pain/ And he looked out the window and it started to rain/ I thought maybe I’ve already gone crazy.»

De eenzaamheid, de onthechtende uitwerking van het tourleven en de drank en drugs: zelfs met weinig verbeeldingskracht is het niet moeilijk de haveloze man op een hotelkamer voor te stellen, de man die in slaap viel met het nieuws op televisie op de achtergrond, maar niet voor hij een eindeloze aanklacht tegen honger, ellende, oorlog, tegen de werkelijkheid van «heroes in black plastic bodybags», tegen de wereld zélf eigenlijk, op papier zette. Om vervolgens te hunkeren naar zijn kindertijd, naar «the child before they broke his heart», toen alles nog leek te kloppen, of minstens viel te bevatten.

De ochtend daarna, waar Fish «found myself mourning for a childhood that I thought has dis appeared», dringt het besef door: «The only thing misplaced was direction.»

Het is een klassieke verhaallijn, Misplaced Childhood. Om verder te kunnen met zijn leven móet de hoofdpersoon wel terugkeren naar zijn jeugd. Het afsluitende White Feather is daarna niet minder dan een strijdnummer, een lied met een geheven vuist, alsof de buiten wereld moet en zal weten dat het zelfvertrouwen er weer is.

Waar Roger Waters van Pink Floyd op The Wall een personage creëerde (Pink) dat worstelde met zijn roem en zijn in de oorlog vermoorde vader, én zijn dominante moeder, blijft Fish dichter bij zijn eigen ervaringen. Het maakt de waanzin minder waanzinnig (de prostituee in Lyon hoeft niet door te maken waar Pinks groupies in Pink Floyds One of My Turns aan worden blootgesteld), de wanhoop minder wanhopig (Pink nam in Good bye Cruel World alvast afscheid van dit bestaan, Fish’ radeloosheid blijft een appèl: «I can’t take anymore/ Should we say goodbye/ How can we justify?/ They call us civilized») en het drama minder dramatisch. Bovendien is Misplaced Childhood anders dan The Wall of Tommy een album dat nadrukkelijk binnen de marges van de popmuziek blijft. Een conceptueel album, maar geen rockopera, of maar de zweem daarvan. Maar juist aan die relatief kleine aanpak van de grootse vorm en het grootse thema ontleent het album de grandeur die het twintig jaar later nog steeds heeft.

Vanuit de postkamer van zijn bedrijfje in Schotland («Ik ben 47 en sta mijn eigen cd’s in te pakken, is het niet geweldig?») blikt Fish zelf telefonisch vooruit op de concerten. Hij zegt: «De ironie van het album is dat het succes ervan het einde van mijn leven bij de band inleidde, terwijl het zelf voor een deel de tol van het succes als onderwerp had. Ik vond het heel eng om me het album opnieuw eigen te maken. Het was alsof ik in een kast met oude kleren aan het graven was. Opeens vond ik mijn oude favoriete jasje terug, ik twijfelde even, past het dan tóch, en kwam er tot mijn schrik achter dat het nog steeds paste. Zoiets. Dat heeft iets moois, omdat de hoofdpersoon eigenlijk hetzelfde ontdekt. En tegelijk is het zorgwekkend: alsof mijn leven sindsdien niet meer in beweging is geweest.»

Fish speelt tijdens zijn Return to Childhood-tournee op 13 november in 013 (Tilburg), 15 november in Paradiso (Amsterdam) en 16 november in Tivoli (Utrecht). Marillion speelt op 2 december in 013 en 3 december in Vredenburg (Utrecht)