Een eis aan alles

Begrijpelijkheid lijkt mij het fundament van democratie. Zodra het onbegrijpelijk wordt, kun je namelijk geen eerlijke politieke keuze meer maken.

Neem de uitspraak: ‘Het is voordelig voor Nederland als we in de eurozone blijven.’ Dit moet zo uit te leggen zijn dat iedereen het kan begrijpen. En ook als iemand het tegendeel beweert, dan moet hij dat ook zo uitleggen dat we dat kunnen begrijpen.

Dit gebeurt zelden.

Dus als erover gestemd gaat worden, dan zullen de meeste mensen intuïtief stemmen. Ze toetsen het aan hun ‘gut feeling’.

Hoe erg is dat?

Vroeger zou ik dat heel erg hebben gevonden, tegenwoordig niet.

Ik heb lange tijd geloofd in het historisch materialisme. Mijn reflex is om nog steeds zo te denken. Iedereen kan namelijk op jonge leeftijd het historisch materialisme begrijpen; economische omstandigheden bepalen de geschiedenis; de klassen zijn voortdurend met elkaar in gevecht.

Maar tegenwoordig geloof ik het historisch materialisme niet meer. (Ik geloof het, dus ik wéét het niet.)

Onderdeel van dit geloof in historisch materialisme was dat je zelf onderdeel wilde zijn van een bepaalde klasse. Namelijk de onder- of middenklasse. En dat, zo werd je geleerd, bepaalde je manier van schrijven. De arbeider die de hele dag hard had gewerkt, wilde ’s avonds cultuur om zichzelf te verheffen. Dús moest je als schrijver ervoor zorgen dat hij je boeken begreep. Dús helder en duidelijk en niet te ingewikkeld formuleren. Liefst nog met verhalen waarin hij zijn leven weerspiegeld kon zien, zodat hij uit jouw literatuur hoop kon putten doordat hij zich bewust werd van zijn situatie waardoor hij er iets aan kon doen.

Deze gedachte – waarin ik niet meer geloof – heeft mij destijds in vuur en vlam gezet!

Tot ik Karel van het Reve las en goed begreep – maar dit terzijde.

Begrijpelijkheid is nog steeds een eis die ik aan alles stel.

Het grappige is dat ik in die tijd dat ik ‘in vuur en vlam’ raakte ook naar de psychiater moest en die stelde vast dat ik blokkeerde met abstracte begrippen waarvoor ‘empathie’ vereist was om ze te doorgronden.

Hoe dan ook: ook abstracte begrippen kunnen verduidelijkt worden.

Cynisme wordt wel eens beschreven als een ziekte, als een voortwoekerend virus. Ik heb daar dus moeite mee.

Als ik een beschrijving lees over cynisme – ‘een houding die vaak in taal tot uiting komt, maar die ook onuitgesproken kan blijven. Deze houding is er een van wantrouwen tegen iemands goede bedoelingen, of tegen het nut van instituties, of van grote ongevoeligheid voor de gevolgen van de eigen daden’ (Wikipedia) – dan zie ik dat niet als ‘een kwaal’, maar eerder als een intelligente, artistieke houding. Het ‘geneesmiddel’ tegen deze kwaal zou begrijpelijkheid zijn.

Maar de wereld wil niet begrijpelijk zijn. Het lijkt wel of we vaagheid eisen. Een ideologie kent alleen maar fundamenten van vaagheid; cynisme is dan een plicht, meer nog dan ‘hoop’, wat je steeds hoort.

Mijn ouders zeiden om de haverklap dat ‘hoop een plicht’ was.

Dat had met de oorlog te maken.

Wat ze voor mij hoopten is uitgekomen (ik ben niet arm, mijn dochter heeft ook nog kunnen studeren), maar heeft me cynisch gemaakt, omdat ik strijd tegen de onbegrijpelijkheid.