Een en al litteken

ZE GROEIDEN op in bergachtig Bosnië. Twintig dorpshuizen, slordig uitgezaaid langs de bochtige weg. Een winkel, een café, daartegenover de dorpsschool. De ouders van Emil gaven er les. Die van Sasja ook.

In de vakanties logeerden ze bij de grootouders, die van Sasja of - nog liever - die van Emil. Hun huis, hoog in de bergen, was slechts via een steil geitepad bereikbaar. Daar keek je uit over half Bosnië. Als er sneeuw lag, speelden ze autocoureur op opa’s houten slee. ’s Zomers vuurden ze met zelfgemaakte katapults brood naar schapen op de heuvels. Tot woede van oma, die die voederwijze niet kon waarderen. Zo nu en dan werd een dier geslacht. Dan kwamen ooms en buren worsten draaien en leverpastei maken. Gelach, drank, accordeonmuziek tot diep in de nacht. Sasja vond het slachten onverdraaglijk. Hij hield van dieren. Emil hield van vlees. Varkenshammen met name, die op zolder hingen te drogen. Bij vertrek kreeg hij een flink stuk mee. Voor zijn vader die dol was op ham, al was hij moslim. Toen Sasja en Emil naar de middelbare school moesten, verhuisden beide families naar Pale. Op een steenworp afstand van Sarajevo, twee identieke huizen pal naast elkaar. Vanaf het balkon kon je de stad zien liggen in het dal. Torenflats, theaters, trams, cafés, auto’s… Sasja had als kind auto leren rijden. Zijn moeder stond het oogluikend toe: ze vertrouwde de zoon meer dan de vader. Die vergat in het heuvelachtige landschap herhaaldelijk de handrem als hij langs de weg stond te plassen. Sasja haalde op zijn achttiende verjaardag zonder één les het rijbewijs. Hij vond een bijbaantje als croupier in het mondaine skigebied, vlak boven Pale. De helft van zijn salaris legde hij opzij voor de nieuwe auto. De andere helft voor rijlessen van Emil. Op de dag van Emils rijexamen brak de oorlog uit. Emil wachtte tevergeefs op de bus: hij was al zenuwachtig, nu kwam hij ook nog te laat! Hij stak zijn duim omhoog, maar de automobilist riep: ‘De wegen zijn geblokkeerd! Ga naar huis, het is oorlog!’ De wereld veranderde van substantie. Geur. Kleur. Geluid. Huizen. Bomen. De kat. Alles was hetzelfde. En toch was het een andere wereld. Alsof je van het ene op het andere moment in een nieuwe dimensie was gestapt. Voor de oorlog noemden Sasja en Emil zich Joegoslaven. Toen het land uiteen was gevallen, noemden ze zich Bosniërs. In de nieuwe verhoudingen bestaat het woord Joegoslaaf noch Bosniër. Voor Sasja en Emil bestaat niet meer één woord. Als ze Sasja zoeken, mogen ze Emil niet vinden. Als ze Emil roepen, mag Sasja niet komen. Sasja is nu Serviër. Omdat zijn naam Servisch klinkt? Omdat zijn grootouders de orthodoxe kerst vieren? Sasja weet niet waarom. Hij is niet eens gedoopt. Hij weet wel wat het woord betekent. Dat wordt elke dag uitgelegd op de televisie. Serviër: verdedigt zijn volk, zijn land, zijn vaderland, zoals zijn voorvaderen dat ook steeds hebben gedaan wanneer de afgrijselijke vijand alles wat Servisch is, was en altijd Servisch is geweest, wil veroveren, inpikken, vernietigen, uitroeien, nu op een nóg wreder en nog bloeddorstiger wijze dan tóen, en de keer daarvóór en die dáárvoor. Serviërs in Pale grijpen naar geweren, maar Sasja wil het leger niet in. Hij gruwelt van het bloed van een lam, laat staan van een mens. Als de oorlog begint, vertrekt hij halsoverkop naar oma. Een week of twee logeren, dan is de oorlog vast voorbij. Emil kan niet met Sasja mee. Emil is nu moslim. Omdat hij Emil heet? Omdat zijn voorouders nooit Kerst hebben gevierd? Emil weet niet waarom. Zijn moeder is Servisch. Hij zou best willen vechten. Dat Bosnië één blijft. Zoals het wás. Zoals het ís. Bij welk leger moet hij zich dan aansluiten? In Pale, het bolwerk van de Serviërs, kan hij als moslim niet blijven. Het Bosnische leger is onbereikbaar: de weg naar Sarajevo is geblokkeerd. Emil trekt de gordijnen dicht, zet de televisie aan en wacht tot de oorlog voorbij is. Hooguit een week of twee. De oorlog duurt vier jaar. Een snelle groet als Sasja vertrekt, woorden die ze zich geen van beiden nog zullen herinneren, niet eens een omhelzing of een kus, zal de laatste herinnering zijn die Emil en Sasja delen. Een afscheid zonder afscheid. Terwijl Emil wacht, worden moslims in Pale opgepakt. Dat wordt verteld. Emil moet weg! Hij kan alleen naar Servië vluchten, andere wegen zijn afgesloten. Volgens het peperdure valse paspoort is Emil van nu af aan Serviër. Hij heet Marko. De Servische grens is anderhalf uur rijden. In de nieuwe dimensie duurt de reis zeventien uur. Emil en zijn broertje worden bij elk checkpoint uit de bus gehaald, uitgescholden, vervloekt. De buschauffeur, een oud-leerling van zijn ouders, helpt veertien keer de broers uit de brand. In Servië blijkt de familie helemaal niet blij met neefjes uit Bosnië. 'Bosnische Serviërs worden op gruwelijke wijze vermoord’, weet een tante. 'Ze geven in Sarajevo Servische baby’s aan leeuwen in de dierentuin te vreten’, weet een buurvrouw. 'Moslims en Kroaten verkrachten systematisch Servische vrouwen’, weet de televisie. ’s Nachts probeert Emil zijn broertje te sussen. 'In Sarajevo ís geen dierentuin, dat weet je toch!’ Maar na nog een week televisie kijken is het broertje ervan overtuigd dat in Sarajevo intussen een dierentuin is gebóuwd. Na vier mislukte pogingen, waarbij het broertje door de politie wordt afgetuigd, uitgescholden en met de dood bedreigd, kan Emil Servië na tweeënhalf jaar verlaten. SASJA KAN BIJ zijn oma verscheidene televisiezenders ontvangen. Op de Bosnische, Kroatische en Servische televisie wisselen dader en slachtoffer van rol, maar de verhalen zijn hetzelfde. Als op de Kroatische televisie verteld wordt dat Servische soldaten soep van kinderoortjes koken om vervolgens moeders te dwingen deze delicatesse op te eten, knipt Sasja de kabel door. Genoeg leugens voor een mensenleven. Zodra de bel gaat, verstopt Sasja zich in oma’s linnenkast. Bang om gemobiliseerd te worden. In de kast maakt hij zich zorgen over de toekomst. Zal hij ooit een baan krijgen, als later blijkt dat hij niet mee heeft gevochten? Is hij een slappe zak omdat hij niet naast zijn vroegere klasgenoten in de loopgraven plaatsneemt? Zíj slapen toch ook niet uit vrije wil buiten, terwijl het vriest? Vechten? Vluchten? Hoe? Waar naartoe? Hij spreekt geen enkele taal. De dag dat ze kwamen, hoorde Sasja mannenstemmen. Eerst buiten. Dan in de gang. Dan in de kamer. Toen de kastdeur werd opengerukt, was hij bijna blij. Erger dan dit kan het niet zijn, dacht hij. Na vier jaar oorlog werd op alle televisiezenders vrede gesloten in Bosnië. De grens die sindsdien het land in tweeën deelt, loopt dwars over de weg die Sasja en Emil elke dag naar school aflegden. Het café waar ze cola dronken en naar meisjes lonkten, heet nu Dayton, naar de plaats waar de vredesakkoorden zijn getekend. Sasja woont links achter het café, in het 'Servische’ gebied: de Republika Srpska. Emil woont in Nederland. Als hij naar Bosnië zou mogen, zou hij niet verder durven dan de Federatie: het gebied waar moslims en Kroaten wonen. Dat ligt rechts achter het café. Sinds de vrede kan Emil niet naar Sasja. Sasja niet naar Emil. Dayton staat ertussen. Dat vindt Emil niet erg. Hij weet niet of hij Sasja wil zien. Omdat hij het heeft gehoord. Wat Sasja heeft gedaan. Wat hij heeft móeten doen. Maar toch! Op de speelplaats van de lagere school. Hun school. Moslims uit naburige dorpen werden bijeengedreven om één voor één te worden afgemaakt. Een vriend van Sasja, van Emil, smeekte om genade. Sasja weigerde te schieten. Toen drukte iemand van de paratroepen, die de slachting begeleidden, zijn pistool tegen Sasja’s hoofd: 'Jij schiet of ik schiet.’ En Sasja schoot. SASJA LOOPT achter de moeder van Emil het steile geitepad op. Drie jaar na de oorlog is de oma van Emil gestorven. Ze wilde begraven worden boven op de heuvel, naast het huis. Haar favoriete sigaretten en pakjes koffie worden op het graf gelegd, sinaasappels worden gepeld om uit te delen aan de mensen rond het graf. Niemand huilt. Als je meer mensen kent die dood zijn dan die leven, zijn je tranen opgedroogd. Sasja ziet de moeder van Emil voor het eerst na zeven jaar. Hij wil haar iets meegeven, voor Emil. 'Ik zou hem zo graag willen zien, ook al…’ Tranen stromen uit zijn ogen, langs zijn neus, zijn handen: ’…ook al wordt het nooit meer als vroeger.’ De moeder slaat een arm om Sasja heen. In Nederland pakt Emil de perenjenever uit. Een foto. Een gebedje voor chauffeurs, voor in zijn auto: 'Ik heb er nét zo een in mijn auto… Ik rijd nog steeds te hard, maar een ongeluk zit er niet in, ik heb zelfs de oorlog overleefd… God neemt niet iedereen, alleen goeie jongens.’ Emil kijkt naar de foto, draait er aan, voelt er aan: 'Kon Sasja maar zien hoe goed ik auto kan rijden; hij dacht dat ik een chauffeur van niets zou zijn’, zegt hij ten slotte. Na vier jaar Dayton rijdt Sasja voor het eerst Sarajevo binnen. Zelfs de lantaarnpalen boezemen angst in. De vader van Emil doet de deur open. Ze omarmen elkaar. Zwijgen. Uren lijkt het. Dan pakt de vader Sasja’s handen. Hij draait ze om. Een en al litteken. 'Na de oorlog heb ik twee jaar alleen maar gezopen. Ik drukte de glazen in mijn handen stuk, daar is dit van’, zegt Sasja. De vader van Emil vraagt niet. Sasja begint er zelf over. De school… de speelplaats… vrouwen en kinderen huilen. Hij moet ze bewaken. Achter de school: geschreeuw… Schoten. Angstkreten. Sasja herinnert zich in flarden, in flitsen. Herinneringen als bliksemschichten. Die nacht is hij weggelopen. Gedeserteerd. Hij heeft er maanden voor in de gevangenis gezeten. Maar dat kon hem niet schelen. Sindsdien kan niets hem schelen. De vader van Emil schenkt een borrel in. Dan zegt Sasja: 'En nou vertelt een man van wie de broer daar is gedood, dat ík het heb gedaan. Dat ík heb geschoten. Onder dwang of zoiets.’ De vader weet niet wat hij moet zeggen. Hij kent dat verhaal al jaren. Woede en walging, toen hij het hoorde. Dat Sasja zoiets is aangedaan! Soms probeerde hij het zich voor te stellen. Wat zou hij doen? Zelf de kogel nemen? Dan vertroebelde zijn woede zijn fantasie. Maar of het wáár was, dat verhaal, hij heeft het zich nooit afgevraagd! Wie heeft het hem verteld? Waar? Wanneer ook al weer? De vader van Emil kijkt naar Sasja. Achttien jaar lang kind aan huis, zijn leerling, zijn kind bijna. Hij zoekt naar zijn ogen. Sasja kijkt terug. De ogen zijn dezelfde. Ze glimlachen. Dan rijdt hij met Sasja mee tot aan Dayton. Om hem uit te zwaaien. ONDANKS BRIEVEN, telefoontjes en officiële verzoeken staan de Nederlandse autoriteiten niet toe dat Emil naar Bosnië gaat. Een vluchteling die naar huis kan, is geen vluchteling: 'Wat zegt u, uw huis is in Republika Srpska en daar kunt u niet heen? Is dat waar nu de bommen vallen? Nee? O sorry. U wilt dus naar Bosnië? Wat, de Federatie? Ja sorry, dat onderscheid maken we hier niet!’ Sasja heeft nog minder geluk. 'Holland? Maar dan moet er iemand garant staan. Uw vriend? Maar die is vluchteling! Zei u nou dat u Serviër bent…?’ Na vier jaar oorlog en vier jaar vrede kunnen Emil en Sasja elkaar alleen zien als ze de wet breken. Vriendschap breekt wet. Ze krijgen twee uurtjes in een kamer vol mensen. Sasja vertelt een mop, Emil maakt grappen over zijn beginnende kaalheid. 'Jij bent geen steek veranderd! Jij ook niet’, zeggen ze. Woorden. Stiltes. Blikken. Dan, als op een onzichtbaar teken, lopen beiden richting keuken. 'Even praten’, zegt Emil. 'Zo terug’, zegt Sasja. De Bosnische kennissen zetten de televisie wat harder. 'Dan kunnen de jongens vrijuit kletsen’, zegt de een. 'Dat zal niet makkelijk gaan. Oorlog is niet na te vertellen’, zegt een ander. 'Als je het niet zelf hebt meegemaakt, als je in het buitenland hebt gezeten, kun je er totaal niet over oordelen.’ 'Mensen in het buitenland hebben het ook niet makkelijk…’ zegt weer een ander. De eerste valt in de rede: 'Sorry, maar erger dan oorlog kan het niet zijn! Kijk maar naar die twee in de keuken: Sasja is een wrak. Net als wij allemaal hier, zo is het toch!…’ Op de televisie vluchtelingen uit Kosovo. Verwoeste huizen, kapotte bruggen. Het is even stil. Dan vervolgt de man: 'En onze Emil is hooguit een beetje kaal geworden.’ 'Nou ja! Alsof dat niks is! Dat zou jij toch als geen ander moeten weten!’ roept een ander. Iedereen lacht. SASJA EN EMIL komen de keuken uit. Het is al bijna donker, tijd om te gaan. Bij de deur nemen ze afscheid. Deze keer willen ze het zich kunnen herinneren. 'Mag ik je zippo als aandenken?’ vraagt Sasja. 'Shit man, deze heb ik van Margje gekregen, mijn meisje in Nederland’, zegt Emil. 'Mar-g-je’, herhaalt Sasja. Ze staan er verloren bij. De kennissen schieten te hulp: 'Hij stuurt er wel een op! Hij neemt er de volgende keer wel eentje mee!’ 'Volgende keer…’ zegt Sasja. 'Volgende keer…’ zegt Emil. Terwijl ze de kamer verlaten, stelt woordvoerder Shea de kijker gerust: de bombardementen van de Navo zijn ook vandaag succesvol verlopen.