Roel Bentz van den Berg schrijft rusteloos proza © Chris van Houts

God, ja, dat aforisme. ‘Writing about music is like dancing about architecture.’ Dat laatste is natuurlijk evident belachelijk, wil men maar zeggen, maar als je er even over nadenkt geldt dat toch ook voor dat eerste? Het is niet dat woorden altijd te kort zullen schieten, nee, het is dat ze je het hele punt zullen doen missen. Een prima aforisme, als u het mij vraagt. Helder, to the point en natuurlijk complete quatsch. Ik weet niet wie er ooit mee kwam aanzetten, maar je vraagt je toch onwillekeurig af of zo’n figuur dan nooit een boek van Roel Bentz van den Berg heeft gelezen. Want als je een boek van Roel Bentz van den Berg openslaat besef je immers vrij snel dat het niet alleen volstrekt vanzelfsprekend is om over muziek te schrijven, en dat sommige mensen dat zelfs vol overgave moeten doen en er nooit mee moeten ophouden, met dat net wel, net niet vergeefs onder woorden proberen te brengen van wat het allemaal zo magisch maakt, nee, je gaat er van de weeromstuit ook vrij snel van geloven dat dansen over architectuur wellicht ook niet zo’n gek idee is als men je wilde doen geloven.

Bentz van den Berg is de danser onder de essayisten. Iemand die altijd en overal de muziek achter alle dingen hoort doorklinken en die wel gek zou zijn als hij vervolgens stil bleef zitten. Goed, niet dat hij voortdurend de dansvloer op stuift, maar het is een altijd wat rusteloos proza. Alsof je zit te kijken naar iemand die in alles een deuntje ontwaart, een song zou hij zelf zeggen, en die niet anders kan dan meeneuriën, wiens voet zachtjes, ongewild, ongemerkt, onhoorbaar maar toch ook onmiskenbaar onder het bureau meetikt met de beat. Tik, tik, tik. Tap, tap, tap.

Roel Bentz van den Berg hoort altijd en overal muziek

De straatwaarde van de ziel is een bundel waarin langere essays en kortere overpeinzingen elkaar afwisselen. Muziek en literatuur, dansen en denken, de herinnering en de verbeelding, ze zijn als altijd bij Bentz van den Berg alomtegenwoordig. Ik zou ze hier kunnen aflopen, de verschillende essays, in oppervlakkige zin samenvatten (over de herinnering aan een vader die wordt wakker gekust door de woorden ‘time passes’ en een oude geluidsopname van Dylan Thomas’ Under Milk Wood; over de herinnering aan een zus met een hart dat groot was en ‘voortdurend op geven stond’; over iets in het werk van Saul Bellow in het bijzonder en over niets – het niets – in het algemeen; over het bbc-programma Masterchef; over Bob Dylan in de jongenskamer van Neil Young; over wat iemand die ooit veel voor zijn studenten betekende en die wilde weten waar ze het dan over hadden als ze dat zeiden, dat hij veel voor hen betekende – ‘“Maar jij schrijft”, zei hij toen, “legt je er, als ik het wel heb, op toe allerlei ongrijpbaars onder woorden te brengen”’; over dansen, echt dansen) maar daarmee zou ik in een val trappen en de indruk wekken dat we hier van doen hebben met iets dat uiteindelijk een som der delen is, dat het een de toevallige lezer onvermijdelijk meer aanspreekt dan het ander, dat de veelheid van onderwerpen en gedachten belangrijker is dan de samenhang ertussen.

Wat is die samenhang? Het hoofd dat rust op het lijf van Roel Bentz van den Berg? Niet dat hij nu zo bijzonder is, nee, daarvan verdenkt hij zichzelf toch geen moment, geloof ik. Het is meer dat het gewoon allemaal zo bijzonder is. Dat het überhaupt is, bedoel ik. Dat dit de uitdaging is: woorden te vinden voor dat waarvan je vermoedde dat het misschien onbeschrijflijk was. Dat die menselijke ervaring op het papier moet worden gedwongen, los van onze identiteit en onze maatschappelijke positie, in de vaste overtuiging dat in de eigenaardigheden van onze levens universele ervaringen te vinden zijn.

‘De werkelijkheid, die zich rauw aandient in de vorm van zintuiglijke indrukken, emoties, gebeurtenissen, wordt net zo lang in onze ziel gemarineerd, gekookt, gebraden, gekauwd en herkauwd tot alles wat er “natuurlijk” (lees: letterlijk) aan was, is omgezet in het metaforische goud van inzicht, levenservaring en betekenis. Voilà, het alledaagse wonder van de transsubstantiatie’, schrijft Bentz van den Berg ergens. En midden in die lange eerste zin weer dat ene woord dat overal terugkomt: ziel. Dat is waar het allemaal om draait. De ziel. Bentz van den Berg houdt van dat woord, en dan vooral in het Engels, nog rijker aan betekenis: soul. De ziel is in het seculiere denken van Bentz van den Berg iets als ons betekenis genererende binnenste. Dat waarmee we in contact staan met de wereld en haar bezielen.

Onze vader is dan geen gevierd acteur. Onze moeder niet helderziend – niet echt, en niet zoals die van Bentz van den Berg, in de zin dat ze ‘verder, dieper, breder, kortom beter in het heden kon kijken, en daarin ook meer kon zien, dan nou ja, wij dus’. Maar dat is allemaal onbelangrijk. Wij proberen namelijk ook chocola te maken van het hele gebeuren en het te begrijpen met heel ons hart en met heel onze ziel. Bentz van den Berg is een pleitbezorger van de wereld die, voor wie dat wil, zoveel meer is dan haar som der delen.