Een ensemble bordpapier

De aquarel is een tentoonstelling in twee musea, Teylers Museum Haarlem en De Mesdag Collectie, Den Haag. Ik zag de Haarlemse helft, en die is al erg mooi: alle godenzonen van de negentiende-eeuwse waterververs komen er langs, van Nuyen tot Mondriaan.

Teylers heeft een grote eigen collectie, waarvan het ontstaan min of meer parallel loopt met de emancipatie van de aquarel in de negentiende eeuw, geëntameerd door verzamelaars als Teylers zelf en verenigingen als de Hollandsche Teekenmaatschappij.

De aquarel gold eeuwenlang niet als een zelfstandig te waarderen kunst, maar als een tussenvorm, een manier om tekeningen te kleuren. Pas in de loop van de negentiende eeuw werd de aquarel ook echt artistiek en commercieel interessant; vanaf de jaren zeventig werden Nederlandse schilders er internationaal beroemd mee. De Teekenmaatschappij organiseerde in 1896 een verkooptentoonstelling in de Verenigde Staten van werk van haar leden. De reacties waren gunstig: ‘Wat voorheen werd beschouwd als een lichte en bevallige afleiding van de meer serieuze kunst van het schilderen in olieverf, is langzaamaan door kracht, kleur en schittering, een rivaal geworden van de olieverf zelf. Het is Holland waaraan we de eer voor deze revolutie moeten toekennen (…), voortdurend zoekend naar nieuwe uitdrukkingsvormen, liever dan naar meer variëteit van onderwerpen.’

Die nieuwe uitdrukkingsvormen zijn hier overal te zien. Het lijkt mij dat ze het interessantst zijn als ze direct voortkomen uit de kwaliteiten van de techniek zelf, en niet waar ze driftig hun best doen om op olieverf te lijken. Waterverven (zo schrijft John Sillevis in de introductie) ‘vergt veel vakkennis en artistieke vaardigheid. Men moet snel te werk gaan, zeker bij het toepassen van de “nat in nat” tekenwijze (…). Deze techniek biedt nauwelijks mogelijkheid tot correcties.’ Als die wispelturige werking werkelijk wordt omarmd, dan kan Charles Rochussen zijn artilleristen op oefening in grote stofwolken laten opgaan, dan kan Anton Mauve tussen de bomen van een bos een koude oktobermist laten hangen, dan kan Willem Tholen een zacht zomerlicht laten binnenvallen in de biljartkamer van Ewijkshoeve, waar de schilder Piet Meiners net een keutje drukt. Die ‘Hollandse stemmingskunst’ voerde vooral het vaandel van het ‘gekleurd grijs’ van de Haagse School, als in de regenluchten van Weissenbruch, de zee van Maris, de opklaringen boven het Ven bij Gieten van Marie Bilders-Van Bosse.

Sommige van die schilders ergerden zich aan dat grijze vaandel. P.J.C. Gabriël (1828-1903) schreef (in 1901): ‘Ons land is niet grijs, en zelfs niet bij grijs weer, de duinen zijn ook niet grijs. (…) Wanneer men jong is, wordt men naar buiten gezonden om te studeren in een gekleurde natuur en later moet men grijze schilderijen schilderen, een ensemble bordpapier met hier en daar een kleurtje en dat heet poézie.’

De tentoonstelling laat zien dat Gabriël een punt had: voor wie kijkt was de werkelijkheid veel rijker: ‘Een vroege morgen kan oppervlakkig er grijs uitzien, maar ze is het niet. Ze is een transparante – fijn – de kleuren zijn teer, en men kijkt door de admospheer heen, als ook een avond met daauw op het land is veel gekleurder dan men wel zou gelooven, dikwijls zoo sterk dat het palet te kort schiet.’


De aquarel, Teylers Museum Haarlem, De Mesdag Collectie, Den Haag, t/m 7 juni; aquarelexpo.nl