Een ernstig spel

Toen ‘onze’ jongens zonder bokaal van het Europees Kampioenschap terugkeerden, waren ze plotseling niet oranje meer, maar wit en zwart. En over hun hoofden werd een discussie gevoerd waarin harde woorden vielen. Wat valt er te concluderen uit het gekrakeel rond de vermeende discriminatie in voetballand?
WAS DE AFGANG van oranje tijdens het Europees Kampioenschap dit jaar te wijten aan de raciale verhoudingen in het elftal? Worden de zwarte spelers in het topvoetbal achtergesteld en gediscrimineerd? Nog weken na de vroegtijdige terugkeer van het Nederlands elftal hielden deze vragen menig sportverslaggever en lezer van het sportnieuws bezig.

Dat raciale achterstelling in het topvoetbal voorkomt, blijkt uit onderzoeken die werden verricht in opdracht van het toenmalige ministerie van WVC en de KNVB. Toch was dit een twistpunt in de publieke discussie na het echec van Oranje. Hoewel de voor het beantwoorden van de vragen vereiste informatie schaars is, waren de standpunten onverzoenlijk. Voetballers en trainers zwegen er wijselijk over.
De afgang van Oranje is verder niet interessant. Wat verwondering wekt is de kleurlijn in de discussie die op de afgang volgde. En vooral de toon waarop de discussie werd gevoerd. Die overstijgen de kwestie van discriminatie in het topvoetbal. Enkele gebeurtenissen op een rijtje.
ONDER DE JONGE ZWARTE spelers van Ajax heerst grote ontevredenheid. Ze voelen zich achtergesteld in beloning en bij selectie. In interviews en anderszins maken ze dat kenbaar. En niet op de meest diplomatieke manier. Edgar Davids’ uitspraak bijvoorbeeld dat de trainer z'n kop uit de reet van bepaalde spelers moet halen om beter te zien wat er op het veld gebeurt, is sowieso ongepast. Herkenbaar van de Surinaamse straatcultuur. Zoals vaker schoppen voetballers niet alleen tegen een bal, maar ook tegen elkaar en naar hun trainers. Terecht meende de Surinaamse Krant (24 juni) dat Davids in Europa speelt en er rekening mee moet houden dat hier professionele codes zijn. De krant meende dat de zaak te zeer is opgeblazen en dat zowel de trainer als de pers te weinig rekening houden met het temperament van de zwarte spelers. Ook Stephan Sanders relativeerde in de Volkskrant van 22 juni de uitlating als mogelijk een regel uit een rap-lied.
Veruit de meeste aandacht ging naar de foto die genomen werd tijdens een lunch. Alle zwarte voetballers zaten - samen met een (symbolische?) blanke - bijeen aan een tafel. Sanders meende dat de foto geen onschuldige taal spreekt: ‘Zolang het moet, werken blank en zwart samen, maar zodra het mag en het fluitsignaal klinkt, herinnert ieder zich zijn afkomst en zoekt zijn “eigen” mensen op. Het is een milde zelfgekozen vorm van apartheid.’ In de hand gewerkt door achterstelling en discriminatie. Sanders besluit veelzeggend: 'Wat niet bespreekbaar is, moet gefotografeerd worden.’
Een dag eerder had Anil Ramdas zich in de Volkskrant in nog scherpere bewoordingen uitgelaten. 'Zwarte spelers zijn witte spelers zolang ze winnen. Als ze verliezen zijn het plotseling de Surinamers’, schreef hij. 'Wat er nu gaande is, is een neutralisering van die zwarte spelers. Op het moment dat ze meespelen zijn het plotseling “onze” jongens geworden. Ze worden autochtoon gemaakt en hun kleur wordt ontkend. Ze worden verblankt. Is dat nou integreren?’
Bij Brandpunt was dit een item. Geen toeval dat Ramdas en Sanders waren uitgenodigd om commentaar te leveren. Het echec van dat gezellige multiculturele Nederlandse voetbal vormde de rode draad van het gesprek. De foto gaf een afspiegeling van de sociale positie van allochtonen in de samenleving te zien, betoogden de twee. De jonge spelers accepteren niet dat ze tegen een 'glazen plafond’ aan lopen. Ze zien de absolute top, willen die halen, maar stuiten op barrieres. Daar verzetten ze zich tegen. In die zin vertegenwoordigen en vertolken zij de positie van grote delen van de gekleurde gemeenschap.
De reactie van (het mannelijk deel van) de Nederlandse pers was onthutsend. Een greep uit de commentaren, de ingezonden brieven uitgezonderd. In het Algemeen Dagblad van 24 juni maakte Henk Spaan de beide heren afwisselend uit voor 'beroepskleurling’, 'huisallochtoon’ en 'leugenaar’, die altijd opdraven, zelfs als ze geen verstand van zaken hebben. 'Fans van Ajax en het Nederlands elftal zijn volkomen kleurenblind’, beweerde hij. En: 'Hoe graag Ramdas en Sanders het ook zouden willen, bij Ajax en het Nederlands elftal is geen sprake van structureel racisme.’
Ook Jan Mulder gebruikte in Elsevier van 29 juni zo'n vriendelijke benaming - 'gekleurde stukjesschrijvers’ - toen hij van leer trok tegen de twee. Volgens Mulder 'gaat het om niets minder dan het begin van de burgeroorlog (1996) in Nederland. Zwart Nederland pikt het niet langer.’ Hij erkende dat het om een jongere generatie zwarte voetballers ging, die minder verzoenend was. Maar het Malcolm X-achtige standpunt - 'zie me niet over het hoofd, ik eis respect en ik ben niet blank, ik ben zwart’ - verwierp hij. Nee, de jonge zwarte garde is mateloos pretentieus, want Gullit en Rijkaard konden wel tien keer zo goed voetballen. Het zijn de frustraties van een opgeklopt ego.
Zelfs Jan Blokker betrad het spreekgestoelte, in de Volkskrant van 22 juni. Raciale verhoudingen in het elftal? Kletskoek, meende hij. De spelers deden het goed, ze zijn natuurlijk onze spelers en niet die van de Schotten, en bovendien wordt het tijd dat kleur eindelijk wordt ontkend. 'Zwarte spelers zijn witte spelers zolang ze winnen?’ De kletskoek kan niet op. De supporters houden van hun grote Ajax dank zij de veelkleurigheid. Aldus Blokker.
Er waren natuurlijk minder gespierde reacties. In Elsevier van 22 en 29 juni gaf Hugo Camps - overigens in onvriendelijke bewoordingen - een overzicht van de veelheid van factoren die bijdroeg tot het ontstaan van een 'club in een club’. Raciale verhoudingen speelden wel een rol. Ze kwamen echter voort uit snobisme, ambitie en zelfoverschatting van miljonair geworden tieners die onvoldoende bestand zijn tegen aanhoudend succes en de aandacht van miljoenen kijkers.
Ruud Koolen was, in het nummer van Contrast van 27 juni, eveneens genuanceerder: 'Met kleur en afkomst hebben de problemen in het Nederlands elftal wel iets, maar lang niet alles te maken.’ Ook hij benadrukt de veelheid van oorzaken en vooral het feit dat mensen met dezelfde achtergrond makkelijker naar elkaar toe trekken. Wat dat 'iets’ in de raciale verhoudingen was, maakte hij noch Hugo Camps helaas duidelijk.
Een afwijkend standpunt nam Jos van der Lans in, die een sociologische verklaring ten beste gaf in De Groene Amsterdammer van 19 juni. Wat in de voetballerij gebeurt is een voorbode van hetgeen de samenleving te wachten staat, namelijk 'dat steeds meer gekleurde Nederlanders lijdzaamheid zullen vervangen door eigendunk en trots. Waar Gullit en Rijkaard voor iedereen geliefde voorbeelden waren van een geslaagde maar verder onbereikbare integratie, zullen Davids en Seedorf de helden worden van een generatie zelfbewuste gekleurde jongeren.’
VOOR ALLE DUIDELIJKHEID: wanneer Surinaamse spelers roepen dat ze worden achtergesteld, hoeft dat niet per se zo te zijn. Trainers kunnen heel andere overwegingen hebben om een bepaalde beslissing te nemen. En niet elke 'foute’ beslissing van een trainer hoeft raciaal geinspireerd te zijn. Inderdaad, er wordt vaak 'discriminatie’ geroepen zonder dat men dat aannemelijk weet te maken. Dat getuigt van een gevoeligheid, zelfs overgevoeligheid voor discriminatie die kan duiden op een 'cohesieprobleem’. Nu is het in Nederland gewoon dat gevoelens makkelijk terzijde worden geschoven. Je moet een argument hebben, luidt het gebod. Een 'rationeel’ verhaal overtuigt echter niet altijd. Vaak zegt het meer over de geslotenheid van de 'rationalist’. Een glasharde ontkenning van discriminatie is daarom verdacht en staat bovendien elke vorm van dialoog en contact in de weg.
Dit kwam onder meer tot uitdrukking in de haast volmaakte scheiding van geesten. Twee 'zwarte’ opinion makers die de raciale verhoudingen in het topvoetbal aan de orde stellen. En hun blanke collega’s die dat ontkennen of relativeren, op een enkele uitzondering na. Zoals op de foto. Toeval?
Nu is het moeilijk om in deze kwestie niet zwart-wit te denken. Twintig volwassen zwart-witte mannen die achter een zwart-witte voetbal aanhollen aangevuurd door een zwart-wit publiek. Volgens de Surinaamse Krant, de Amsterdamse radio-omroep Damsko en interviews afgenomen door de Hilversumse omroep Zorg en Hoop leeft het gevoel 'dat de jongens worden achtergesteld’ in grote delen van de Surinaamse gemeenschap. Evenzo is uit de vele ingezonden reacties in de landelijke dagbladen op te maken dat de standpunten van de blanke journalisten terug te vinden zijn onder grote delen van de autochtone bevolking. Beide partijen vertolkten wijdverbreide opvattingen uit de 'eigen’ bevolkingsgroep.
De kleurlijn die zich heeft afgetekend betreft deze keer niet de achterstelling van zwakkeren in de samenleving, zoals werkloze allochtonen, maar die van succesvolle, dik betaalde spelers. Het gaat om gelijke bejegening, om hun trots en eigenwaarde, en ook om de gevoelens van hun al dan niet gekleurde aanhang. Het voert te ver om in te gaan op de veelheid van factoren die debet is aan het collectieve gevoel van achterstelling. Van belang is dat dit gevoel wordt bevestigd en versterkt door onderzoekers - met name op de arbeidsmarkt - die regelmatig melden dat discriminatie voorkomt. Degenen die beroepshalve of anderszins met het migrantenvraagstuk bezig zijn, zal dat niet verbazen. Want het is juist de Surinaamse middenklasse die sinds het begin van de jaren tachtig te kennen geeft dat haar verdere ontwikkeling stuit op wat nu het 'glazen plafond’ is gaan heten.
Tegenover dit hardnekkige en wijdverbreide gevoel van discriminatie heeft de ontvangende samenleving 'prestaties’ benadrukt. Schoolresultaten in het onderwijs, opleidingsniveaus op de arbeidsmarkt, zelforganisatie en eigen verantwoordelijkheid in de privesfeer. In het licht van de ervaren en gerapporteerde discriminatie overtuigde de nadruk op deze 'beginselen’ weinig. Ook al scherpte de overheid de wetgeving aan en financierde zij de oprichting van discriminatiemeldpunten, de overtuiging dat achterstelling in de samenleving op grote schaal voorkomt heeft in de allochtone gemeenschappen stevig postgevat. In zekere zin een zwart-witte patstelling: gevoel versus argument.
EEN ANDERE OPVALLEND element is de commotie. Een storm in een glas water? Daarvoor zijn de meeste reacties te beledigend, te emotioneel. Is dat te begrijpen als een uit een onterechte beschuldiging voortkomende verontwaardiging? Stel dat Ramdas en Sanders het helemaal bij het verkeerde eind hebben, wordt daarmee de hartstochtelijke ontkenning of sterke relativering begrijpelijk? Er zijn wel meer mensen die - met of zonder verstand van zaken - een mening verkondigen waarmee anderen het niet eens zijn. De koningin bijvoorbeeld. En Wim Kok. Of Arie van der Zwan. Dat geeft geen aanleiding tot het massaal spelen op de man in plaats van op de bal, en zeker niet op die toon. Ramdas en Sanders schijnen een gevoelig punt te hebben geraakt.
Binnen het autochtone 'kamp’ laten zich twee standpunten onderscheiden. Het ene kamp erkent het bestaan van een 'raciale factor’, doch is geneigd die sterk te relativeren en de oorzaken toe te schrijven aan de spelers zelf. Het andere kamp ontkent het bestaan van raciale achterstelling categorisch.
Nu komen zwarte vriendenclubs vaker voor. Op de werkvloer, in de wijken, op scholen, in sportclubs. Dat kan onschuldig zijn in die zin dat het een eigen keuze van de betrokkenen is. Het is voorts zeer plausibel dat jong-zijn, zelfoverschatting, ambitie, een gemeenschappelijke achtergrond, een ander temperament, culturele fricties en dergelijke zaken leiden tot het ontstaan van een zwarte vriendenclub in het elftal. Niet uitgesloten is evenwel dat een dergelijke club ontstaat doordat de leden het gevoel hebben achtergesteld te worden.
De voorstelling van zaken is dat trainers zonder aanziens des persoons of kleur de beste speler op de juiste plaats zetten. Dus een rationele keuze maken en streven naar optimaal rendement. Zoals werkgevers tot vervelens toe - en ondanks aantoonbare discriminatie - volhouden dat zij altijd kleurenblind de werknemer met de hoogste produktiviteit kiezen. Dat is moeilijk te pruimen. Want de veronderstelling dat er maar een kandidaat voor een bepaalde plaats is, is onjuist. Een witte en een zwarte speler kunnen een andere mix van eigenschappen hebben en toch beiden geschikt zijn voor een bepaalde plaats in het team. Meerdere geschikte kandidaten voor een post dus. Kiest de trainer een witte speler, dan heeft hij een rationele keuze gemaakt en tegelijkertijd een zwarte speler achtergesteld. En zelfs als de witte speler iets minder goed is dan de zwarte, hoeven de prestaties van het team er niet onder te lijden.
Waarom zou een trainer dat doen? De theorie dat het steekt dat een toenemend aantal spelers zwart is, dat het elftal zwart is in plaats van oranje, of dat deze jonge zwarte miljonairs met vaak mooie blanke vrouwen graag de schijnwerpers op zich gericht zien, maar dat er niets aan de hand is zolang ze winnen - het is natuurlijk speculatie, maar Ramdas kan er gelijk mee hebben. Maar dat is niet van alle tijden, zoals hij zelf aangeeft. Oud daarentegen is het sentiment dat zou kunnen ontstaan als de zwarte spelers slecht presteren. Het is niet uitgesloten dat dan onder grote groepen blanke voetbalfans te horen valt: 'Ik heb niets tegen die zwarte jongens, maar zie je wel, het gaat niet goed samen; je krijgt er gedonder mee.’ Dit sentiment, alsmede de bijbehorende tactische uitsluiting, is minstens zo oud als de verzuiling: de historisch gelegitimeerde cultuur van 'ons kent ons’. En die 'gewoonten’ zijn - in tegenstelling tot wat de sociologische propaganda voor de open samenleving wil - niet overleefd.
IS HET DAN TOCH WAAR dat de zwarte spelers in de ogen van de spraakmakende gemeente bij succes 'onze’ jongens zijn en bij wanprestatie worden uitgemaakt voor 'Surinamers’? Tot voor tien jaar was het zeker zo. De berichtgeving over sport laat een aanmerkelijke verbetering zien. Maar wat heden ten dage niet (meer) hardop gezegd wordt, kan men nog zo voelen. Een dergelijke 'opschoning’ van de berichtgeving heeft zich overigens nauwelijks voorgedaan bij de politieberichten. Daarin wordt de afkomst en de kleur van de dader - alleen vanwege opsporingskans? - vaker gemeld. Ook op terreinen als immigratie, werkloosheid, criminaliteit en sociale zekerheid weet de nieuwsgierige burger hoe het kleurenpalet er uitziet. Als het negatieve zaken betreft, worden kleurlingen steeds vaker - en openlijker - te kijk gezet. Ook hier geldt: de ervaring en het gevoel zijn er.
Houden deze algemene ervaringen, gevoelens en praktijken op bij het voetbal? Bedrijven noch elftallen zijn eilandjes in de samenleving. Blokkades en achterstelling zijn overal in de samenleving te vinden. Dit uitgangspunt spreekt iets belangrijks tegen: namelijk de universalistische ideologie dat in de wereld van sporters (evenals in die van schoolgaanden en werkenden) alleen prestaties tellen. De Olympische Spelen dragen deze gedachte uit. Bij de toelating van het voormalige Zuidafrika, van enkele Arabische landen en van China was dit het argument. Sport verbroedert, kent geen politieke ideologie, kleur of godsdienst. Het is een meritocratische opvatting die het spel ontdoet van sociale, politieke en culturele aspecten. Voetbal, veruit de meest populaire sport, vervult en symboliseert de gelijkheid van rassen en volkeren. Daar kunnen politici wat van leren.
Zelfs als deze meritocratische opvatting - for the sake of the argument - wordt aanvaard, is het de vraag of prestaties individueel dan wel collectief meetellen. In individuele sporten kan men niet om de desbetreffende speler heen. In teamsporten wel, daar gaat het om de prestaties van het geheel. Verschillende samenstellingen van het team kunnen een zelfde prestatie genereren. Het is al gezegd: een universalistische overtuiging en raciale achterstelling kunnen samengaan. Daarom is het verwonderlijk dat bijvoorbeeld Spaan en Blokker volhouden dat kleur absoluut geen rol speelt bij de selecties in Ajax en het nationale elftal. Waarom deze twee uitzonderingen wanneer algemeen is erkend dat achterstelling in het 'topvoetbal’ wel voorkomt? Het is onwaarschijnlijk dat Ramdas en Sanders met hun bewering over achterstelling op de tenen van de voetbalfans hebben getrapt. Gelet op de emotionele reacties was het een gevoeliger onderdeel.
Zelf geeft Ramdas een andere verklaring voor de emotionaliteit. Desgevraagd antwoordde hij: 'Voetbal is de soap van Nederlandse mannen. Daar kom je niet aan. Vanaf hun kinderjaren is het voetbalveld een heilige plaats. Daar kon veel, mocht niet alles, maar het gebeurde toch. Als je nu zegt dat voetbal “besmet” is door raciale verhoudingen, kom je aan iets wezenlijks.’ Voetbal heeft inderdaad iets van een soap. Alleen van Nederlandse mannen? Nou ja, ook van niet-Nederlandse mannen. Voor het merendeel van de zwarte 'soapkijkers’ is voetbal echter meer dan een spel. Het is de arena waarin een existentiele slag wordt geleverd om eer en acceptatie. Vooral de spelers moeten zich laten gelden en bewijzen. Niet alleen als individu, ook voor en vooral namens de gemeenschap waartoe zij behoren.
Het is overigens niet zo dat in teamsporten alleen prestaties tellen. Trainers hebben vaak hun beste spelers 'in reserve’ gezet wegens recalcitrant gedrag of omdat zij niet pasten in een nieuw gevormd team of de 'verenigingscultuur’. De Surinaamse vriendenclub heeft eerder trainers en spelers getart. Onderling vaak Surinaams praten en naar elkaar toe trekken wekt wrevel. Wanprestatie van zwarte spelers verergert de latente irritatie of leidt niet zelden tot gegniffel en leedvermaak van autochtonen. Dit is een algemene ervaring, ook buiten het voetbal. Sanctie op 'afwijkend’ gedrag wordt echter gemotiveerd met een argumentatie waarin uitsluitend 'zakelijke’ elementen voorkomen. Alleen die zijn immers aanvaardbaar.
ALS 'ONZE JONGENS’ WORDEN gediscrimineerd, hoe valt het dan te begrijpen dat circa de helft van de topvoetballers kleurlingen zijn en dat veel zwarte spelers, ook van de jonge garde, ondertussen verbonden zijn aan de beste clubs van Europa? Sluit discriminatie succes dan niet uit, zoals de theorie van het glazen plafond wil? Je kunt het ook anders zien: zwarte spelers moeten zich meer bewijzen dan hun autochtone collega’s, zoals zij zelf herhaaldelijk te kennen geven. Gevestigde en relatief succesvolle migranten stuiten tegen een 'onzichtbaar plafond’ in hun mobiliteit naar boven. Implicatie: als er geen of minder barrieres waren, zouden zwarte voetballers sneller de top bereiken of zou het aantal zwarte spelers groter zijn dan nu. Moeilijk te bewijzen, deze redenering, maar het 'plafond’ en de geringe opwaartse mobiliteit van migranten zijn in elk geval bekende ervaringen op de arbeidsmarkt.
De suggestie van Jos van der Lans dat de spanningen in multicultureel voetballend Nederland bijdragen tot de emotionaliteit, kan hout snijden. Het is alom bekend dat de positie van allochtonen verre van rooskleurig is. Door een veelheid van oorzaken vlot hun integratie op belangrijke terreinen als werk en huisvesting onvoldoende. Alleen in de sport - vooral in voetbal en de vechtsporten - hebben zij een duidelijke plaats veroverd. Dat beschouwen velen als een voorportaal van de toekomstige samenleving, van de multiculturele samenleving, het nieuwste ontwerp van het aardse paradijs. Nu blijkt dat het ook daar niet koosjer is. Ook voetbal blijkt minder te integreren dan is gehoopt.
Wat levert het voorgaande op? De waarschijnlijkheid dat er achterstelling bestaat in het topvoetbal, ook bij Ajax en Oranje. Incidenten komen te vaak voor om het structurele karakter ervan zo hartstochtelijk te ontkennen. Er is op z'n minst reden tot twijfel. De smalende opmerkingen van de schrijvende blanke voetbalfans zijn dan ook ongepast. Maar dat hindert hen niet.
De les van dit alles: wat ook je kleur of prestatie mag zijn, kom nooit aan het speeltje van de Nederlandse man.