Een etmaal amsterdam

In de markthallen verruilt tweehonderdduizend kilo aardappels van eigenaar, in coffeeshop Het Wonder valt een Italiaan van zijn kruk en in spiritueel centrum Oibibio gaat de cursus Priaktie van start. Vierentwintig uur Amsterdam, stad van vele contrasten.

ZES UUR ’S OCHTENDS. Amsterdam ontwaakt uit een lome zomerslaap. In het portiek van een beddenwinkel aan de Jan Evertsenstraat zit een zwerfster in een feloranje jurk. Blootsvoets. Verwilderd haar. Naast haar een grote lakenzak, waarin haar spullen zijn gebundeld. Ze staat op, steekt het zebrapad over, heen en terug. Ze loopt rondjes om de paal van het voetgangerslicht. Haar zak sleept bijna over de grond. Ze schiet de telefooncel binnen, doet alsof ze een telefoonkaart in het gleufje steekt en begint te praten. Plotseling hangt ze de hoorn op en loopt naar buiten. ‘Doet ie ’t?’ vragen we. 'Ja’, zegt ze kortaf. Een paar maanden geleden was ze nog client van de Gemeentelijke Sociale Dienst aan de Baarsjesweg. Ze zag er toen ook minder verzorgd uit dan het een trotse Surinaamse betaamt, maar ze had ze wel allemaal op een rijtje.
De Baarsjes, driestromenland. Precies waar de Witte de Withstraat eindigt, de Jan Evertsenstraat begint en de Admiraal de Ruyterweg de kromming maakt naar Sloterdijk, waar Nederland overgaat in Klein Istanboel en Little Casablanca, steekt een orientaals uitziende man dwars de kruising over, daarbij stoplichten, verkeer inclusief de tram, zebrapaden en zichzelf negerend. Hij draagt een tulband en een lange winterjas over zijn vervuilde lijf. Op blote voeten, zwaar onder het eelt, gaat hij op weg naar allemansland, of niemandsland. Af en toe stopt er een auto of staart iemand hem kort na, maar voor de rest gaat het leven verder. Tram 7 komt de hoek om schommelen.
De Centrale Markthallen aan de Jan van Galenstraat, de grote voorraadkast van de stad, zijn volop in bedrijf. Vijftienhonderd mensen zijn hier voor dag en dauw aangetreden om de stad en omliggende gebieden van voedsel te voorzien. Vrachtwagens uit alle windstreken denderen vanaf de ringweg de Van Galenstraat in met het eten voor een dag: tweehonderdduizend kilo aardappels, zalm uit de Noorse fjorden, Griekse kazen, Turkse druiven, aangevoerd uit 76 verschillende landen. Hier kopen zowel supermarktketens als Albert Heijn en Dirk van den Broek als kleine groenteboeren en restauranthouders hun spullen in. Goed voor een jaaromzet van twee miljard gulden.
Aan de achterzijde van het twintig hectare grote terrein bevindt zich het gemeentelijke abattoir. De 'vuile aanvoer’, de nog levende beesten, wordt via de Haarlemmerweg het slachthuis binnengebracht, alwaar zij naar keuze op islamitische, joodse of algemene wijze worden omgebracht. Een paard krijgt er nog op ouderwetse wijze de kogel tussen de ogen. Het dier valt met rollende ogen neer en breekt meteen alle ledematen.
Het abattoir beschikt over een uiterst geavanceerde produktielijn, in staat tot de verwerking van een kalf per minuut. Voor een volwassen koe staan twee minuten. Eenmaal dood zeilen de beesten aan grote haken over een geheel automatische produktieband, alwaar de huiden er machinaal worden afgestroopt. Behalve de paarden krijgen de beesten tegenwoordig allemaal een snee in de hals. Dat is de 'schoonste’ methode, zegt men. Wat dat betreft heeft Nederland heel wat geleerd van de joods-islamitische slachttraditie. De laatste tijd begint de produktie van het slachthuis beduidend af te nemen. De Amsterdammers eten steeds minder vlees, terwijl vis - hoe exotischer, hoe beter - enorm in de lift zit. Enige honderden gigantische kreeften en kleine krabbetjes uit Ghana wachten in de propvolle aquaria van de visafdeling op het tijdstip van hun consumptie. De toekomst van het slachthuis is ongewis. Vanuit stadsdeelraad Westerpark (de Staatslieden- en Spaarndammerbuurt) is protest aangetekend tegen de stank uit het abattoir. Er wordt gevraagd om installatie van een grote geurvreter a raison van drie miljoen gulden. Het is het werk van een paar overgevoelige vegetariers, weet een van de slachthuismedewerkers - de witte jas nog onder het bruine vet - te vertellen: 'De mensen die hier lang wonen ruiken het niet eens meer.’ De wereld gaat sowieso naar de knoppen: in de Tweede Kamer heeft een leiperd van D66 maatregelen aangekondigd tegen de stankoverlast van warme bakkers. Aan de voorzijde van het terrein staat Serdar Zeki Sakir, een van de drie Turkse groothandelaren in groente en fruit hier op het terrein, heftig te onderhandelen met zijn afnemers. Overal in de stad worden Turkse groente- en fruitwinkels opgezet, en Serdar kent ze bijna allemaal. Voor de overlevingskansen van de meeste zaken geeft hij geen cent, zegt hij, trekkend aan zijn sigaar: 'Iedereen denkt tegenwoordig maar dat ze het aankunnen. Maar zestig procent van die zaken is binnen een jaar weer doorverkocht of failliet. En ze proberen allemaal bij mij te poffen. Dat gaat dus mooi niet door.’
NEGEN UUR ’S OCHTENDS. De periode van betaald parkeren is aangebroken. In hun kleine witte busjes trekken de wielklemzetters, na de deurwaarders de meest gehate ambtenaren van de gemeente, erop uit. Verleden jaar werden er maar liefst 98 duizend wielklemmen gezet in Amsterdam; per stuk goed voor een bekeuring van f122,50 in de binnenstad en f120,50 in West in Zuid. Daarbovenop komt bij de gemeente nog eens veertien miljoen gulden per jaar binnen aan parkeerautomaatmunten. Een kwart van de gewielklemde wagens is van buitenlandse herkomst - in de regel toeristen die onbekend zijn met dit stukje Amsterdamse folklore. De dienst Parkeerbeheer heeft inmiddels becijferd dat de wielklemmen voor twintig procent minder bezoekers van de binnenstad hebben gezorgd, en pleit hartstochtelijk voor verlaging van de parkeertarieven. Het gemeentebestuur, de dienst Ruimtelijke Ordening voorop, wijst dat voorstel van de hand en wil de tarieven juist nog aanscherpen. De inkomstenbron kan niet worden gemist. Bij de P. C. Hooftstraat kijkt een Italiaanse toerist beteuterd toe hoe twee functionarissen van de Dienst Parkeerbekeer zijn Citroen beklemmen. Het is zijn tweede binnen vierentwintig uur. Benvenuto a Amsterdam! De wielklemmers reageren panisch als de Groene-fotograaf zijn camera te voorschijn haalt. 'Geen foto’s’, smeekt een van hen. 'Absoluut niet. Een collega van me is pas nog in elkaar geramd in een cafe omdat ze hem van de krant hadden herkend.’ Zelfs een foto op de rug is taboe. Een tweede duo wielklemmers is minder bevreesd, zolang hun gezichten maar niet worden geregistreerd. 'Het is klotewerk, maar iemand moet het doen’, zegt het duo berustend.
HALF ELF ’S OCHTENDS. In de meest westelijke uithoek van de stad, aan de Aziehavenweg, onder de rook van de grote vuilverbrander, schenkt meneer Markowic ons ferme glazen vieux in. Meneer Markowic is een van de oudsten van de groep zigeuners uit het voormalige Joegoslavie die op dit afgelegen stukje grond een tijdelijke verblijfplaats toegewezen heeft gekregen. Eerder kregen de zigeuners een brief op poten van de gemeentelijke werkgroep Zigeunerbeleid, waarin ze in uiterst bevoogdende termen werden toegesproken over het vereiste gedrag, varierend van de gewenste locaties voor het toiletteren tot de wenk dat er niets gestolen mocht worden. De burgemeester heeft inmiddels zijn excuses aangeboden voor het ambtelijke schrijven.
Markowic zit er niet mee. Met een brede grijns haalt hij zijn soundmixmachine uit zijn kleine caravan en begint lustig mee te zingen op de melodie van een Kroatische smartlap. Een paar kinderen voegen zich aan zijn zijde. De papierprikkende vrouwen verderop op het terrein kijken wat meewarig toe - Markowic is ongetwijfeld het feestnummer van de mobiele gemeenschap. Trots vertoont hij de goudkleurige insignes die onder zijn colbert zijn gespeld. 'Ich war ein Partisan! Mit Tito, ja, ja’, zegt hij. 'Amsterdam guter Stadt! Pour vacances! Jugoslavien total kaputt! Immer schiessen! Bang, bang! Alles kaputt!’ Hij schenkt nog eens bij. Overdonderd door zoveel zang en spiritualien in de ochtend vervolgen wij onze weg, uitgezwaaid door de moderne nomaden, die heel wat gastvrijer blijken dan de behandeling die hen zelf ten deel valt.
DE MIDDAG BREEKT AAN. In de Stadsbank van Lening aan het Leidseplein is het een drukte van belang. Kopers en verkopers buigen zich over de uitgestalde waren, van sieraden tot elektrische gitaren. 'Ome Jan’, zoals de gemeentelijke lommerdinstelling in de volksmond heet, kent drukke tijden. 'Bij iedere bezuinigingsronde stellen we hier vast: het wordt weer drukker’, zegt de medewerker aan de toonbank. Hij zegt dat zestig tot zeventig procent van de mensen die iets komen belenen van Surinaamse afkomst is. Verder zijn er veel Turken, Marokkanen en Antillianen onder de clientele. 'Meestal belenen mensen iets om het weekend door te komen, maar je maakt ook extremere gevallen mee. Mensen die helemaal panisch binnenkomen met al hun sieraden, omdat ze over een uur of wat uit hun huis worden gezet. Maar dan kijk je naar buiten en zie je ze wel in een dure auto stappen.’ Ondertussen is er een huilende vrouw binnengestapt. 'Als u een psychiater zoekt moet u niet hier zijn’, krijgt ze van een van de baliemedewerkers te horen. 'Anders worden wij hier helemaal gek.’
TWEE UUR ’S MIDDAGS. De Albert Cuypmarkt. Topdrukte, er is geen doorkomen aan. Overal mensen. Lachende mensen, half blote mensen, mooie mensen. Tropical! Halverwege de markt staat, wezenloos en vuil, een zwerver op een houten verhoginkje mondharmonica te spelen. Niemand slaat acht op hem, niemand wil hem zien of horen, hij bederft de dag, de eetlust. Iedereen loopt snel aan hem voorbij, de pet voor zijn voeten blijft leeg. Niemand wenst zijn bestaan te erkennen, hij vertegenwoordigt het wegvallen van alle menselijkheid. Een stadsrat heeft meer te eten dan hij.
HALF VIER ’S MIDDAGS. Na lang zoeken hebben we de heer Directie gevonden. De landbouwkundige en computerdeskundige is woordvoerder van de laatste der Mohicanen. Zijn flat, Geinwijk in de Bijlmermeer, moet worden gesloopt op last van woningcorporatie Nieuw Amsterdam. Projectontwikkelaar MBO wil er laagbouw voor in de plaats zetten, stadsvilla’s die het imago van de buurt rond winkelcentrum Ganzenhoef moeten verbeteren. Alle bewoners zijn vertrokken, op Directie en twee andere bewoonsters na. 'Ik ben geboren in het zuid-westen van Suriname, waar de nakomelingen woonden van de weggelopen slaven. Dat gebied werd in de jaren zestig geheel verwoest door de bouw van de Brokopondo-dam. Dat gebeurt me geen tweede keer. Ik blijf hier’, zegt hij op uiterst besliste toon. De flat is inmiddels overgenomen door de junkies. De politie doet er niets aan. Pure Verelendungstactiek, weet Directie. 'Met verpaupering wil men ons wegjagen.’ Maar Directie blijft. Hij koestert plannen om een massale kraakactie te leiden. Uit de binnenstad verjaagde krakers hebben al belangstelling getoond.
Terug naar de stad via metrostation Ganzenhoef. De Antilliaanse vloeken echoen door de hal. 'Konjo bo mama… Lage tonto… Loko! Karamba! Sera bo boka makamba! Lage nek omber!’ Eindelijk komt de metro. De Antilliaanse jongen blijft achter op het perron. Hij vloekt ons na door de gesloten metrodeur, het bovenlijf ontbloot. Herowien. Koude-koortsherowien.
VIJF UUR ’S MIDDAGS. In literaire coffeeshop Het Wonder aan de Huidenstraat trekken enige jonge toeristen en de vaste stamgasten genoeglijk aan hun joints, nog immer de grootste toeristische attractie van Amsterdam. De jongedame achter de toonbank maant tot enige voorzichtigheid. 'Die Duitsers en Italianen zijn deze kwaliteit vaak helemaal niet gewend. Soms vallen ze na een paar halen bewusteloos. Je schrikt je soms dood.’ Drie jonge Italianen uit Napels krijgen een collectieve lachkick. Een van hen spreekt het Engels van Roberto Begnini in de film Down by Law. 'Amsterdam great city! We smoke and smoke for five days now!’ Een jonge Duitser komt beteuterd de trap af. Hij heeft bij een andere coffeeshop al zijn geld gespendeerd aan hasj maar is nu gestuit op een wielklem en kan dus niet meer terug naar Dusseldorf. 'Wat moet ik doen?’ klaagt hij. Stug door blijven roken blijkt de enige remedie. En bellen met Vati.
ACHT UUR ’S AVONDS. De Marokkaanse man in de rij voor de deur van de Missionaries of Charity aan de Jordanese Egelantiersstraat vertelt in het Engels dat hij twee dagen niet heeft gegeten. Wie hem ergens anders in de stad had ontmoet, zou niet vermoeden dat er zo veel leed kan schuilgaan achter een goed gekleed mens. 'Armoede is als je niet meer leven kunt in de sociale waardigheid die een mens betaamt’, zegt hij. Hij vertelt dat hij in feite niet vecht tegen de armoede maar in de eerste plaats voor het behoud van zijn dignity, want als je dat verliest verlies je alles: je wordt agressief, gaat mensen haten, gaat je afzonderen, raakt depressief en in de war, gaat eten uit prullenbakken of stelen uit lijfsbehoud. 'Ik had goede ouders en een goede opvoeding, maar de wetten in dit land maken van een fatsoenlijk mens als ik een illegaal, een outlaw’, zegt hij. Daarom staat hij nu voor de deur van moeder Theresa.
Hij had hier eigenlijk vanochtend moeten zijn, tussen negen en elf, dan had hij zonder al te veel tekst en uitleg en excuses een warme maaltijd kunnen krijgen. Aan de deur staat een werker van de instelling die de toeloop tracht te reguleren en ervoor zorgt dat iedereen volgens de regels (met voedselbonnen en inschrijfpas) wordt geholpen. Degenen zonder voedselbonnen proberen zijn medelijden op te wekken. Sommigen lukt het, anderen worden weggestuurd omdat hun verhaal niet aannemelijk klinkt. Veel mensen verlaten het pand met een brood of een warme hap, een bakje sla en een tomaat.
Er komt ook een zuster aan de deur, gul moppen tappend. 'Dat houdt de moed erin’, zegt ze. De zuster vertelt dat er dagelijks zo'n tweehonderd mensen komen. 'Het trieste vind ik dat we ze niet meer kunnen geven dan wat eten. Nog triester vind ik het als ik mensen die hier komen soms op straat de prullenbakken zie doorzoeken. Er zou iets fundamentelers moeten gebeuren voor deze mensen. Wij kunnen ze niet meer bieden dan wat liefdadigheid.’
Een man uit Macedonie vertelt dat hij binnen drie dagen het land wordt uitgezet. Hij heeft drie dagen niet gegeten, heeft geen slaapplaats en ook geen geld. 'In eight months three times no, and this time they want me to go, go back to my country to die. The police, the minister, the gouvernment, they wont’t let me stay’, klaagt hij. De zuster kan hem alleen aan eten helpen.
HALF NEGEN ’S AVONDS. In het PTT-gebouw bij het Centraal Station is de avondploeg al aangetreden. Een moedeloos makende zee van poststukken - anderhalf miljoen per dag - stroomt door de grote bakken. Zendingen uit 'verdachte’ landen als Colombia worden immer besnuffeld door een drugshond. Vroeger werden alle pakketten uit de Scandinavische landen gecontroleerd op pornografische inhoud, maar dat is nu voorbij. Grotere zorg is nu dat de verstuurde erotica niet ergens onderweg wordt geconfisqueerd door een medewerker. Bij de uitgang vinden regelmatig controles plaats van al het personeel. De vrouwelijke medewerkers worden na het werk per busje thuisgebracht. Te vaak werden ze lastig gevallen door de hoerenlopers en junks achter het Centraal Station. Tegenover het PTT-gebouw zitten drie straatjunks gebogen over een net buitgemaakte portemonnee. Een paar guldens en een oude strippenkaart. Mismoedig vervolgen ze hun weg.
NEGEN UUR ’S AVONDS. In de spirituele supermarkt van centrum Oibibio hebben we de keuze uit een cursus spiritueel theater vanuit mythe en magie voor 635 gulden per week, een cursus psychosynthese van 435 gulden per week en een cursus Priaktie van 980 gulden. We kiezen voor een verblijf in de theetuin, alwaar in esoterische sfeer een kopje Darjeeling-thee ('de Champagne onder de theeen) van acht gulden kan worden genoten. Een hoekman van de nabijgelegen effectenbeurs blaast hier bijna iedere avond even uit. Voor hem geen drankovergoten afstoomsessies meer in de bruine kroegen. Hij mediteert de stress liever weg bij de Chinese siervijver, waar rustgevende bamboefluitklanken uit de speakers druipen. 'Over een paar jaar zie je dit soort gelegenheden overal, ik geef het je op een briefje’, zegt hij.
HALF ELF ’S AVONDS. In afwachting van de Nieuwe Tijd zetten we het nog maar eens ouderwets op een zuipen in rocktempel Paradiso. Daar vanavond echter ook geen stampende rocksessie, maar een hoogst artistiek experiment met Sonick Sounds. Voor onze ogen ontrolt zich een performance van dans en ultrasonische geluidstechnieken. Zeer arty. Bijna iedereen zit. Leefde de punk nog maar.
TWAALF UUR ’S NACHTS. De Prinsengracht klotst nog na van het klassieke muziekconcert van eerder op de avond. De mobiele champagnebars zijn inmiddels afgevoerd, maar op het water is het nog steeds een drukte van belang. Het lijkt verdacht veel op een nationale vlootdag voor corpsballen. Een zee van corduroybroeken, rugbyshirts en spencers. Iedereen is dronken als een aap en balanceert op de boten, meehossend met allerlei clubliederen. Af en toe gaat er onder luid gejoel iemand overboord.
'Studenten’, moppert een wat oudere man op de brug. 'Ik haat studenten. Vroeger ging het nog wel, toen ze altijd protesteerden en actie voerden. Waren ze tenminste ergens mee bezig. Nu is het enige wat ze doen zuipen en zingen. Mijn zoon werkt in discotheek Marcanti Plaza. Daar hadden ze pas een studentenfeest. Ze zijn nu nog aan het opruimen. Beesten zijn het.’ Hij spuugt in het water en fietst weg.
VIER UUR ’S NACHTS. In nachtcafe Catastrofe aan de Nassaukade is nog altijd de legendarische Karaoke-wedstrijd aan de gang. De ene na de andere hoogblonde Amsterdamse imiteert Anita Meijer, Barbra Streisand of een andere diva. Turkse en Marokkaanse jongens dansen als derwisjen in het rond. Aan de bar zit men gebogen over de sate. Een vertegenwoordiger in textiel, net terug uit Bangkok, bestelt een meter bier voor iedereen die het podium op wil. Hoe valser de uithalen, hoe enthousiaster het applaus. Een net uit zijn dienst gekomen politieagent van bureau Raampoort doet Presleys Love me Tender, compleet met de vocale uithalen. Een Turkse Koerd in de hoek aan de bar pinkt een traantje weg. De melancholie druipt van zijn gezicht af en hij noemt iedereen zijn 'Bruder’.
ZES UUR ’S OCHTENDS. Een helderblauw licht boven de Amstel. Aan de waterkant, precies tegenover Heinekens Hotel L'Europe, zit een dame op een bankje rustig voor zich uit te kijken. Ze is mager, heeft lang haar, en is sober gekleed. Achter haar staat een boodschappenkar vol kranten en andere spullen, een deken eroverheen. Ze zit erbij alsof ze haar leven overdenkt. Terwijl ze een groepje duiven aan haar voeten voert, vertelt ze dat ze zo geniet van de natuur en de mensen om haar heen. 'De meeste armoede staat niet op straat, maar zit bij de mensen binnen’, zegt ze. 'Mensen die thuis zitten te verpieteren als gewoon burgermens. Het echte leven zou zich moeten afspelen ergens tussen het mijne en dit dure hotel.’ Ze wijst naar Heinekens stulp. Haar magere hand, met lange, zwart omrande rafelnagels, markeert de geringe afstand en tegelijkertijd het schrille contrast.