Een etnisch laboratorium

In Burundi worden de machetes geslepen. Hutu’s en Tutsi’s beloeren elkaar op een manier die in buurland Ruanda catastrofale gevolgen had. Maar het internationale conferentiecircuit plant een ambitieus verzoeningsdebat. Burundi wordt een laboratorium voor conflictpreventie.

BUJUMBURA/AMSTERDAM - Nog voor de Ruandezen afgelopen voorjaar met hun record-bloedbad de internationale aandacht trokken, hadden de Burundezen in oktober 1993 honderdduizend mensen vermoord. Dat gebeurde na een mislukte staatsgreep, waarbij de eerste democratisch gekozen Hutu-president Melchior Ndadaye werd gedood. Het grootschalige moorden is sindsdien geluwd, maar wekelijks zijn er etnische oprispingen. De grote vrees is dat zich in Burundi een tweede Ruanda-drama zal voltrekken. Het land kent een vergelijkbare etnische samenstelling als het noordelijke buurland, met een kleine Tutsi-minderheid en een grote Hutu-meerderheid.
In de beleving van de Burundezen is hun land sinds het bloedbad van oktober 1993 in crisis. Ongewild zijn de Burundezen specialisten geworden in het leven in een land onder spanning. In de zuidelijke provincie Bururi lopen mensen voortdurend met vijfduizend Burundese francs op zak, omdat - precies als in Ruanda - het verhaal gaat dat gewapende Hutu’s hun slachtoffer de keuze laten: dood door de machete of door het minder gruwelijke geweerschot. Voor de kogel geldt een tarief van vijfduizend franc. In de dorpen in het noorden trekt de Hutu-bevolking elke nacht het bos in, omdat ze thuis een te gemakkelijke prooi voor militante Tutsi’s is.
Talloze missies trokken naar Burundi. Vele rapporten beschrijven hoe het precies zit in de voormalige Belgische kolonie. De politieke druk om hier een tweede Ruanda te voorkomen neemt toe. De Amerikaanse ambassadeur in Bujumbura, Robert Krueger, deed afgelopen weekeinde voor het eerst zijn mond open over de bloedbaden door het leger, zodat de daders de hete adem van een supermacht in de nek voelen. President Ntibantunganya, een Hutu, kwam daar zondag meteen overheen met een televisietoespraak waarin hij toegaf dat Burundi een Ruandees scenario wacht als er niets gebeurt. Hij vroeg om hulp van de internationale gemeenschap.
Ahmedou Ould Abdallah, VN-gezant in Burundi, was met deze signalen ‘zeer ingenomen’, zei hij tegen Reuter. Ould Abdallah treft in samenwerking met de Londense organisatie International Alert voorbereidingen voor een conferentie in Burundi die een groots nationaal verzoeningsplan moet opleveren. Hulporganisaties, regeringen en Burundese ministers proberen op 3 februari in Londen achter gesloten deuren de hoofdlijnen van een Burundees debat uit te zetten. Als alles goed gaat wordt die voor april geplande Burundese conferentie een van de meest ambitieuze operaties van conflictpreventie in Midden-Afrika.
Conflictpreventie, een van de grote internationale thema’s van de post-Koude-Oorlogdiplomatie, wekt na de mislukking van 'peacekeeping’ en 'peace-enforcing’ in Bosnie, Somalie en Liberia bescheiden verwachtingen. De gang van zaken in Ruanda, waar de VN-soldaten vertrokken toen ze echt nodig waren, toonde aan dat de wereld soms gewoon geen zin heeft in een preventieve actie.
'KIJK’, ZEGT CHRISTIAN, een Tutsi, over de Hutu’s: 'Ze willen ons verjagen, ze willen ons vermoorden.’ Scherp oplettend of niemand hem hoort wil deze jonge econoom, leunend op het portier van zijn auto bij een zanderig kruispunt in Bujumbura, wel uitleggen wat er dient te gebeuren. Het leger moet van hem de vrije hand krijgen, ook al gaat het volgens mensenrechtenorganisaties regelmatig over de schreef en jaagt het hele dorpen de dood in. 'Moet je luisteren, het is oorlog. Dan vallen er burgerslachtoffers’, zegt hij vergoelijkend. Het is een eenzijdige blik, gestoeld op de angst voor uitroeiing - een angst die gelet op wat er met de Tutsi’s in Ruanda is gebeurd, begrijpelijk is.
Hutu’s hebben een spiegelbeeldige opvatting van wat er in dient te gebeuren. 'Het leger moet terug de kazernes in’, weet Jean, een huisknecht. 'De eerste taak van deze regering is het leger in toom te houden. En Tutsi’s moeten voor hun moorden worden berecht. Het is waar dat er Hutu’s zijn die wapens hebben, maar dat is zelfverdediging. Omdat er zoveel moordpartijen zijn, zoek je naar wapens, of pak je een soldaat en neemt hem zijn wapen af.’
FILIP REYNTJENS, de Belgische Ruanda- en Burundi-kenner, gelooft in een nationaal debat in aanwezigheid van buitenlandse waarnemers en bemiddelaars. 'Als ik met de radicalen van de twee kampen praat zeggen ze: “De problemen zijn duidelijker zichtbaar dan ooit, maar we kunnen niet samen rond de tafel komen.” Hier ligt dus een rol voor de internationale gemeenschap.’ Reyntjens denkt dat een politiek akkoord over echte machtsdeling voorwaarde is voor een duurzame vrede. Het compromis van de huidige coalitieregering van gematigde Hutu’s en Tutsi’s telt voor hem niet omdat de Tutsi’s het leger beheersen en daardoor bepalen wat er in Burundi gebeurt.
Uiteindelijk blijft een preventiestrategie afhankelijk van de beschikbaarheid van machtsmiddelen om te kunnen dreigen met geweld of economische sancties, en van ouderwetse overtuigingskracht, de magie van de dialoog, het ontstaan van een persoonlijke band en van vertrouwen. Bij gebrek aan bereidheid van regeringen om machtsmiddelen in te zetten, ruimen de preventievoorstanders voor het eenvoudige gesprek een grote plaats in. Jimmy Carter en Max van der Stoel hebben de doeltreffendheid ervan meer dan eens bewezen.
Toch zijn er andere instrumenten beschikbaar die buiten de politieke kopstukken om bredere lagen van de bevolking bereiken. Een specifiek op de Burundese omstandigheden afgestemd plan is de oprichting van een onafhankelijke radiozender, om moordzuchtige propaganda als in Ruanda tegenwicht te kunnen bieden. Er moeten veel juristen naar Burundi worden gestuurd, vinden International Alert, Reyntjens en alle missies die het land hebben bezocht. Buitenlandse juristen kunnen helpen bij het opleiden van een onafhankelijke rechterlijke macht en vervolgens toezien op de uitoefening van de rechtspraktijk. Op dit moment ontbreekt het in Burundi aan een onafhankelijke rechtspraak en een opsporingsapparaat. 'Uitbreiding van het Ruanda-tribunaal naar Burundi zou een goed idee zijn, want straffeloosheid is in Burundi een groot probleem’, vindt Reyntjens. Mensenrechtenwaarnemers zouden misdaden in kaart kunnen brengen. Opleiding van politie en bijscholing van het leger op het gebied van democratie en mensenrechten is een andere doelstelling. Dit hele circus zou zich naar Burundi moeten verplaatsen. 'Hoe meer volk hoe beter’, zegt Reyntjens. 'Buitenlandse aanwezigheid heeft op zich al een preventieve werking.’
Nieuw is dat er aanstalten worden gemaakt om deze op zichzelf bescheiden plannen daadwerkelijk uit te voeren. Als de regeringen er geen geld voor uittrekken, zullen onafhankelijke organisaties toch mensen sturen. Komt er van een officieel nationaal debat niks terecht, dan zullen het Belgische Dialogue International en het Afrika Studiecentrum in het Zweedse Uppsala toch mensen uitzenden om informele gesprekken in gang te zetten. Op het gevaar af dat dit een neokoloniale invasie lijkt, zijn volgens International Alert tientallen buitenlandse hulpverleners, deskundigen en ex-politiefunctionarissen bereid naar Burundi te vertrekken.
IN HET NOORDEN van Burundi bevinden zich 260 duizend Hutu-vluchtelingen uit Ruanda. Maar ook duizenden Burundezen - zowel Tutsi’s als Hutu’s - zijn na moordpartijen hun dorp ontvlucht en bij elkaar gekropen, daarmee een spontaan proces van etnische zuivering in werking stellend.
De tragiek van Burundi is dat het een van de weinige Afrikaanse landen is met historisch gegroeide grenzen en toch in een gruwelijke traditie van etnisch geweld is vervallen. Elders in Afrika wordt etnisch geweld vaak toegeschreven aan de willekeurig getrokken grenzen, maar Burundi en Ruanda waren twee koninkrijkjes waarvan in 1899 de Duitse en daarna de Belgische kolonisatoren de grenzen intact lieten.
In 1993 werden er vrije verkiezingen gehouden, waarbij de Hutu-partij Frodebu de absolute meerderheid behaalde. Voor het eerst was er een Hutu-regering aan de macht, want in tegenstelling tot Ruanda had Burundi sinds de onafhankelijkheid in 1961 een Tutsi-regime. Na de mislukte staatsgreep van oktober 1993 kwam er in september 1994 een politiek compromis uit de bus, dat de Tutsi’s alsnog een versterkte positie gaf.
De nieuwe coalitieregering gaf de Tutsi’s bovenmatig veel macht, maar werd tegelijkertijd een uitdrukking van de compromisbereidheid van gematigde Hutu’s en Tutsi’s. Er is immers ook nog enige bereidheid tot verzoening te bespeuren. In enkele dorpen weigeren Hutu’s en Tutsi’s elkaar te doden of te verjagen. Premier Anatole Kanyenkiko, een Tutsi, werd vorige week geroyeerd als lid van zijn partij Uprona omdat hij trouw bleef aan de Hutu-president. Op verzoeningsbereidheid staat een straf.