Hoofdcommentaar: Eén EU-arbeidsmarkt

Eén EU-arbeidsmarkt

Lang voordat kinderartsen van kleine en middelgrote ziekenhuizen met pensioen gaan, sturen de directies vacatures naar álle bijna-afgestudeerde kinderartsen en álle kinderartsen die reeds elders een baan hebben. Behalve met een vele malen hoger salaris trachten ze kandidaten te lokken met lyrische beschrijvingen over hoe prettig het is te werken in een gezellig ziekenhuis in een rustieke omgeving. Maar geen kinderarts die erover denkt om op kleine afdelingen lange werkdagen met een moordend dienstenschema te maken.

De dreigende sluiting van hele kinderafdelingen (en als logische consequentie ook afdelingen gynaecologie en verloskunde) in perifere ziekenhuizen illustreert een vraagstuk waarover in Nederland en andere Europese landen de laatste jaren oeverloos wordt gediscussieerd: mogen we hoogopgeleide arbeidskrachten en wetenschappelijk talent naar Nederland halen zodat het niveau van onze verzorgingsstaat en onze kenniseconomie op peil kan blijven? Te genstanders van een actieve immigratiepolitiek menen dat het hier om een moderne variant van het kolonialisme gaat: vroeger haalden we specerijen en olie uit de kolo niën en nu onttrekken we menselijke «hardware» aan arme landen. De braindrain stuit bij hen op zwaarwegende gewetensbezwaren.

Waar zij echter aan voorbijgaan is dat dit proces van braindrain zonder enig beleid allang plaatsvindt, maar dan met alle ongewenste, soms absurde, bureaucratische rompslomp van dien. Hoogopgeleide mensen melden zich te midden van de grote stroom asielzoekers bij de grens en verdwijnen soms voor jaren in de wachtkamers van onze asielindustrie. Het gevoel nutteloos te zijn is voor iedereen — hoog en laag opgeleid — deprimerend, tijd en talent verspillend.

Tegelijkertijd zitten werkgevers aan de vragende zijde van de arbeidsmarkt ook niet stil, zoals blijkt uit een zaak die nu hoog opspeelt. Vijf perifere ziekenhuizen hebben met behulp van een commercieel bureau het gapende gat op de werkvloer weten te vullen met kinderartsen uit Zuid-Afrika door de procedure om te keren: de in Zuid-Afrika actief geworven specialisten zijn op een toeristen visum in Meppel en dergelijke oorden aan het werk gegaan, en daarna pas begonnen met de aanvraag van een werkvergunning. Het bu reau helpt de artsen en hun gezinnen met de juridische procedure, huisvesting en het wegwijs maken in ons land. De constructie wordt omarmd door beide partijen, maar niet door de Immigratie en Naturalisatie Dienst («het schept precedenten» en «het gaat ten koste van andere gevallen, zoals gezinshereniging») en sommige politici («de tekorten zijn onze eigen schuld en daar mogen derdewereldlanden niet de dupe van worden»).

Of het nu gaat om Zuid-Afrikaanse kinderartsen, Surinaamse verpleegkundigen of Indiase ICT’ers: volgens deze tegenstanders kan en mag het niet.

De kwestie van de arbeidsmobiliteit zou veel verder komen als er, gelet op de realiteit, ook daadkracht zou worden ontleend aan andere argumenten. In het algemeen kan worden geconstateerd dat in tijden van mondialisering niet alleen het kapitaal internationaliseert maar ook de arbeid. Dat uit zich in de migratie van mensen die op zoek zijn naar een betere toekomst en anderzijds in het zoeken naar geschikt personeel buiten de nationale grenzen. De verplaatsing van arbeid is niet uitsluitend van zuid naar noord; ook laten bedrijven als KLM de gehele financiële administratie door hoog opgeleide werknemers in landen als India doen. Net zo goed gaan westerse artsen via charitatieve instellingen of op eigen titel in de sloppenwijken van Soweto werken.

Het voordeel van import en export van menselijk kapitaal is van minder eenzijdig voordeel dan tegenstanders van «neokolonialisme» stellen. Getuigt het niet van een zekere betweterigheid om individuen van onze arbeidsmarkt te weren onder het mom dat zij de ellende in eigen land moeten helpen oplossen en niet de kans mogen grijpen op een beter leven hier? Uit vergelijkend onderzoek tussen het immigratiebeleid in Nederland en Amerika, uitgevoerd door Rand Europe, blijkt dat nieuwkomers uit de Derde Wereld de voorkeur geven aan Amerika, juist vanwege een heldere, harde houding aan de grens. «Amerika heeft geen last van gewetenswroeging over bijvoorbeeld braindrain. Terugkeerbeleid bestaat niet in de Amerikaanse visie, want waarom zou je een Amerikaans staatsburgerschap willen opgeven?» aldus het onderzoek. Alhoewel het getuigt van arrogantie (het is nergens beter dan in Amerika) onderschrijven immigranten het zelf: uit statistieken blijkt dat slechts weinigen het idealisme kunnen opbrengen om op te geven waarvoor ze zo hard hebben gewerkt.

Europa is Amerika niet, maar om uit de politieke impasse te komen zou Nederland een Green Card System moeten invoeren, gericht naar behoefte van verschillende sectoren op de arbeidsmarkt. Het andere loket voor mensen die om politieke redenen aankloppen, moet in tegenstelling tot in Amerika ruimhartig open blijven. De «waarde» van een immigrant uit een arm land laat zich niet alleen in economische termen vertalen.

Daarnaast zal de eigen Europese markt veel opener moeten dan nu het geval is. In Duitsland is de werkloosheid bijvoorbeeld ook groot onder juristen, artsen en ICT’ers. De weg naar het kleine buurland wordt echter geblokkeerd door een woud van regels, premies, pensioenrechten en sociale zekerheden die niet op elkaar aansluiten. Opleidingen en diploma’s worden binnen de EU niet altijd erkend. Culturele verschillen vormen ook een obstakel. De arbeidsmobiliteit blijft derhalve binnen Europa nog steeds laag: slechts twee procent werkt buiten de eigen landsgrens. Brussel zou snel moeten zorgen voor één EU-arbeidsmarkt.