Afscheid van Frans Haks (1938 - 2006)

Een existentiële kippenfokker

In 1974 kwam Frans Haks met Ella Reitsma naar Groningen voor de tentoonstelling Het geheim: Duitse schilderkunst van symboliek en allegorie 1870-1900. Er moest een tv-uitzending van gemaakt worden. Ik had die tentoonstelling onder andere bedacht om gangbare modernisten te provoceren, maar Frans zag er veel meer in. ‘Nu is het precies het juiste moment om die tentoonstelling te houden’, zo profeteerde hij parmantig. ‘Nu gaat het in de kunst om conceptualiteit en om kunstenaars die zich overbewust zijn van zichzelf en van hun kunstenaarschap. In het Duitsland van toen was het niet anders.’ In kunstenaarsvorsten als Böcklin en Von Stuck zag Frans Joseph Beuys. Ella moest bloot, met een kroon op haar hoofd en een slang om haar nek op de buis, als de Cleopatra van Makart, en ík moest van Frans beter nadenken over wat mijn tentoonstelling te betekenen had voor het heden.
Natuurlijk waren we in Groningen ongelooflijk bevoorrecht dat wij dankzij Frans Haks de polsslag van de tijd konden voelen. Hij maakte van het museum een instituut van nationale en internationale betekenis, waarvan het museumgebouw zelf de meest welsprekende getuigenis is. Er kan geen twijfel over bestaan dat hij is geweest wie hij wilde zijn: de Willem Sandberg van de jaren tachtig en negentig. Maar er was meer. Frans zag het nieuwe ook in het oude. Elke ontdekking van wat hij ‘een nieuwe mentaliteit’ noemde, betekende voor hem ook een heroriëntatie op de kunstgeschiedenis. Vergeten en verguisde spullen uit het verleden konden opeens een nieuwe actualiteit krijgen. Hij kon dat prachtig laten zien op zijn ‘Neo-tentoonstelling’ in het Centraal Museum te Utrecht.

Iets nieuws ontdekken was voor Frans een existentiële ervaring, waarin hij bijna opbrandde. Zijn tentoonstellingen en aankopen kwamen voort uit een intens gevoel van urgentie. Wanneer dat ontbrak, kon je net zo goed kippen gaan fokken, zei hij eens. Maar ik vrees dat Frans ook een existentiële kippenfokker zou zijn geweest. Des te opmerkelijker was het dat iemand met zo’n hevig verlangen naar poseren en provoceren nooit tentoonstellingen maakte waar de exposeur belangrijker was dan wat hij exposeerde – zoals dat heden ten dage niet ongebruikelijk is.

Omgaan met Frans betekende hilarische vrolijkheid, heftige onenigheid, onverwacht somberen en dan toch weer ‘vooruit met de geit’, omdat er altijd iets nieuws te ontdekken viel. Hier of daar was er weer iets te zien waarover hij kon roepen: ‘Je houdt het niet voor mogelijk.’ Door hem zag je alles in een ander licht en vooral: met veel meer kleur. Om het nieuwe op te sporen en om het nieuwe in het oude te ontdekken, moet je op stap gaan, ontvankelijk zijn en goed om je heen kijken. Frans wist zeker dat te veel in de boeken zitten die ontvankelijkheid om zeep zou helpen, omdat je dan door de kunstgeschiedenis geconditioneerd raakt. Kunsthistorisch mierenneuken was voor hem een hoofdzonde.

Wat Frans in mij vooral heeft aangewakkerd, is de overtuiging dat wat je doet, in ons vak, nooit vanzelfsprekend of obligaat mag zijn. Het moet altijd ‘iets voorstellen’. Deze norm kon aanleiding zijn tot stevige discussies – om het voorzichtig uit te drukken. Een uur nadat op de televisie bekend was gemaakt dat ik naar het Rijksmuseum zou gaan, belden Frans en Johan aan. Hartelijk gefeliciteerd, en of ik er maar voor wilde zorgen dat er binnen de kortste keren hedendaagse kunst in de Eregalerij zou worden tentoongesteld. Onder de ogen van de Nachtwacht. Anders kon ik net zo goed niet naar Amsterdam gaan. Ik wist zeker dat ik dat in ieder geval níet zou doen, maar voor Frans was dat onvoldoende. Hij bleef een uur lang op hetzelfde aambeeld slaan. Geleidelijk aan dwong hij mij daardoor om te bedenken wat ik in elk geval wél zou willen doen. Door je te meten met zijn getetter op orkaankracht raakte je vaak op koers, ook al was die koers niet de zijne.

Frans was gefascineerd door het medium televisie. Hij heeft zelfs eens in een interview gezegd dat hij voor de camera wilde sterven. Toen wij deze zomer bij Frans en Johan in hun postmoderne tempel aten, zagen we videobanden met beroemde dirigenten in actie. Frans was gefascineerd door de verschillende manieren waarop dirigenten muziek oproepen uit een orkest, de gebaren en de blikken die daarvoor nodig zijn. Zoals hij hadden wij nog nooit naar dirigenten gekeken. Al kijkend dacht hij ook na over vormen van adequaat leiderschap, een onderwerp dat hij, zo lang ik hem heb gekend, steeds opnieuw ter sprake bracht. Vooral de laatste jaren had hij de neiging zich te verontschuldigen voor het feit dat hij niet altijd even diplomatiek was geweest, zoals hij dat eufemistisch uitdrukte. Gelukkig was hij dat niet, want dan was hij nooit degene geworden die zijn vrienden en de Nederlandse kunstwereld nu node missen.