Een extra laag

Utopieën grenzen altijd aan dystopieën. Maar mijn buren waren gelukkig. De smart city denkt zelf, of eigenlijk: wordt vanuit onzichtbare hoeken gedacht. Dit leerde ik tijdens een lezing over hedendaagse utopia’s.

Medium gabo head 2 1916 foto steve davies

Onder de stoep wachten voetstapgevoelige sensoren op het sein om de straatverlichting aan te knippen. Kinderen dragen een armband die een sms stuurt als ze verdwalen en een centrale moeder verzamelt informatie van energieverbruik tot parkeerbezetting om het daarna weer in juiste porties uit te delen. Tussen deze heen en weer gaande data wonen de mensen, die door dit efficiënte netwerk optimaal de tijd hebben voor andere dingen.

Hoewel de spreker verwees naar de smart city Songdo, een stad die gebouwd wordt op een stuk opgespoten land in Zuid-Korea, moest ik denken aan mijn gepensioneerde buren die vijftien jaar geleden thuis al een smart city hadden. De sproeier begon op gezette tijden zelf over het gazon te waaieren. De met slangen bedrade borders werden constant bewaterd en de lampen in huis sprongen allemaal tegelijk net voor de schemering aan. Uit deze coördinaties leek als vanzelf een rooster van vaste bezigheden voor vaste weekdagen voortgevloeid. Er was een dag voor autowassen en een dag voor de buitenboel. Elke middag om half vier vertrokken ze met de auto; dan aten ze een gebakje in een restauratie aan de bosrand. Stipt half zes reed de auto weer de parkeerplaats op.

Mijn buren waren erg gelukkig. Perfect mechanisch draaiden ze met z’n tweeën mee tussen de tandwielen tijd, werk en huis. De systematische planning van hun leven zorgde voor harmonie. Op eenzelfde soort fundering wordt Songdo gebouwd en ontwierpen de constructivisten hun plannen voor een nieuwe wereld. Een wereld waarin de grillige gevolgen van industrialisering en Eerste Wereldoorlog – overbevolkte, dichtgeslibde steden, armoede en sociale ongelijkheid – zouden plaatsmaken voor een transparante samenleving. De orde, precisie en helderheid van de machine stonden hiervoor model.

‘Wij moeten ons werk niet wegen met gewichten van tederheid en sentiment’, schrijft Naum Gabo in 1920 in het Constructivistisch Manifest. ‘Wij moeten het meten met ogen zo precies als een liniaal, met een geest zo stipt als een kompas (…) We construeren onze werken zoals het universum zichzelf construeert, zoals een ingenieur zijn bruggen construeert en een wiskundige zijn formules.’ Gabo’s eigen werk bestond op dat moment uit sculpturen van platte vlakken karton, hout of plexiglas, die hij opbouwde door de vlakken te laten kruisen. De kruispunten zijn daardoor zowel de constructie als het ding zelf. Het object moest in één oogopslag leesbaar zijn.

Diezelfde toegankelijkheid hadden de constructivistische architecten met hun nieuwe wereld voor ogen. Steden werden ontworpen op basis van rasters, muren mochten schuiven en grote ramen brachten lichtheid in de voorheen gesloten ruimtes. Deze ruimtelijke transparantie, geloofden ze, zou doorwerken op de transparantie van de samenleving. Binnenshuis waren voorwerpen er om hun functie te vervullen. Een fruitschaal was puur vorm, geen decoratie. ‘We weten dat alles zijn eigen wezenlijke beeld heeft, stoel, tafel, lamp, telefoon, boek, huis, mens’, zegt Gabo in het Manifest. ‘Ze zijn elk hun eigen wereld, met elk een eigen ritme en hemelbaan.’

Terwijl ik naar de ritmes van de parkeermeters en sensoren in Songdo luisterde, bekroop me een beklemming. Dezelfde beklemming, stel ik mij voor, die de mensen bekroop toen bleek dat in de gerealiseerde ontwerpen van de constructivisten, de mensen met de voorwerpen tot gelijke porties gemeengoed slonken. De machines die worden geprogrammeerd naar de behoeften van de mensen die in Songdo wonen, zorgen er onherroepelijk voor dat die bewoners beheersbaar worden voortbewogen. Utopieën grenzen altijd aan dystopieën.

Maar mijn buren waren gelukkig.

‘De structuur is zo transparant dat ze onzichtbaar is’, zegt een personage in Westerlingen van Arjaan van Nimwegen, dat ook in de lezing werd besproken. En ik begon me voor te stellen dat er in de toekomst zoiets als een doorkijkbril of infraroodcamera wordt uitgevonden. Niet om door een blouse of de nacht te kijken, maar een apparaat dat als ik om me heen kijk de infrastructuur van lijnen zichtbaar maakt die over het dagelijks leven ligt. Een ordening die gewoonlijk verborgen blijft. Deze drukke tekening komt als het ware als een extra laag op het beeld te liggen, terwijl daaronder wát ik zie gewoon doorgaat. Daarmee wordt dan zichtbaar dat alles zijn eigen set lijnen of geometrische vorm heeft, die continu kruisingen maken.

Je ziet bijvoorbeeld hoe jouw cirkel in het voorbijgaan een andere cirkel overlapt, en dat er ovalen zijn en rechthoeken die als door een spirograaf getekend zichzelf blijven herhalen. Voeten zijn dikke zwarte balken, parkerende auto’s lijken op verstrikte kluwens touw en tussen de mensen dwalen gedachten in trapeziums. Verder zullen we getuigen zijn van hoe een boodschappenlijst kringelend in een hoofd en passant de bytes van een e-mail aanraakt. En natuurlijk staat er ergens een rechthoek te gloeien in de ruimte, waar op de bovenste verdieping een jongen de glimlach van een meisje al vanuit de verte slingerend ziet aankomen.


Bernke Klein Zandvoort debuteerde dit jaar met haar bundel Uitzicht is een afstand die zich omkeert _(Querido). Ze is genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs en won de debuutprijs Het Liegend Konijn

Beeld: Naum Gabo, Geconstrueerd hoofd nr. 1, Collectie Miriam Gabon Londen_