Een fantasie in sloophout

Rascha Peper, Een Spaans hondje. Uitg. L.J. Veen, 304 blz., Ÿ 34,90 (gebonden Ÿ 45,-) ..LE Sneeuwpoppen, ijssculpturen, zandkastelen: tijdelijke bouwsels, niet gemaakt met het oog op roem en eeuwigheid, vaak wel fascinerend mooi. L'art pour l'art van het zuiverste soort, gemaakt omdat je er plezier in hebt en het niet laten kunt. Ze zijn daardoor uitermate geschikt voor - vaak met de nodige commercie omgeven - concours en festivals. Wat er van deze monumenten van vergankelijkheid uiteindelijk rest, is een zielig hoopje zand of een ijskoude plas en natuurlijk een foto voor het plakboek.

Dat er nog op een andere manier geld gemaakt kan worden uit deze vluchtigheid, probeert Rascha Peper waar te maken in haar nieuwe roman Een Spaans hondje, haar zesde boek alweer in nauwelijks acht jaar tijd. Met twee daarvan was ze succesvol. Rico’s vleugels (1993) kreeg een Ako-nominatie en voor Russisch blauw (1995) ontving ze de Multatuli-prijs.
Er zit een direct herkenbare samenhang in al dit werk. Pepers fictieve wereld is er een waarin illusie en vertwijfeling onrust zaaien, de dood voortdurend rondspookt, de liefde steeds weer onder spanning staat. Een wereld ook die wordt bevolkt door bijzondere personages met eigenaardige tics, figuren die graag hun dromen aan anderen kwijt willen en die een soms niet te stuiten verzamelwoede kennen.
Dit stramien blijft ze in Een Spaans hondje trouw. Alles begint met het idee om van zandkastelen handel te maken. Het zandkasteel geeft het vanitasmotief, de vergankelijkheidsgedachte in de roman reli‰f en verwijst tegelijkertijd naar de wereld van de architectuur, tot nu toe vooral decoratief in haar boeken aanwezig. Die krijgt nu de volle aandacht, in al zijn facetten, van warenhuis tot folly, van zandkasteel tot kathedraal.
De drie broers Clarijs - om en om in beeld gebracht - zijn zonen van een beroemd architect, en daar hebben ze allemaal hun eigen tic aan overgehouden. Felix is de jongste. Hij lijdt aan het syndroom van Gilles de la Tourette, dat zich uit in dwangmatige handelingen en regelmatig terugkerende woordverbasteringen. Hij is een mathematicus die bijna neurotisch zijn leven in wiskundige formules probeert te vangen. Jasper leidt SandArt, een onderneming die zich heeft gespecialiseerd in het vervaardigen van zandsculpturen en die op aanvraag plaatst in bijvoorbeeld de entreehal van hotels of langs de openbare weg. Verder geeft hij cursussen in de bouw ervan.
Compagnon in dat bedrijf is Victor, de oudste en minst vrolijke van het stel. Behalve misantroop is hij een gesjeesd architect. Zijn belangrijkste prestaties liggen op het vlak van de non-architectuur, in het domein dat toebehoort aan wereldvreemden en fantasten. Hij ontwerpt vooral follies, ‘dwaze, bizarre, nutteloze bouwsels, vrolijk of duister, geraffineerd of smakeloos, protserig nep of bedriegelijk echt’.
Voor deze Victor, die het belangrijkste personage uit de roman blijkt te zijn, dient zich een nieuw leven aan wanneer hij op de dag van zijn moeders begrafenis nog even naar kantoor gaat en daar de krant openslaat. Hij ervaart de berichtgeving dan nog als 'een werkelijkheid waaraan hij part noch deel had’, maar knipt er wel het bericht uit over een religieuze fantast, Vincente Arduro, die naar zijn zeggen op last van de Zuivere Maagd Maria in Guada Oriva, midden in de verlatenheid van de Sierra Nevada, al 25 jaar lang zonder plan of materi‰le middelen aan een kathedraal bouwt. De dood van zijn moeder biedt Victor de gelegenheid om samen met haar hond Knak de wereld van zijn vader te ontvluchten. Het laat zich raden dat de kathedraal hem tot deze louteringstocht inspireert, mogelijk omdat ze zijn ultieme folly lijkt, een grillige constructie, even gammel als zijn eigen leven.
Het Spaanse hondje is, evenals Pepers vorige boeken, een cocktail van realistische en fictionele ingredi‰nten. Alledaagse bezigheden vermengen zich met bizarre gebeurtenissen. Juist in de beschrijving van het 'gewone’, hoe mooi gedetailleerd soms ook, heeft Peper moeite om de aandacht vast te houden. Zo word je als lezer pagina’s lang, tot vervelens toe zelfs, deelgenoot gemaakt van de nietszeggende filmpjes waarin vader Clarijs zijn drie zonen op het 8-mm-celluloid vereeuwigde, of van het gehannes van Victor met een escortmeid. Sfeer zou er moeten zitten in de wandelingen die hij en later zijn broer Felix maken op het landgoed van een zekere Bregstein voor wie Victor een ruãne heeft gebouwd en nu een folly zal ontwerpen, maar het blijft bij wat doelloos ronddwalen. Verderop wil in de beschrijving van het leven en de activiteiten die rondom de Spaanse kathedraal worden verricht, maar geen vaart komen. Het gaat hier steeds om te breed uitgesponnen taferelen. Er wordt te weinig gestileerd en te veel gebabbeld.
Daartegenover staan verrassende surrealistische beelden zoals de nachtelijke, spookachtige verschijning van een levend kunstwerk in een 'metalig glanzend, nauw sluitend duikerspak’, de exuberantie van het Spice-Girlachtige type Pleuntje Wittebrood, de hartsvriendin van Felix, of de groteske verbeelding van Arduro’s kathedraal.
Maar ook dan blijft Pepers toon weinig verrassend, niet puntig genoeg. Het zijn zorgvuldig bedachte, maar nauwelijks doorleefde beelden. Ze brengen niet de vitaliteit die het boek zo nodig heeft, zodat de roman uiteindelijk mislukt op het niveau waarop hij had willen slagen, als demonstratie van de gedachte dat de eentonigheid van het dagelijks leven kan worden overwonnen door de fantasie. Want daar is het Victor in zijn vlucht kennelijk om begonnen, om de architectuur van de verbeelding. Met de kathedraal voor ogen weet hij: 'Dit is het gebouw dat zijn bestaan uitmaakte. Een fantasie in sloophout en afvalsteen, de overwinning van geestkracht op materie.’
Rascha Pepers grote kracht ligt in de toewijding waarmee ze haar boeken schrijft. Die uit zich vooral in zorgvuldig taalgebruik. Des te merkwaardiger dat er zoveel clichÇs zijn blijven staan in de trant van 'auto’s zoeven’, 'hij zag haar hijgende borsten’, en hij 'voerde een gesprek op de automatische piloot’. Uit de serie haperende, hakkelende en nonsenszinnen vond ik deze wel de fraaiste: 'Ze rook naar zeep en haarlak en verder gewoon naar vrouw.’ Jammer, maar de conclusie is onontkoombaar. Het boek zelf is een zandkasteel, een monument van tijdelijkheid.