Opera

Een feest van leugens en travestieën

Opera: ‹Eliogabalo› van Francesco Cavalli in Brussel

Een cynisch feest van leugens en traves tieën. Dat biedt de wereldpremière na 337 jaar van het Dramma per musica Eliogabalo in de Brusselse Muntschouwburg. Het is een groot raadsel waarom deze prachtige opera, een waardig vervolg op Monteverdi’s L’incoronazione di Poppea, nooit is opgevoerd. Niet in het jaar van zijn voltooiing, 1667, niet tijdens de negen jaar die de componist Francesco Cavalli (1602-1676) daarna nog te leven had, maar ook niet in de ruim drie eeuwen die volgden.

De Belgische wonderdirigent en expert in oude muziek René Jacobs heeft het werk uit het stof van Venetiaanse archieven opgediept en gereconstrueerd, en meteen is het raadsel geen raadsel meer. Er is druk over gespeculeerd of de muziek van deze opera voor zijn tijd misschien te ouderwets was geworden, te veel nadruk legde op de inhoud en te weinig ruimte gaf voor de virtuositeit van zangers. Dat zou kunnen, al maakt het deze muziek voor ons juist minder gedateerd. Maar voor theaterdirecteuren die het met de plaatselijke machthebbers moesten zien te rooien, bood de inhoud van de opera genoeg reden om hem ijlings terug te trekken van het repertoire. Dat gebeurde nog vóór de pre mière, aangezien Cavalli weigerde zijn opera te laten censureren. Een jongere componist kreeg opdracht een onschuldiger versie te fabriceren van hetzelfde verhaal, met een ongeloofwaardig flauw happy end en zonder de extravaganties van het oorspronkelijke werk en de Romeinse historie waar het op is gebaseerd.

Heliogabalus (204-222) werd door de intriges van zijn moeder in 218 als veertienjarige puber keizer van Rome en dus absoluut heerser over de toenmalige wereld. Hij was waarschijnlijk nog gekker dan Nero en tirannieker dan Caligula. Hij beschouwde zichzelf als vertegenwoordiger van de zonnegod op aarde en pretendeerde dat hij nacht in dag en winter in zomer kon veranderen. Zijn wens was vrouw en man tegelijkertijd te zijn (volgens de legende liet hij een vrouwelijk geslachtsdeel onder zijn navel aanbrengen). Hij werd door zijn eigen soldaten, die genoeg hadden van zijn kuren, vermoord en opgevolgd door zijn neef, de integere Alexander Severus.

Een anoniem gebleven librettist schreef de fonkelende tekst voor de opera die Francesco Cavalli componeerde voor het Vene tiaanse carnavalsseizoen 1667-1668. Het is ook een carnavalsopera geworden. Niet zozeer vanwege maskerades of spectaculaire effecten, maar omdat de personages nooit zijn wat ze pretenderen te zijn, en zich verstoppen achter bedrieglijke liefdes verklaringen en geveinsd medegevoel. Keizer Eliogabalo is een wispelturige travestiet, zijn dienaren zijn groteske en soms aandoenlijke schurken, maar ook de twee liefdesparen die door hen worden belaagd zijn wankelmoedig, zwak en dubbelzinnig.

Toen Francesco Cavalli dit werk schreef was de opera als kunstvorm nog maar enkele decennia oud. Cavalli was (waarschijnlijk) een leerling van Monteverdi geweest, hij stond op het hoogtepunt van zijn kunnen en was een van de beroemdste operacomponis ten van zijn tijd. Hij is nu misschien niet meer zo bekend, maar René Jacobs heeft al eerder opera’s van hem gedirigeerd en zaterdag 8 mei is zijn Didone te horen in de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw.

René Jacobs heeft niet alleen een meesterwerk herontdekt, maar er ook de best denkbare uitvoering van gegeven. Hij dirigeert zijn ensemble Concerto Vocale op zijn eigen doorzichtige, levendige, flexibele manier waarbij iedere muzikale frase emotie uitdrukt en hij heeft een groep heel jonge zangers en zangeressen bijeengebracht die allemaal even goed zingen en overtuigend spelen. Doordacht zijn de oplossingen voor de drie castratenpartijen uit het origineel. In deze versie verrijken ze de handeling. De aarzelende en machteloze soldaat en minnaar Giuliano wordt gezongen door een countertenor (Christophe Dumaux). De perverse keizer Eliogabalo wordt gezongen door de mezzosopraan Silvia Tro Santafé, die klein van stuk is en als een stout jongetje van de ene gril in de andere tuimelt en met haar dubbele travestieën onze sympathie niet verliest. Brave tegenvoeter Alexander wordt eveneens door een sopraan gezongen, Giorgia Milanesi (zij was dit jaar al twee keer in Nederland te horen: in Antigona van Tomasso Traetta en Der Prinz von Homburg van Hans Werner Henze). Zij is hier een wonder van zelfbeheersing en goedheid.

Dan is er nog een keur aan jonge sopranen (Annette Dasch, Nurisa Rial, Céline Scheen) die de jonge meisjes Flavia Gemmira, Eritea en Atilia spelen, Romeinse jongedames voor wie de ware liefde belangrijk is, maar voor wie één ding echt cruciaal is: het vooruitzicht keizerin te kunnen worden door zich te onderwerpen aan de seksuele lusten en grillen van Eliogabalo.

Vincent Broussard concentreert zich in zijn regie op deze mensen, die hij laat zien als jonge mensen die in leugens en wanhoop zijn vastgelopen. De ouder geworden handlangers van de keizer tonen een karikaturale glimp van wat de toekomst van de meeste jonge mensen zal zijn. Iedere belofte wordt al na twee zinnen ontkracht, zelfs wie de waarheid spreekt maakt zichzelf ongeloofwaardig. Liefde is uiteindelijk alleen een voorwendsel om macht te verwerven. Iedereen bedriegt elkaar, en de enige die dat niet doet, Alexander, kan zijn integriteit slechts bewaren door uiteindelijk helemaal niets te doen en toch de keizerskroon te aanvaarden. Als Eliogabalo eenmaal is vermoord door de Pretoriaanse Garde en de twee liefdesparen het alsnog met elkaar proberen, hebben ze al zo veel bedreigingen, verkrachtingen en bedrog doorgemaakt dat we nauwelijks kunnen geloven dat ze met elkaar nog gelukkig kunnen worden.

Het decor (Vincent Lemaire) is eenvoudig: een dubbele boog waarachter zich vreemde trompe-l’oeils voordoen, zoals deuren en ramen die vanuit het donkere niets opengaan. De personages zijn gekleed in prachtig verfomfaaide jurken en historiserende jassen (Christian Lacroix). Het hoogtepunt van de opera is de vrouwensenaat die Eliogabalo bijeen laat roepen om de mannelijke senatoren te vernederen en de vrouwen te versieren. Het lijkt meer op een Genet-achtig bordeel waar de openbare ambten worden verdeeld door blindemannetje te spelen. Eliogabalo is hier in vrouwenkleren aanwezig, een dubbele travestie. Ongetwijfeld is het deze scène die de Venetiaanse machthebbers niet vertoond wilden hebben. Hij werd, hoewel historisch volkomen verantwoord, weggelaten in de imitatie die de opera intertijd verving.

De travestieën in deze voorstelling zijn zo duizelingwekkend dat je vreemd opkijkt als een zanger eens samenvalt met zijn of haar rol. In deze Brusselse uitvoering is Eliogabalo niet in de eerste plaats een politieke satire, maar een studie naar de verraderlijkheid en omkoopbaarheid van individuele mensen. Het is droevig, hilarisch, hartverscheurend, teder en baanbrekend.

Deze opera is de reis naar Brussel meer dan waard. Maar zou de nieuwe directeur van het Holland Festival Pierre Audi deze voorstelling niet ooit voor de Amsterdamse Stadsschouwburg kunnen strikken? Zoals in 1987 het festival met de Brusselse ontdekking van Mozarts onbekende jeugdopera La Finta Giardiniera veler oren opende voor een heel stuk muziekgeschiedenis.

Eliogabalo is nog te zien op 6, 7, 9 en 12 mei in

De Munt te Brussel. Reserveren: 0032-70-233939