Een fellow-traveller zonder waarheid

P. Derkx, H. J. Pos, 1898-1955: Objectief en partijdig. Biografie van een filosoof en humanist. Uitgeverij Verloren, 558 blz., \f95,-
WIE GEVRAAGD wordt vijf Nederlandse, progressieve intellectuelen uit de eerste helft van deze eeuw te noemen, komt al gauw met de namen van Ter Braak, Du Perron en Jan en Annie Romein-Verschoor. Over de vijfde naam zullen de meesten iets langer moeten nadenken, maar de kans is groot dat men uitkomt bij iemand als Jacques de Kadt, Alex de Leeuw, Bart de Ligt of Willem Banning. Weinigen zullen spontaan de naam van de filosoof H. J. Pos noemen, en eigenlijk is dat vreemd. Hoe belangrijk wij die andere intellectuelen vandaag de dag ook vinden, hoeveel invloed ze ook hebben gehad, vergeleken met de internationaal vermaarde filosoof Pos waren het niet veel meer dan randfiguren.

Ter Braak en Du Perron werden pas na de oorlog beroemd. Het duurde tot 1939 eer Jan Romein hoogleraar werd en Annie trad pas in de jaren vijftig uit de schaduw van haar man. De Kadt schreef in ongelezen tijdschriften en De Leeuw bevond zich in het keurslijf van zijn stalinistische partij. Ook de ster van Banning rees pas na de bevrijding. Pos daarentegen was reeds vanaf het begin van de jaren twintig een vooraanstaand academicus. Hij vormde de spil van belangrijke gezelschappen en had bovendien, in tegenstelling tot de meeste anderen, uitstekende buitenlandse connecties. En toch kennen nog slechts weinigen zijn naam. De biografie waarop Peter Derkx onlangs promoveerde, laat zien dat dit niet terecht is.
DAT DE IN 1898 in het gezin van een tot makelaar opgeklommen gereformeerde huisschilder geboren Pos tussen grofweg 1930 en 1955 een van de meest toonaangevende linkse intellectuelen zou worden, lag allerminst voor de hand. In november 1918 had de brave VU-student nog enthousiast meegelopen in een demonstratie van oranjeklanten die na Troelstra’s vermeende revolutiepoging hun aanhankelijkheid aan het koningshuis wilden tonen.
Pos was niet alleen een oppassende student, hij was ook briljant. Hij studeerde ondermeer bij Rickert, Husserl en Heidegger, schreef twee Duitstalige dissertaties en werd op vijfentwintigjarige leeftijd hoogleraar taalwetenschappen aan de VU. Een authentieke, wasechte gereformeerde steunpilaar werd Pos evenwel niet. In de studentenalmanak werd zijn inaugurele rede aangeduid als ‘het boek Esther’, zijnde het enige bijbelboek waarin de naam van God niet voorkomt. Pos had een enorme afkeer van het gereformeerde exclusivisme. Het beginsel van 'soevereiniteit in eigen kring’ was misschien heel deugdelijk om een solide maatschappelijke beweging mee te organiseren, voor een intellectueel als hij was het veel te benauwend.
In 1926 was Pos een van de vier VU-academici die na de affaire-Geelkerken de gereformeerde kerk verliet. Geelkerken, die in Amsterdam-Zuid ook wijkpredikant van Pos was, had de mogelijkheid opengelaten om te twijfelen of het spreken van de slang in het paradijs een 'zintuiglijk waarneembare werkelijkheid’ was geweest. Een dergelijke intellectuele vrijpostigheid ging de nazaten van Abraham Kuyper veel te ver en de dominee werd uit zijn ambt ontheven.
Dat Pos en de andere dissidenten vervolgens niet uit de VU werden gegooid, had veel te maken met het feit dat er weinig professorabele gereformeerden waren. De sfeer op de universiteit werd er natuurlijk niet beter op. 'Het handen geven wordt schaarsch’, schreef Pos aan een vriend. Het moet voor hem dan ook een hele opluchting zijn geweest toen hij in 1932 aan de slag kon als hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. Al in de jaren twintig had hij tal van vrienden buiten het gereformeerde milieu, zoals Jan Romein, de slavist Bruno Becker, de publicist Siegfried van Praag en de pedagoog Ph. A. Kohnstam. Geleidelijk verloor hij zijn geloof en omarmde hij socialistische denkbeelden.
Pos was op vanzelfsprekende wijze het middelpunt van vrijwel ieder gezelschap waarin hij verkeerde. Buskes schreef later hoe Pos’ medestudenten aan zijn lippen hingen en in de vriendenclub van Jan Romein, Unitas Multiplex, werd hij automatisch de discussieleider. Bij de oprichting in 1936 van het Comite van Waakzaamheid was het niet meer dan logisch dat Pos de voorzitter werd.
ALS HOOGLERAAR was voor hem niet het doceren het belangrijkste, maar het gesprek met de studenten. In een tijd waarin de professor nog op een voetstuk stond en bovendien nog vrijwel zonder staf moest werken, had Pos buitengewoon veel tijd en aandacht voor zijn studenten. Filosofie doceren was niet het belangrijkste - het ging om het in dialoogvorm filosoferen. Velen prezen ook zijn vermogen tot synthese. Volgens Presser gingen de leden van Unitas Multiplex na de uiteenzettingen van Pos altijd 'atmospharisch begluckt’ naar huis.
De opkomst van het nationaal-socialisme was waarschijnlijk de belangrijkste oorzaak van het feit dat Pos veranderde van een tamelijk apolitieke wetenschapper in een geengageerde intellectueel. Hoewel hij geen partijlid werd, kreeg hij steeds meer sympathie voor het communisme. Zijn biograaf heeft zijn uiterste best gedaan om Pos’ standpunten zo genuanceerd mogelijk uiteen te zetten, maar men kan toch niet onder de conclusie uit dat Pos een doodgewone fellow-traveller was, die veel dingen niet wilde zien. Als voorzitter van het Comite van Waakzaamheid was hij van mening dat bij de verdediging van de democratie samenwerking met de communisten noodzakelijk was. Pogingen samen te werken met de veel grotere anti-fascistische organisatie Eenheid door Democratie liepen op niets uit, omdat deze club ook de communisten beschouwde als antidemocraten. Evenals Jan Romein zag Pos de Sovjetunie als een 'in wezen democratisch’ land. Berichten die op het tegendeel wezen, waren volgens hem pure laster.
Het Molotov-Ribbentrop-pact uit augustus 1939 luidde weliswaar het einde in van het Comite van Waakzaamheid - de communisten werden eruit gewerkt - maar het maakte geen einde aan Pos’ sympathie voor de Sovjetunie. Tijdens de oorlog, die hij grotendeels doorbracht als gijzelaar in Buchenwald en St. Michielsgestel, radicaliseerde Pos nog verder. Vanaf 1945 speelde hij een centrale rol onder de linkse intelligentsia rond bladen als De Vrije Katheder en De Nieuwe Stem. Verder steunde hij niet alleen de vredesbeweging De Derde Weg maar ook de door de CPN gedomineerde Nederlandse Vredesraad. Zijn afkeer van de 'slappe’ sociaal-democratie werd steeds groter, haar omhelzing van de 'formele democratie’ stond een radicale politiek in de weg. Ook bezocht hij internationale congressen van linkse intellectuelen, zoals dat in 1948 in het Poolse Wroclaw.
IN ZIJN BIOGRAFIE probeert Derkx weliswaar niet alle standpunten van Pos goed te praten, maar hij doet zo zijn best het, inderdaad irritante, opgeheven vingertje te vermijden dat hij af en toe toch te weinig kritisch is.
Zo stelt hij dat de conferentie in Wroclaw, in weerwil van wat de Nederlandse media beweerden, niet door de Sovjetunie werd geregisseerd. Zijn enige bron hiervoor is echter W. F. Wertheim, van alle Nederlandse fellow-travellers zo ongeveer de hardnekkigste. En zo neemt Derkx, in zijn streven het leven van Pos zo onbevooroordeeld mogelijk te beschrijven, wel vaker te weinig afstand van zijn onderwerp.
Het boek dat Derkx heeft geschreven is zeer rijk. Het bestaat uit drie delen. In het eerste wordt het leven van Pos beschreven, in het tweede staan zijn filosofische geschriften centraal, en tot slot wordt uitgebreid ingegaan op Pos’ betekenis voor het humanisme. Hoewel Derkx, docent aan de Universiteit voor Humanistiek, geen begenadigd schrijver is, is het boek goed te lezen. Wel neemt de auteur geregeld aanlopen die langer zijn dan het te behandelen onderwerp. Ook kan men zich afvragen of de gemaakte indeling nu zo gelukkig is geweest. Vooral in het derde deel komen regelmatig passages voor die meer in het biografische gedeelte op hun plaats waren geweest. Bovendien had een wat compactere samenvatting van Pos’ filosofische denken een prettiger boek opgeleverd. We strompelen nu voort van dissertatie naar artikel naar referaat, zonder dat we het gevoel hebben dat we veel verder komen.
TEGEN S. DRESDEN heeft Pos ooit gezegd dat het hem niet interesseerde of hij honderd jaar na zijn dood nog gelezen zou worden of van invloed zou zijn. Wat telde, was het hier en nu, wat je op dit moment voor mensen kon betekenen. Volgens Derkx was Pos reeds enkele jaren na zijn dood in 1955 zo goed als vergeten. Dat hij als linkse intellectueel in de Koude Oorlog niet populair was, kan hierbij nauwelijks een rol hebben gespeeld - in de jaren zestig werden immers tal van linkse denkers 'herontdekt’. De voornaamste oorzaak ligt vermoedelijk in het feit dat Pos geen systeembouwer was. Zijn denken, waarin aanvankelijk kantiaanse en later marxistische invloeden zeer belangrijk waren, vertoonde weliswaar een behoorlijke samenhang, maar er kan bezwaarlijk worden gesproken van 'de filosofie van Pos’. Voor alles was hij iemand die dialogen voerde, een discussieleider, een brandpunt van meningen en stromingen, iemand die het filosoferen, het zoeken naar de waarheid belangrijker vond dan het voor eens en altijd vastleggen van de waarheid.