Plotten van het huwelijk

Een fijnzinnige kunst

Een tevreden huwelijk – de romanschrijver kijkt wel uit om over die tamme aangelegenheid te schrijven. Liever obstakelliefde en ontrouw dan dat ‘instrument van maatschappelijke ordehandhaving’.

Medium gettyimages 157215401
Elizabeth Taylor en Richard Burton tijdens hun eerste huwelijksfeest in Montreal, Canada, 15 maart 1964 © William Lovelace / Evening Standard / Getty Images

Het verse presidentschap van Donald Trump levert van dag tot dag zoveel politieke opwinding op dat de human interest-kant ervan er een beetje bij inschiet. Wat te denken van zijn huwelijk bijvoorbeeld? Echtgenote Melania Trump heeft tot nu toe geen aanstalten gemaakt om ook maar iets van het takenpakket van de First Lady te aanvaarden. Daaronder valt onder meer het aannemen van personeel, het superviseren van de representatiefuncties in het Witte Huis en het kiezen van een (ongevaarlijke) publieke zaak om zich voor in te zetten – Michelle Obama had lichaamsbeweging. Ze is nog niet eens verhuisd naar Washington. In ieder geval tot de zomer blijft ze in de Trump Tower in New York, formeel om zoontje Barron (10) de gelegenheid te geven zijn schooljaar af te maken, maar mogelijk verhuist ze helemaal niet.

Het valt Melania niet persoonlijk kwalijk te nemen dat ze geen interesse heeft in de taaie aspecten van de rol van presidentsvrouw, tenslotte heeft zij zichzelf niet kandidaat gesteld, of dat ze een paar jaar vakantie neemt van een echtgenoot die misschien niet altijd even makkelijk in de omgang is. Toch werpt haar afzijdigheid vragen op over haar loyaliteit als echtgenote. Het Amerikaanse presidentschap is een duobaan en als Melania weerzin had om de bijbehorende verplichtingen op zich te nemen, had ze haar man ervan moeten weerhouden om te solliciteren. Bovendien draait de belastingbetaler, zoals webmagazine Slate opmerkte, op voor dubbele beveiligingskosten: een miljoen dollar op jaarbasis voor de Trump Tower in New York. In een goed huwelijk sta je samen achter belangrijke beslissingen en duik je niet achteraf weg voor betrokkenheid en verantwoordelijkheid. Apart wonen is dan de makkelijkste manier om geen last van de ander te hebben.

In het onlangs verschenen boek Marriage as a Fine Art, een schriftelijke weergave van een aantal publieke interviews en dialogen van Julia Kristeva en Philippe Sollers over hun vijftigjarige huwelijk, staat op de binnenflap vermeld dat het echtpaar, hoe diep ook met elkaar verbonden, niet samenleeft. Ze delen een liefde voor ideeën, filosofie en psychologie, het intellectuele discours en voor elkaar. Een liefde die al meer dan vijftig jaar duurt en die gestalte krijgt in een voortdurende conversatie. Een intrigerend concept, want beroemde liefdesparen zijn nooit getrouwd. En als ze het wel zijn, zoals Elizabeth Taylor en Richard Burton, of Brad Pitt en Angelina Jolie, of Marilyn Monroe en Arthur Miller, explodeert hun verbintenis na kortere of langere tijd in echtscheiding. Het begrip huwelijk en het begrip liefde laten zich slecht verenigen. Liefde streeft uit alle macht naar eeuwig samenzijn oftewel naar het huwelijk, maar het huwelijk doodt de liefde, een wurgende paradox.

Abélard en Heloïse zouden nooit tot de verbeelding hebben gesproken als ze, omringd door vertederde familie, elkaar het jawoord hadden gegeven en de rest van hun leven vredig in een comfortabel huis hadden samengewoond. Het zijn juist de obstakels die ze ondervonden, de onverhoedse zwangerschap, het geheime huwelijk, de castratiemaatregel in opdracht van de wrede oom en de gedwongen aftocht van de geliefden naar het klooster die de relatie terugsnoeiden tot het niveau van levenslange correspondentie, maar daarmee de liefde wel vereeuwigden. Liefde die gepaard gaat met obstakels is brandend, verheven, avontuurlijk en subversief.

Vergeleken daarbij is het huwelijk maar een tamme aangelegenheid. Emma Bovary probeerde aan de verveling te ontsnappen door afspraakjes met minnaars en waande zich aldus de heldin van een groots en meeslepend leven. Flaubert ironiseert Emma’s geëxalteerde gevoelens, maar de tegenstelling tussen romantische liefde en het huwelijk wordt daardoor niet opgeheven.

Sinds mensenheugenis fungeert het huwelijk als instrument van maatschappelijke ordehandhaving. Seksuele driften en lusten werden erin gekanaliseerd (Mary Wollstonecraft sprak cynisch over het huwelijk als legale prostitutie), disputen over eigendomsaanspraak beslecht, erfenissen veiliggesteld en niet in de laatste plaats bood het huwelijk kinderen een veilige omgeving om in op te groeien. Zonder een instituut als het huwelijk wordt een maatschappij een strijd van allen tegen allen, waarin vrouwen het afleggen tegen de prooizucht van mannen en waarin kinderen weinig kans hebben om te overleven.

Historisch gezien zijn de ordebewakingsfuncties van het huwelijk veel belangrijker dan die van mengvat voor borrelende liefde. Zo belangrijk dat de beslissing om te trouwen niet overgelaten werd aan betrokkenen zelf, maar dat ouders een partner voor hun kinderen kozen dan wel een eigen voorkeur van het kind formeel moesten fiatteren. Het autonome huwelijk aangegaan uit liefde is een betrekkelijk recent fenomeen van zo’n anderhalve eeuw oud. In veel Aziatische landen, China en vooral India, en in moslimlanden is het onder patriarchale jurisdictie gearrangeerde huwelijk nog springlevend. Het moderne, westerse huwelijk met wederzijdse liefde als springplank wordt in niet-westerse culturen trouwens wel als begeerlijk beschouwd, althans door jongeren die zich in hun vrijheid beknot voelen.

Er zijn er ook velen die het prima vinden dat ouders zich hiermee bemoeien. Door ouders gearrangeerde huwelijken, waarbij kinderen vetorecht hebben en dus wel enige mate van vrijheid, vertonen lagere echtscheidingscijfers dan liefdeshuwelijken. Dit hoeft natuurlijk niet te liggen aan het gegeven van gearrangeerd zijn – het kan ook te maken hebben met het taboe op en de praktische onmogelijkheid van echtscheiding in bepaalde niet-westerse culturen.

Hoe verschillend het uitgangspunt bij deze twee huwelijksvormen ook mag zijn, als de verbintenis standhoudt, maakt het na verloop van tijd voor de beleving ervan niets meer uit en zijn partners in een gearrangeerd huwelijk even tevreden met elkaar als partners in een liefdeshuwelijk. In The Namesake van Jhumpa Lahiri staat een mooi voorbeeld hiervan: de uit India afkomstige ouders van de hoofdpersoon, wier huwelijk werd bedisseld door hun families, moesten aanvankelijk hevig aan elkaar wennen, maar de genegenheid ontwikkelde zich vanzelf in de loop der jaren. Je kunt je afvragen waarom liefde eigenlijk noodzakelijk wordt geacht voor een geslaagde match, als het blijkbaar ook kan op rationele gronden die makkelijker bij elkaar te plussen en te minnen zijn.

Het woord liefde is te grofmazig om deze kwestie te lijf te gaan. Julia Kristeva haalt in dit verband de Franse schrijfster Colette aan die opmerkte dat ‘amour’ een woord zonder verbuigingen is: ‘Alsof je alleen het woord “viezigheid” ter beschikking hebt om elke negatieve ervaring mee aan te duiden.’ Liefde is een containerbegrip, waarin alle mooie gevoelens die mensen voor elkaar koesteren een plaatsje kunnen vinden. Romantisch verzengende liefde, moederliefde, vaderliefde, de liefde van kinderen voor hun ouders, liefde voor de mensheid, huisdieren en auto’s, liefde voor haute cuisine, de marathon en het vaderland, verboden liefde, eenzijdige liefde, ongelukkige liefde en natuurlijk de getrouwde liefde. Ongelijksoortiger kun je het niet bij elkaar krijgen.

Over de fijnzinnige kunst van het huwelijk heeft het echtpaar Sollers-Kristeva trouwens weinig bijzonders te melden. Teleurstellend genoeg weiden ze niet uit over dagelijkse strubbelingen of persoonlijke details, ook omdat ze beiden dedain aan de dag leggen voor het genre memoir. Dat vinden ze platvloers. Ze zijn meer geïnteresseerd in postmoderne filosofie en psychoanalyse. Gevraagd hoe het komt dat zij het al zo lang met elkaar uithouden, iets wat binnen het vrijgevochten Parijse milieu van radicale intellectuelen en filosofen opmerkelijk mag heten, noemen zij financiële onafhankelijkheid, apart wonen en de liefde voor hun zoon.

Liefde streeft naar eeuwig samenzijn oftewel naar het huwelijk, maar het huwelijk doodt de liefde, een wurgende paradox

Ieder een eigen huis erop nahouden komt zo weinig voor binnen het instituut huwelijk dat het de vraag is of die niet-samenlevingsvorm nog wel de naam ‘huwelijk’ mag dragen. Er is nauwelijks verschil tussen apart wonende getrouwden en twee langdurig goede vrienden of gescheiden huwelijkspartners die elkaar nog steeds een warm hart toedragen. Een gemeenschappelijk thuisadres is toch wel de minimumvoorwaarde om een relatie een huwelijk te noemen. Ongetrouwd samenwonen (hokken) zit dichter bij een huwelijk dan getrouwd apart wonen en elkaar alleen op afspraak zien.

Voor dat laatste is veel geld nodig. Twee huishoudens zijn duurder dan één en ook al wordt financiële onafhankelijkheid voor iedereen noodzakelijk geacht, in de praktijk bundelt een getrouwd stel zijn financiële krachten om samen een huis te kopen, dat ze op hun eentje niet zouden kunnen bekostigen en ook niet nodig zouden hebben. De stelling van Sollers en Kristeva komt er op neer dat een huwelijk meer overlevingskansen heeft als de deelnemers rijk zijn. Een betrekkelijk nutteloze gemeenplaats, want met geld kun je uit alle problemen de angel trekken. Privacy is te koop. Rijke mensen hoeven niet te scheiden, als ze daar om wat voor reden ook bezwaar tegen hebben. Ze bezitten meerdere huizen om zich in af te zonderen of hun huizen zijn zo groot dat ze gescheiden slaapkamers inrichten of aparte vleugels kunnen bewonen. Ze hebben hun eigen bezigheden, privé-vrienden en gaan apart met vakantie. Alleen bij formele gelegenheden treden ze als echtpaar op.

Niet dat Sollers en Kristeva zo’n uitgekleed en per implicatie liefdeloos huwelijk hebben – ze zijn overduidelijk dol op elkaar en erg aan elkaar gehecht – maar in het samenspel van factoren die bijdragen tot huwelijkstevredenheid lijkt de rol van financiële onafhankelijkheid niet zo belangrijk. Er zijn te veel voorbeelden van geslaagde huwelijken tussen financieel incompatibele partners. Financiële afhankelijkheid wordt pas een probleem bij scheiding, als de vrouw (meestal gaat het om vrouwen) niet voor zichzelf in een adequaat inkomen kan voorzien. Maar zolang huwelijkspartners naar tevredenheid meeliften op elkaars inbreng is er niets aan de hand.

Over zo’n traditioneel huwelijk met een scherp afgebakende taakverdeling schrijft Evan Connell in zijn roman Mrs Bridge (1959). Tien jaar later schreef hij over hetzelfde echtpaar ook nog de mannelijke pendant, Mr Bridge, maar het eerste boek met de vrouw in het middelpunt is verreweg het beklemmendste. Van een plot is geen sprake, het boek is een serie vignetten van kleine, onbelangrijke gebeurtenissen in het leven van een redelijk gefortuneerde (dienstmeid is voorhanden) huisvrouw en -moeder in Amerika jaren dertig. Mr Bridge gaat naar zijn werk, Mrs Bridge doet haar eigen dingetjes met de kinderen, vriendinnen, winkelen, hobby’s. Veel raakpunten zijn er niet tussen de twee echtelieden. Onenigheid en ruzie trouwens ook niet. Daarvoor zijn beiden te goed opgevoed en te rustig van natuur. Ze slikken elkaars eigenaardigheden.

Verveling slaat de lezer tegemoet, maar pijnlijk genoeg zijn de hoofdpersonen zich daar niet van bewust. Ze doen gewoon hun best met hun dagelijkse taken. Wanneer Mrs Bridge psychoanalyse overweegt, omdat een vriendin daar enthousiast over is, denk je: ‘Mens, ga in hemelsnaam op die divan liggen, misschien word je eindelijk wakker!’ maar natuurlijk doet haar man dat idee af als modieuze onzin, niets voor ons soort mensen, zodat er niets van terechtkomt. Zo suddert hun huwelijk jarenlang door zonder crisis, catastrofe of loutering. En toch waren ze gelukkig, althans niet ongelukkig.

Diametraal tegenover de intense saaiheid van het Bridge-huwelijk staat de agressieve opwinding van het echtpaar George en Martha in Edward Albee’s Who’s Afraid of Virginia Woolf?, dat geen kans voorbij laat gaan om op elkaar in te hakken. Ze zijn gevangen in een spiraal van wederzijdse destructiedrift en tegelijk emotioneel te zeer aan elkaar verklonken om tabee te zeggen. De hel van verbaal geweld is misschien toch wel een graadje erger dan de hel van de saaiheid.

Medium hh 60106609
Melania en Donald Trump bij de Republikeinse Conventie in Cleveland, Ohio, 2016 © Mark Peterson / Redux Pictures / HH

Het is nog tamelijk lastig om in de literatuur voorbeelden te vinden van huwelijken die tussen bovengenoemde extremen in zitten. Waar praten gemiddeld gelukkige stellen over? Ze nemen agenda’s door, vertellen wat ze meegemaakt hebben, herhalen zichzelf eindeloos, bakkeleien, maken grapjes en roddelen over andere mensen. Net zoals vrienden eigenlijk. De dynamiek van de roman vereist dat een huwelijk naar de ene of de andere pool tendeert. Tolstoj schreef dat alle gelukkige gezinnen op elkaar lijken, waarmee hij impliceert dat het huwelijk geen geschikt onderwerp is om over te schrijven – te saai. De observatie klopt in zoverre dat mensen in een gelukkig (prettig, harmonieus, liefdevol of welk positief getint adjectief dan ook) huwelijk geneigd zijn een ondoordringbaar front te vormen tegenover de buitenwereld. Een stel spreekt als het ware met één stem.

Philippe Sollers spreekt in dit verband van de ‘mystique asociale’ van het stel (waar hij en zijn geliefde natuurlijk geen last van hebben). Ze zitten naast elkaar en hebben het verschrikkelijk goed met elkaar getroffen. Je vraagt iets aan de een en de ander antwoordt. Ze hebben het niet over ‘ik’ maar over ‘wij’. Als je iets in vertrouwen tegen de een zegt, weet je zeker dat het aan de ander wordt doorverteld. Ze spreken elkaar niet met hun naam aan maar met koosnaampjes. Hun zelfgenoegzame intimiteit wekt irritatie.

Op stelletjesgedrag van verliefden in gezelschap, zoals openlijke liefkozingen en met elkaar fluisteren, ligt van oudsher een taboe, dat evenzeer gold voor echtparen. De enige toegestane manier om het getrouwd zijn te demonstreren was om gearmd over straat te lopen. In gezelschappen werden echtparen geacht niet naast elkaar aan tafel te zitten, niet met elkaar in discussie te gaan, geen tekenen van affectie uit te wisselen, kortom zich zo min mogelijk met elkaar te bemoeien. Alles om te voorkomen dat anderen zich buitengesloten voelden. De sentimentele Amerikaanse gewoonte van echtparen om hand in hand te zitten, terwijl ze in tv-talkshows over iets persoonlijks worden geïnterviewd, zou in vroeger tijden minachting en weerzin wekken. Nog steeds kijkt men in bourgeoiskringen, waar de emotionele kaarten liefst dicht tegen de borst worden gehouden, met een scheef oog naar echtparen die intimiteiten etaleren.

Consequentie van het gedwongen één front vormen is dat in het gefuseerde tweetal een van de twee zijn verbale persona verliest. Hoewel er ook huwelijken zijn waar de vrouw de toon zet en als woordvoerder optreedt, is zij het toch vaak die haar stem moet inleveren. Een treffend voorbeeld hiervan is Joop ter Heul, die na het huwelijk met de door haar aanbeden Leo van Dil tot een schim van haar vroegere zelf wordt gereduceerd, een vrolijke, onbezonnen flapuit die lak had aan de fatsoensregeltjes van haar milieu. Het huwelijk werkt beschavend en homogeniserend, niet alleen voor jonge mannen die niet willen deugen, maar ook voor springerige meisjes.

Wat gebroken is kan worden gerepareerd met extra eerlijkheid, motievenonderzoek en veel praten. ‘Liefde is een werkwoord!’

Hetzelfde effect, maar dan nog tien keer zo verwoestend, kan worden aangetroffen in Death Comes to Pemberley van detectiveschrijfster P.D. James, een sequel van Pride and Prejudice, waarin Elizabeth, née Bennett, en Mr Darcy zes jaar na aanvang van hun, vanzelfsprekend buitengewoon gelukkige, huwelijk een moord moeten oplossen. Het uitgangspunt van deze rip-off van Jane Austens klassieker slaat nergens op (al hoeft dat niet te verbazen na de publicatie van Pride and Prejudice and Zombies), maar het ergste is dat Elizabeth haar geestigheid, voortvarendheid en vooral haar onafhankelijke stem is kwijtgeraakt. De lezer hoort haar het hele boek niet. De actie en het gepraat komen van Darcy, terwijl zijn vrouw instemmend mee zoemt, haar man tot voorzichtigheid maant en zorgzame kopjes thee inschenkt. Als het niet zo krankzinnig was, zou je het een aantasting van Jane Austens literaire nalatenschap kunnen noemen.

Die ene stem, dat gezamenlijke front tegen de buitenwereld, die ridicule osmose van twee individuen – het is even vervelend om aan te zien als om over te lezen. Geen wonder dat schrijvers wegblijven van deze inerte materie. Een gelukkig huwelijk is een zwart gat dat zijn omgeving verzwelgt. Liever steken schrijvers hun energie in de aanloop naar het huwelijk, want dan kan het tenminste gaan over aansprekende onderwerpen als tragische obstakelliefde en seks. De vraag ‘krijgen ze elkaar of krijgen ze elkaar niet?’ is traditioneel een van de sterkste plotaandrijvers, vanaf de romantische hoofse liefde voor de onbereikbare jonkvrouw tot en met de veredelde boeketreeksroman Vijftig tinten grijs vol stomende sm-seks.

In de roman The Marriage Plot van Jeffrey Eugenides komt zijdelings de vraag aan de orde of deze oerplot, waaraan het boek zijn titel ontleent, niet passé is, omdat er in deze tijd zo weinig op het spel staat vergeleken met negentiende-eeuwse klassieke liefdesromans als Jane Eyre en Wuthering Heights. In de boeken van Jane Austen, die wordt beschouwd als de grondlegger van de marriage plot, draait het altijd om de vraag welke huwelijkspartner geschikt is voor de hoofdpersoon, waarbij rationele overwegingen (geld, een comfortabel leven) even belangrijk zijn als ware liefde (een diep gevoel van wederzijds begrip). De keus met wie te trouwen was voor een vrouw van levensbelang, omdat haar verdere leven daarvan afhing. Als een vrouw mistastte was ze veroordeeld tot levenslange ellende. Tegenwoordig hebben de seksen vrijelijk toegang tot elkaar, iedereen kan naar hartenlust experimenteren met liefde en seks en als huwelijken verzuren, kan er gescheiden worden.

De angst dat de marriage plot niet meer interessant zou zijn is ongegrond om twee redenen: de aanhoudende asymmetrie tussen mannen en vrouwen in liefdesaangelegenheden en het even permanente fenomeen ontrouw. In de roman The Love Affairs of Nathaniel P. van Adelle Waldman wordt die asymmetrie even subtiel als pijnlijk verbeeld. Het ‘krijgen ze elkaar, ja of nee’-verhaal, deze keer vanuit mannelijk perspectief, is ingebed in een comedy of manners over man-vrouwverhoudingen. Nate, een aankomend schrijver in Brooklyn, tevens verwaande kwast, noemt zichzelf een postfeminist. Zijn politiek correcte, egalitaire waarden zijn hem bijgebracht tijdens zijn studie aan een liberal college. Met Hannah, slim, ambitieus, aantrekkelijk, zij het niet supermooi, knoopt hij een veelbelovende relatie aan, die toch vanaf het begin lijdt onder minimale strubbelingen. Ze doen allebei hun best om niet de prototypische man (onempathisch haantje) te zijn, c.q. niet de prototypische (naar ware liefde hunkerende) vrouw, maar er zit geen muziek in. Juist vanwege de moeite en omzichtigheid die ze betrachten natuurlijk. Terwijl de premisse luidt dat die twee voor elkaar bestemd zijn en de obstakels op de keper beschouwd minimaal zijn, loopt de relatie steeds verder in de soep.

Uiteindelijk stort Nate zich in de armen van een vrouw die in alles het tegendeel is van Hannah: luidruchtig sexy, een beetje platvloers, wel slim maar niet intellectueel slim. De moraal is niet dat mannen met een feministisch mombakkes slecht relatiemateriaal zijn, maar dat het zonder de bereidheid tot overgave, oftewel het afzetten van het vizier, niet lukt om iemand te krijgen. Mannen vallen om te beginnen op jeugd en uiterlijke schoonheid en pas in tweede instantie op karaktereigenschappen of goed kunnen praten met iemand. Voor vrouwen is de kwaliteit van de communicatie het belangrijkste onderdeel van iemands aantrekkelijkheid. Het zijn relatieve verschillen, maar wel hardnekkig. Daarnaast hebben vrouwen een ander perspectief op seks en voortplanting dan mannen. Er is meer haast wegens de eindigheid van de vrouwelijke vruchtbaarheid, de beslissing voor seks is pregnanter en ondanks alle beschikbare anticonceptie minder vrijblijvend dan voor mannen.

In het huwelijk gaan seks en liefde een dwingend verbond met elkaar aan. Eeuwenlang werd de druk die dit opleverde van de ketel gehaald door het toepassen van de dubbele moraal. Mannen wierpen zich op dienstmeisjes of zochten soelaas buiten de deur bij prostituees of maîtresses, terwijl hun echtgenotes van niets wisten of oogjes toeknepen. Vrouwen die zich aan ontrouw waagden werden veel scherper veroordeeld. De verklaring is logisch: mannen van ontrouwe echtgenotes liepen het gevaar om als gehoornde door het leven te gaan en voor koekoekskinderen te moeten zorgen, terwijl een buitenechtelijk kind een probleem voor de gevallen vrouw was en niet noodzakelijk voor de verwekker.

Het feminisme heeft met de gelijkberechtiging van vrouwen en hun economische onafhankelijkheid ook een eind gemaakt aan de dubbele moraal. Formeel gesproken tenminste – informeel is de dubbele moraal, net als veel andere politiek incorrecte noties, verre van uitgestorven getuige het frequente gebruik van het scheldwoord ‘slet’ om vrouwen te denigreren, opmerkelijk genoeg juist ook door vrouwen onderling.

Zoals obstakels werken voor de romantische liefde, zo werkt ontrouw voor het huwelijk: de driehoek brengt onmiddellijk leven in de brouwerij. Geldconflicten, ruzie over de kinderen, ziekte, botsende karakters, van al het mogelijke onheil waar een huwelijk mee te maken kan krijgen spreekt ontrouw het meest tot de verbeelding, omdat het een kwestie van zelfbeschikking is en geen noodlot dat out of the blue toeslaat. Ontrouw is het ultieme argument pro het bestaan van de vrije wil. De trouweloze had immers ook nee kunnen zeggen, al was er dan geen verhaal geweest. Elk huwelijk loopt in theorie de kans, hoe minimaal ook, om met ontrouw in aanraking te komen. Wanneer dit gebeurt, en bijna alle romans over matig gelukkige huwelijken raken aan het motief van de driehoek, kristalliseert de marriage plot zich opnieuw en wel in verdubbelde vorm: krijgen ze elkaar of houden ze elkaar?

In John Updike’s tetralogie over Rabbit krijgt het decennialange huwelijk van Rabbit en Janice verschillende ontrouwaanslagen te verduren, uitgevoerd door beide echtelieden – toch blijft het in stand. Een mooi, recent voorbeeld van de verdubbelde marriage plot is Jay McInerney’s roman Bright, Precious Days, het derde boek over het New Yorkse echtpaar Russell en Corinne. Ook hier knaagt ontrouw aan de fundamenten van een alliantie waar verder weinig mis mee is, al worstelt het stel met geldzorgen, lastige familie en seks. Heel knap hoe McInerney de geoliede routines van het huwelijk beschrijft zonder te vervallen in het opgelegd pandoer van de saaiheid. Zo kwaad is het nog niet, het voeren van de huwelijkse staat. Tot het bedrog uitkomt natuurlijk en alles verloren lijkt.

Philippe Sollers lost het conflict tussen huwelijkstrouw en opdoemende verliefdheden op met de beproefde negentiende-eeuwse don’t ask, don’t tell-strategie – Kristeva gelooft niet in geheimhouding en vindt jaloezie een symptoom van narcisme. De lezer denkt dan: Sollers had avontuurtjes, Kristeva had het daar te druk voor, en wie apart woont kan sowieso zijn gang gaan.

Voor gewone stellen die hun dagelijkse leven delen is dergelijke compartimentalisatie niet te doen, omdat het te veel vraagt aan omzichtigheid en gereserveerdheid. Een ontrouwcrisis leidt dan ook vaak tot uit elkaar gaan. Het alternatief voor echtscheiding is om de kwestie te therapeutiseren. Wat gebroken is kan worden gerepareerd met extra eerlijkheid, motievenonderzoek en heel veel praten. ‘Liefde is een werkwoord!’ houden relatietherapeuten hun ontredderde cliënten voor. Maar werken doe je bij mijn weten op het werk, terwijl in de liefde (niet alleen in de romantische, maar ook in de getrouwde variant) de dingen toch vanzelf zouden moeten gaan. Werken aan je relatie is als afdalen in de zoutmijnen, schreef Laura Kipnis in haar boek Against Love.

McInerney vermeed zowel de simpele echtscheidingsoplossing (plotgewijs te vergelijken met de tragische dood van een of beide romantische geliefdes) als de therapeutische uitweg met de bijbehorende even vervelende als zinloze zelfexplicatie. Hij laat Russell en Corinne innerlijk hun eigen probleem verteren, waardoor ze na verloop van tijd toch weer nader tot elkaar komen. Het gaat niet om vergeven en vergeten, geen van die twee is relevant, het komt meer in de buurt van slikken en verstouwen. Bijna even spannend als de liefde van Lancelot en Guinevere. In de handen van een schrijver als Jay McInerney is een huwelijk niet saai.