Een film waarvoor ‘tip’ een understatement is, Philip Glass geportretteerd en meer tips van onze critici

Onze critici verzorgen wekelijks een selectie uit het kunstaanbod. Deze week onder meer: de langverwachte vierde Mad Max grossiert in eigenaardigheid en op televisie portretten van twee zeer verschillende musici.

Medium tv1looking4poetry

Televisie – Walter van der Kooi

_ Philip Glass: On the Road -_ Close Up, AvroTros, donderdag 21 mei, NPO 2, 23.00 uur

Nederlands(!) portret van een Amerikaanse componist die met zijn ‘minimal music’ een nog altijd groeiend publiek bereikt, mede door aanwas onder jongeren. En die ook aanhang vindt buiten de wereld van de ‘klassieke’ muziek. Bejaard maar onvermoeibaar werkend en reizend. De makers volgden hem een jaar. Zijn opera Einstein on the Beach, onder regie van Bob Wilson, was in 1976 een geweldige ervaring en bleek dat bij reprise in 2013 (Muziektheater) nog steeds (al was daar het geluid gewoon te hard). Glass is bejubeld en omstreden, zoals trouwens ook Steve Reich en andere minimal-componisten. Een must voor liefhebber en hater.

_ Ja, dat was høken: 40 joar Normaal -_ VPRO, 1Doc, woensdag 27 mei, NPO1, 21.25 uur

For something completely different. Het publiek van Normaal hecht aan traditie. Dus opent het optreden met hun volkslied: ‘Vrouw Haverkamp, wat heb je mooie tieten.’ Waarbij de mannen het hoofd, de vrouwen ‘het gehele bovenlijf’ dienen te ontbloten – twee dames vooraan gehoorzamen gretig en trots. De oude rockers gaan voor en hun zang is lager en trager dan in de plots er doorheen gesneden concertopname van decennia geleden. ‘Eindigheid’ wordt hoor- en zichtbaar. Dan een enorme sprong terug in de tijd: een bloedjonge Bennie Jolink, in modieuze hippie-outfit, geeft uitleg over de Stichting Esthetische Accomodatie die de wereld fraaier en kleuriger moet maken. Hij is er president-directeur-generaal van. ‘Wat vindt het publiek?’ vraagt de interviewer. ‘Hier in het oosten veroordelen ze het, snappen ze het niet, vinden ze het belachelijk.’ Daar benoemt deze Achterhoekse kunststudent, woonachtig in Enschede, dus de kloof tussen hem en ‘de provincie’. (Dat Jolink zelfs in Amsterdam gewoond en gewerkt heeft vind je niet terug in zijn Wikipedia-lemma.)

Maar plots is er in dat jonge leven de omslag van de ‘verwesterde’ Saulus naar Hummelose Paulus. Letterlijk met een terugverhuizing naar de geboortegrond, figuurlijk met de stap om met een beginnend bandje niet Engels maar Nedersaksisch te zingen. Hun debuut op het popfestival in Lochem in 1975 is een sensatie. Door dialect en het onderwerp van hun eersteling: moeizaam schijten en gruwelijke stank. Dichter bij de grond kon het niet. ‘Doe normaal’ – anti-esthetisch statement dat veertig jaar geldig bleef. De vroege Jolink-interviewer was trouwens kunstcollega en -vriend Frank Wiering, die nu een mooie film maakte over deze culturele aanvoerders van de anti-Randstadbeweging met haar curieuze mix van trots en minderwaardigheidsgevoel (althans, bij het publiek). Deels reünie, deels geschiedschrijving, deels reportage over de laatste twee jaar. Met als spil uiteraard Jolink, gekrompen en kromgetrokken, en zozeer snakkend naar adem dat 2015 het jaar van de laatste tournee is. Nog altijd geeft hij af op de stadsmens die ‘assertief’ noemt wat ze op het land ‘onbeschoft, egoïstisch, brutaal en opschepperig’ noemen. Om daar een behoorlijk onbeschofte, brutale en opschepperige underdogcultuur tegenover te stellen: ‘Ik ben maar een gewone boerenlul.’

De eindigheid wordt letterlijk als voormalig drummer Jan Manschot zwaar ziek bij de reünie betrokken wordt, wankelend nog aan een optreden meedoet en een ovationeel applaus oogst (‘kippenvel, kippenvel’). Zijn overlijden wordt door de familie indrukwekkend ‘gevierd’: aards, maar ver van het wilde høken. Trots vertelt een zoon hoe teleurgesteld schoolvriendjes waren als het bij hem thuis geen bierkratten-teringbende bleek te zijn; en dat er klassieke muziek klonk! Ach ja, Normaal is en was zowel echt als spel. De film is een kritische ode aan zowel Jolink als zijn beweging. Want de roem steeg ook deze ‘eenvoudige’ helden naar het hoofd en ego’s botsten en botsen soms kleinzielig.

Film – Gawie Keyser

Mad Max: Fury Road

Medium film1

Tussen het originele Mad Max en Mad Max: Fury Road, de langverwachte vierde film in de serie, zit meer dan dertig jaar. Maar in de nieuwe film echoot de psychologie van personage en setting uit de eerste film hard na. Om maar iets te noemen: luttele minuten voor zijn gewelddadige dood tijdens zijn tweestrijd op het asfalt met Max Rockatansky, jonge surveillant van de politiemacht Main Force Patrol, schreeuwt de Night Rider in de openingsscène van Mad Max (1979): ‘Do you see me, Toecutter? Do you see me!’ Toecutter is hoofd van de gewelddadige bende waar de Night Rider, gespeeld door Hugh Keays-Byrne, lid van is.

Dan over naar de nieuwe film: dezelfde acteur is haast onherkenbaar te zien als Immortan Joe, heerser van een stam geregeerd door een leger van ‘War Boys’. Dat zijn jonge mutanten die graag sterven om ‘Walhalla’ te bereiken, en wel terwijl ze schreeuwen: ‘Witness me!’

Net als de eerste film treft Fury Road je onverwacht. Dat komt door de intensiteit van het spektakel; zelden is cinematografische actie zo naakt en hard, maar ook operatesk en absurdistisch, in beeld gebracht. En tegelijkertijd op zo’n onbekende wijze. Want vrijwel alles wat je ziet lijkt wel origineel. Dat is tamelijk uniek en dat maakt Fury Road tot een ontnuchterende kijkervaring. Houvast is er niet, ook al probeert men nog zo vaak alle Mad Max-films, gemaakt door de Australiër George Miller, in termen van genre of andere gietvormen te duiden, waarbij de usual suspects zijn: het post-apocalyptische verhaal, de western, de reis van de held, of Joseph Campbells mono-mythe of, het meest onbeholpen, ‘sciencefiction’. Hoe ik ook mijn best doe – genre kan inzicht bieden in hoe dit soort films werkt – veel vergelijkingsmateriaal voor Millers films kan ik niet vinden. Met name de eerste en de laatste film zijn volstrekt origineel in vorm en inhoud. En dat komt in de populaire cinema, die juist bestaat bij de gratie van voorkennis, referentie en verwachting, nauwelijks voor.

Max verliest vrouw en kind in de eerste film, ze zijn vermoord door de bende van Toecutter en de Night Rider. Na een niet nader omschreven, catastrofaal event is Max gedoemd tot het dolen door het Woestland waar eerst bendes en daarna hele stammen onder bewind staan van maniakken als Immortan Joe. Inzet van de strijd zijn hulpbronnen: olie, water en op bizarre wijze in Fury Road: melk afkomstig van het menselijk lichaam.

Misschien passen de vier films, naast de eerste en de laatste ook The Road Warrior (1981) en Beyond Thunderdome (1985), nog het beste in een kader gecreëerd door een mysterieus citaat aan het einde van Fury Road: ‘ __Where must we go, we who wander this wasteland, in search of our better selves._ ’_ Dat komt zogenaamd uit The First History of Man, maar zo’n boek bestaat niet in onze wereld. Millers tetralogie vertelt een universeel verhaal: de mens op zoek naar verlossing. Maar hoe dat verhaal er uitziet hebben we nog niet eerder gezien.

Fury Road heb ik een keer bekeken, en de film is daarna in mijn hoofd blijven zitten, net als dertig jaar geleden Mad Max. Ik ga snel weer. Het is zelden of nooit voorgekomen dat ik een film binnen een paar dagen nog een keer ga bekijken. Beter gezegd: móet gaan bekijken. Dit is een film om van te houden, om bang van te worden, juist omdat het zo vreemd is. Een ‘tip’ is nog zacht gesteld.

Nu te zien


Beeld: (1) Philip Glass in Parijs, 2008 (looking4poetry / flickr.com); (2) Charlize Theron als Imperator Furiosa in Mad Max.