Een filmpje op sabbat

In de jaren vijftig trokken Wim en Lia van Leer met een stapeltje films van kibboets naar kibboets. Daaruit ontstonden het Israelische Filmarchief en de Cinematheek op de Hebronberg in Jeruzalem. Tussen Oost en West. Letterlijk.
JERUZALEM - Het terras van cafe-restaurant Cacao, voorheen Liv Ullmannrestaurant, is een van de grootste attracties van het Israelische Filmarchief annex Cinematheek van Jeruzalem. Ook in 1995, nu de stad zich lijkt op te maken voor een mondainer soort toerisme en de cafes en eethuisjes als paddestoelen uit de grond schieten, staat Cacao op eenzame hoogte. De bediening is zowaar attent, maar zonder het Amerikaanse geslijm dat elders opgang maakt. En de bezoekers schreeuwen niet, maar converseren. Er zitten zelfs mensen te lezen.

Maar elke oase van rust is fragiel in Jezuzalem. ‘Mag ik even met je praten?’ De man van middelbare leeftijd die naar mijn tafeltje komt, doet in gebroken Engels ongemeen opgewonden. Ik geef hem drie minuten en steek een sigaret op. 'Oh no, don’t!’ schreeuwt hij en probeert de sigaret te grijpen. Op bezwerende toon: 'Die man in Rusland, met zijn fatale ogen… begrijp je waar ik heen wil?’ 'Raspoetin’, gok ik. Hij slaakt een tevreden zucht, kijkt me dan weer aan alsof ik behekst ben en vervolgt: 'Begrijp me goed, ik heb niks tegen het feminisme, maar…’ De drie minuten zijn om, en ik verjaag hem. Het meisje van de bediening lacht. Zulke typen komen hier dagelijks, zegt ze en gebaart in de richting van Oud-Jeruzalem. 'Cacao biedt immers een fantastisch uitzicht op The Temple of Doom.’
Tussen de oude stad en de heuvel waartegen het Filmmuseum van Jeruzalem is gebouwd, bevindt zich een uitgestrekte vallei. Dit niemandsland tussen de Oude en de Nieuwe Stad ligt er doorgaans verlaten bij. Deze week, begin oktober, wordt echter 'Jeruzalem 3000’ gevierd - honderden affiches en vlaggen vertellen het. En ook vindt nu de jaarlijkse vakantiepelgrimage van de Israelische jeugd naar de Heilige Stad plaats. Hele kolonies joodse schoolkinderen worden in de vallei losgelaten. Ze maken zingend en juichend een rondgang om de Oude Stad, zwaaiend met vlaggen, een enkeling met een geweer.
Elk zichzelf respecterend terras heeft deze dagen een loofhut, en nagenoeg elk Jeruzalems balkon is er een. Op het terras van het Jeruzalem Filmcentrum ontbreekt het bouwsel met loofdak. Dat heeft ongetwijfeld te maken met een hoofddoel van de instelling: 'Het Filmcentrum biedt een gemeenschapsruimte waar Jeruzalems gevarieerde bevolkingsgroepen elkaar kunnen ontmoeten en wederzijds begrip kunnen ontwikkelen.’
Amy Kronish komt het terras op. Ze er sinds 1979 conservatrice van het Centrum, dat huisvesting biedt aan Israels nationale filmarchief en aan de Cinematheek. Kronish, naar aanleiding van de kinderkruistocht in het dal: 'Wij proberen veel voor de jeugd te doen. Zelfs voordat het vredesproces van start ging, kregen we al geld van de regering voor speciale programma’s ten bate van de Arabische kinderen uit Oost-Jeruzalem. Die komen hierheen - ja nog steeds. Helaas niet tegelijk met de Westjeruzalemse jeugd, maar dat heeft een praktische oorzaak: ze spreken immers verschillende talen. De volwassenen vermengen zich wel.’
Even later brengt ze enige nuances aan: 'Coexistentie is op dit moment niet erg en vogue. De Arabieren komen niet graag naar West-Jeruzalem. Ze vinden dat er programma’s in hun wijken moeten worden georganiseerd. En ergens hebben ze gelijk. Bij hen gebeurt niets; er is meen ik geen bioscoop meer open in Oost-Jeruzalem. En al waren ze het wel, dan kreeg men er vergelijkbare commerciele films te zien als in de overige acht zalen aan deze kant. De orthodoxe joden komen alleen naar ons toe wanneer er films in het Jiddisch draaien, zoals sommige Poolse films uit de jaren dertig. Tevya, een Fiddler on the Roof-verfilming uit 1933, is zeer bij hen in trek. Natuurlijk spreken ze wel Hebreeuws, maar in de film willen ze dat niet horen.’
OP HET POPULAIRE jaarlijkse Filmfestival van de Cinematheek was de Palestijnse film Curfew te zien, een co-produktie met Nederland uit 1993 die de beslommeringen in de bezette Gazastrook toont. Amy Kronish: 'De regisseur, Rashid Masharawi, weigert Curfew een Israelische film te noemen. Terwijl hij in Tel Aviv woont en deel uitmaakt van de gevestigde filmindustrie. De crew van de film bestond bijna geheel uit Israeli’s. Er bestaat geen Arabische filmindustrie in dit land. Masharawi gebruikt ons politiek - precies wat we niet willen. We geven hem een podium voor zijn films, en vervolgens gaat hij rondschreeuwen dat zijn Arabische vrienden geen kansen krijgen. Dat is heel onprettig voor ons. We doen veel moeite om filmmakers uit de buurlanden uit te nodigen op ons festival. Dat lukt altijd, via een speciaal verzoek aan de minister van Buitenlandse Zaken. Maar de meeste van die filmmakers willen niet komen.’
Sinds 1981 zetelen Filmarchief en Cinematheek in het fraaie, opgeknapte gebouw aan de Hebronweg, tegen de heuvel. Vanaf de straatkant lijken de filmzalen onder de grond te liggen. Na de gebruikelijke fouillering door een oude portier kan worden afgedaald naar de wonderen der cinema. Zo'n vier films per dag worden er vertoond. Deze maand staat een Antonioni-retrospectief op het programma, de IJslandse cinema, poppenanimatiefilms, en Jiddische films. Daarnaast wordt er dagelijks uit de cinematheek geplukt: van The Great Train Robbery uit 1903 tot de laatste films van Hal Hartley en Roman Polanski, en de Tunesische emancipatiefilm Les silences du palais. Verder draaien op vrijdagnacht Kentucky Fried Movie en Fassbinders Chinese roulette. Op vrijdagnacht, als joods Jeruzalem thuis sabbat viert? Kronish: 'Het programmeren op sabbat voorziet absoluut in een behoefte. We zijn er zeven jaar geleden mee begonnen - toen was dat bijna een daad van antisemitisme. Onze joodse staf mag dan namelijk niet werken, al zouden ze het willen. Dus moesten we ze vervangen door Arabische operateurs. En dan is er nog de eeuwige publieke discussie over de sabbat. De orthodoxen riepen: “We worden gehelleniseerd!” De Griekse cultuur, met haar hedonisme, was altijd al heel attractief voor joden en dus een groot probleem voor de orthodoxen. Maar de regering laat ons begaan. Alleen bij ons eerste Gay & Lesbian Filmfestival sputterden ze wat.’
HET MINISTERIE van Wetenschap en Cultuur geeft het Filmarchief annex Cinematheek een klein beetje subsidie voor speciale projecten. Dat is in 1992 begonnen, toen de Arbeiderspartij in de regering kwam. Jeruzalems oud-burgemeester Teddy Kollek was een groot pleitbezorger van een vrije filmcultuur en stelde het gebouw beschikbaar. Het Filmcentrum krijgt het grootste deel van zijn budget uit particuliere fondsen, veelal uit de Verenigde Staten. Maar het belangrijkste fonds bevindt zich in Nederland: de Van Leer Stichting. Lia van Leer, afkomstig uit Roemenie, is de directrice van het filmcomplex. Ze bevindt zich deze week op het Newyorkse filmfestival. Met haar inmiddels overleden man Wim van Leer, die uit een rijk industrieel geslacht stamt dat van oudsher kunst- en wetenschapsfondsen beheerde, is ze in de jaren vijftig gaan pionieren in Israel. Met een stapeltje films en een oude projector trokken ze van dorp naar kibboets en legden zo de basis voor Archief en Cinematheek.
Amy Kronish is als conservatrice ook belast met het beheer van het Centrum voor Joodse en Israelische Film. Kronish: 'In de jaren vijftig, toen de overlevenden van de holocaust hierheen kwamen, zagen de Israeli’s zichzelf als heroische pioniers. Ze bevochten de Arabier, en werkten op het land. Geen wonder dat de films uit die tijd een hoog sociaal-realistisch gehalte hadden. Voor films over de holocaust, met de jood als slachtoffer, was geen enkele interesse. Dat is zo gebleven tot in de jaren tachtig. En wat de Israelische filmmakers zelf betreft, voor hen blijkt dit thema nog steeds taboe te zijn.’
Kronish’ Centrum voor Joodse en Israelische Film heeft concurrentie van de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. Die blaast de laatste jaren hoog van de toren met het 'Steven Spielberg Jewish Film Archief’ - dat zo heet na een genereuze donatie van de Amerikaanse producent/regisseur - en claimt het recht op het zionistisch filmerfgoed. Amy Kronish: 'Ach, ze zijn geen partij voor ons. De dwerg naast de reus; elke vergelijking is onzinnig. Wij hebben bijvoorbeeld alle films die in Israel gemaakt zijn. Zij willen een joods ideaal uitdrukken. Wij voelen ons daaraan niet gebonden.’