Carlo Emilio Gadda, Die gore klerezooi

Een filosofie van de veelheid

De Italiaan Carlo Emilio Gadda is hier nog niet erg bekend. Zijn roman ‹Die gore klerezooi in de Via Merulana› is een spetterend taalvuurwerk.

De romancier Carlo Emilio Gadda (1893–1973) is in Italië al sinds jaar en dag een grote naam. Umberto Eco, Italo Calvino en Pier Paolo Pasolini verklaarden zich schatplichtig aan de nalatenschap van deze avant-gardist tegen wil en dank, die romans en verhalenbundels schreef die de Italiaanse literatuur op haar grondvesten deed schudden. Een daarvan, La cognizione del dolore, dat in 1962 verscheen en waarvoor Gadda een jaar later de Prix international de la littérature ontving, kreeg al vrij snel een Nederlandse vertaling. De ervaring van het verdriet (1964) speelt in een denkbeeldig Zuid-Amerikaans land. Hoofdpersoon is de ingenieur Gonzalo, die «lijdt aan alles waaraan de wereld lijdt» en zich totaal van de buitenwereld heeft afgezonderd om wat in hem woelt te doorgronden. Zijn onrust heeft te maken met twee slachtige gevoelens voor zijn moeder. Het is een verontrustend en raadselachtig verhaal, een genadeloos portret van een man die te kijk wordt gezet door de ogen van achtereenvolgens de publieke opinie, de dienstbode en zijn arts.

Er zijn aanwijzingen genoeg om het boek deels als een zelfportret te beschouwen. Zo studeerde Gadda bijvoorbeeld voor elektrotechnisch ingenieur en was hij tussen 1920 en 1935 in die hoedanigheid werkzaam in diverse landen, waaronder Argentinië. Die Zuid-Amerikaanse omgeving krijgt in het boek de topografie van de Manzoni-streek, een favoriet zomerbuiten voor de inwoners van Milaan, Gadda’s geboortestad, waar hij als kind vaak vertoefde. Een bestaan in afzondering had zijn voorkeur, hij bleef een leven lang ongehuwd en alleenwonend.

De ervaring van het verdriet kreeg in ons land geen vervolg, zelfs in de hausse rondom de boeken van Eco en Calvino bleef hun peetvader vergeten. Totdat drie jaar geleden vrijwel uit het niets de vertaling van Accoppiamenti guidiziosi (1963) verscheen onder de titel Gepaard met verstand. Vijf verhalen waarin Gadda de angsten en verlangens, de hypocrisie en benepenheid van de kleinburger, het milieu waaruit hij zelf afkomstig is, satirisch op de korrel neemt. En nu is dan eindelijk zijn schitterende magnum opus in het Nederlands beschikbaar, een hoogtepunt uit de Italiaanse literatuur, Die gore klerezooi in de Via Merulana (Quer pasticciaccio brutto de via Merulana, 1957) waarin hij, soms de wanhoop nabij, zijn kijk op het Italiaanse spitsburgerdom tot een grotesk-komisch hoogtepunt voert.

We schrijven maart 1927. Mussolini zwaait alweer vijf jaar de scepter over het land van de laars, dat hij van alle vreemde smetten wil vrijmaken. Zijn bewind schoont op, beweert hij. Het lijkt erop dat de «Nieuwe Orde», zoals die al eeuwenlang is gedroomd door inquisiteurs en een bepaald slag utopisten, volop ingang vindt, maar dat is slechts schijn. Al zijn de straten en pleinen hardhandig gezuiverd van hoeren, pooiers, oplichters, dieven, messentrekkers en drugshandelaren, in feite gaat het om een cosmetische moralisering van Italië, want achter de gevels regeert de dubbelmoraal op alle fronten.

Plotseling wordt Rome opgeschrikt door een brutale juwelenroof en een gruwelijke moord in de deftige Via Merulana, in een appartement met veel bewoners, een duiventil waar iedereen in en uit vliegt, een huis als een wereld op zichzelf. De schatrijke, aantrekkelijke Liliane Balducci, die kinderloos bleef en om die schande te verzachten allerlei meisjes in huis opnam als waren het haar kinderen, wordt levenloos aangetroffen op het parket van haar eetkamer: «in ’r volle lengte, met ’r rokken omhooggeslagen, in ’r onderbroek, afijn. Met d’r hoofd een beetje scheef (…) en ’r keel aan één kant helemaal afgesneden, helemaal opengekerfd.» Een misdrijf waarover niet alleen heel Rome maar ook de naaste omgeving al snel begint te fabuleren. Moord, roofmoord, lustmoord, zelfmoord? Alles is mogelijk, wie zal het zeggen?De man die het raadsel moet oplossen is de ambitieuze commissaris Francesco Ingravallo, een goede bekende van het slachtoffer, bij wie hij weleens over de vloer kwam en die hem als vrouw niet onberoerd liet. Hij is geen diender die past in de mal van Mussolini’s ideeën en het carabinieri-ideaal. Tegenover de holle retoriek van de «ijzeren hand en totale burgerzin» van zijn collega’s stelt hij zich beschouwelijk op met zijn filosofie van de veelvuldigheid. «Zo beweerde hij onder meer dat onverwachte catastrofes nooit het gevolg of als je dat liever zo zegt het uitvloeisel zijn van één enkele beweeggrond, van een oorzaak in het enkelvoud, maar dat ze zijn als een draaikolk, een cyclonale depressie in het bewustzijn van de wereld, waar een veelheid van convergerende drijfveren toe heeft bijgedragen. Hij zei ook knoop of kluwen, of wespennest, of warwinkel. Desondanks ontglipte hem het vaakst de juridische term ‹de motieven, het motief›. De overtuiging dat we ‹in onszelf de categorie oorzaak moeten herzien› zoals we die van de filosofen hadden, van Aristoteles of van Immanuel Kant, en de oorzaak moesten vervangen door de oorzaken, was diepgeworteld en allesoverheersend in hem.»

Die opvatting is Gadda’s eigen overtuiging, ze vormt het grondpatroon van zijn gelaagde roman waarin bijvoorbeeld de aanblik van een paar «zelfvoldane reuzentenen» op een fresco aanleiding is voor een beschouwing over de Italiaanse schilderkunst.

In Die gore klerezooi in de Via Merulana ziet Gadda de wereld als een even barok als ondoorgrondelijk geheel, samengesteld uit reeksen onontwarbare systemen die elkaar onderling bepalen en beïnvloeden. In woord en beeld roept hij vanuit een veelvoud aan brandpunten een caleidoscopisch universum op. Hij doet dat in een taalvuurwerk dat knettert en spettert, en op allerlei plaatsen afwijkt van het standaard Italiaans, doorspekt als het is met dialectwoorden, archaïsmen, neologismen en vakjargon. Frans Denissen moet er bij zijn vertaalwerk de handen aan vol hebben gehad, zijn eindresultaat is intussen een juweel op zichzelf. Met stilistisch raffinement roept Gadda dolkomische scènes op, wisselt die af met lyrische beschrijvingen en zet met vilein plezier de vitaliteit van zijn denken tegenover de kul ideeën en pseudo-moraal van het fascisme. De roman wemelt van de karikaturen, waarbij Gadda zichzelf niet spaart. In een van de bijfiguren, Ome Filipo Angeloni, zet hij zichzelf te kijk als «lang, in donkere geklede jas, met een wat peervormige pens, ’n hoge rug en enigszins afhangende schouders, zijn gezicht half verschrikt, half bedroefd, en in het midden daarvan een snufferd als een stuurvin van een sterrenkijker». Voor de Poesjenel Mussolini heeft hij een onuitputtelijke voorraad bijtende typeringen, variërend van «Balkonbalker» tot «syfilitische Blaaskaak», waarna hij hem ten slotte als speenvarken aan de lezer voert. Bizarre en onvermoede gebeurtenissen beheersen de verwikkelingen, het boek is een roman in verhalen, elk hoofdstuk is een miniatuurroman, elke alinea een vakkundig opgebouwd miniverhaal, elke zin een compendium van het Italiaans.

De roman is opgezet als een whodunit, maar is tegelijk een sardonische persiflage op dit genre. Hoezeer hij zich ook inspant, verbanden probeert te leggen tussen feiten, getuigenissen en observaties, commissaris Ingravallo krijgt maar geen greep op de tragische gebeurtenissen. Als Ingravallo ten slotte onverwacht oog in oog komt te staan met Assunta vermoedt hij dat deze hulp in de huishouding de moordenares is. Zij figureerde eerder als een van de aangenomen dochters. Gaat het dan toch om een moedermoord, een van de belangrijkste thema’s in zijn werk? Gadda speelt die troef niet uit. De lezer mag het raadsel zelf oplossen. Maar wie zo ver is gekomen, weet dat herbeginnen een waar feest is. Zo’n rijke roman is niet stuk te lezen.

Carlo Emilio Gadda

Die gore klerezooi in de Via Merulana.

Vertaald door Frans Denissen.

Uitg. Atheneum – Polak & Van Gennep, 336 blz., ƒ75,-