Een filosofische farce

Geerten Meijsing, De ongeschreven leer: Een cijferroman in 499 bladzijden, 144.000 woorden en 499 voetnoten. Uitgeverij De Arbeiderspers, 499 blz., f49,90
EEN ENORME paradox, dat is het uitgangspunt van de ‘philosophical fiction’ die Geerten Meijsing in zijn nieuwste boek bedrijft. Volgens een hardnekkig gerucht heeft Plato zijn ultieme gedachten niet aan papier toevertrouwd; zijn ‘eerste en laatste beginselen’ zou hij alleen mondeling aan een esoterische kring van ingewijden hebben onthuld. Het gerucht is niet zomaar een hersenspinsel van op hol geslagen Plato-vorsers: in Plato’s geschreven werk staan de nodige zinspelingen op het bestaan van de zogenaamde ‘ongeschreven leer’. TE Plato laat zich bijvoorbeeld in de Phaedrus laatdunkend uit over het schrift: het geschrevene is niet in staat zichzelf te verdedigen, is kwetsbaar voor kritiek en blijft altijd behoefte houden aan uitleg en steun van de schrijver ervan. Je maakt jezelf zwak, zo wil een retorische vuistregel, als je je beste argumenten direct op tafel legt. Het geschreven woord is geschikt als geheugensteun voor mensen die weten waar het over gaat, het kan nooit werkelijk serieuze overpeinzingen weergeven.
Vandaar dat Plato de lezer waarschuwt: ‘Wie denkt dat hij de wijsheid vast kan leggen, in de waan dat er ook maar iets helders of zekers ontstaat uit hetgeen is opgeschreven, is simpel en onwetend.’ En vandaar dat hij in zijn Tweede brief stelt: ‘Daarom zal iemand die serieus met diepzinnige zaken bezig is, de laatste zijn om erover te schrijven en ze bloot te stellen aan de naijver en kritiek van de mensen. Wanneer we een boek zien, kunnen we er zeker van zijn dat als de schrijver het werkelijk ernstig meent, dit boek niet zijn dieptste gedachten vertegenwoordigt.’ In andere teksten laat Plato ronduit treiterend weten dat hij er zich niet aan waagt ‘de waarheid zelf’, ‘de beginselen van alle dingen’, de vraag wat ‘het Goede zelf’ is, op te schrijven.
ZIEDAAR DE paradox: een geschreven boek over een ongeschreven leer, een roman vol filosofische bespiegelingen terwijl meteen al wordt duidelijk gemaakt dat de ware wijsheid zich niet op papier laat bevriezen. En de paradox strekt zich nog verder uit. De argumenten voor het bestaan van Plato’s ongeschreven leer worden vooral ontleend aan zijn autobiografische Tweede brief en Zevende brief en de kans is groot dat beide mystificaties zijn. De geleerden werpen zich daarom op de biografie van de wijsgeer, maar daarover is, als de brieven vervallen, nu juist nauwelijks iets bekend.
Ten slotte wordt de nieuwsgierigheid naar de ‘ultieme dingen’ afgestraft met een immense ontgoocheling. Het ‘Goede zelf’ laat zich samenvatten in een uiterst beknopte uiteenzetting over getallen - ‘Het griezelige van die geheime leer was dat je je ervoor zou schamen haar te openbaren: de esoterische boodschap was zo eenvoudig dat ze ridicuul werd.’ Geerten Meijsing laat de ontgoocheling intact: het laatste en eerste deel van zijn roman - de pagina’s en afdelingen van het boek lopen niet op maar af - heet ‘De ongeschreven leer’ en is blanco.
Toch biedt de ongeschreven leer stof voor een ondoorgrondelijke en intrigerende roman. Het boek van Meijsing is al een filosofische thriller genoemd en hoewel de spanning volgens de bijgevoegde gebruiksaanwijzing in de eerste plaats moet worden gezocht op wijsgerig vlak - ‘Wat is de aantrekkingskracht van “De ongeschreven leer”? Het is de aantrekkingskracht van het geheim, de oplossing van het raadsel, de belofte dat daarin de eerste en de laatste beginselen uit de doeken worden gedaan, het licht van de waarheid, de steen der wijzen, verlossing van aardse smarten en toegang tot het eeuwige leven’ - is ook de handeling griezelig.
Gedurende de bijna tweeeneenhalfduizend jaar oude obsessie voor de ongeschreven leer zijn nogal wat vorsers ernaar op een mysterieuze wijze aan hun eind gekomen. Als Kanger, een van de twee hoofdpersonen van de roman, onbedoeld en ongewild verwikkeld raakt in de zoektocht naar Plato’s geheim, stuit hij op verschillende doden.
Allereerst is er zijn jeugdvriend Erwin die, nadat hij de paperassen van zijn oom Gordon heeft geerfd, zelfmoord pleegt. Later is er zijn baas Hovenier, een in Plato gespecialiseerde hoogleraar filosofie, die spoorloos verdwijnt en in Tubingen, het brandpunt van de esoterische Platonforschung, in coma wordt teruggevonden. Ook voorgangers van Hovenier blijken, op het moment dat ze de ongeschreven leer hebben ontraadseld, plotseling te zijn gestorven. Wanneer Kanger, op zoek naar zijn hoogleraar, uiteindelijk het onthullende manuscript dat van hand tot hand is gegaan in bezit heeft, komt hij prompt bovenaan de dodenlijst te staan.
HET BLIJKT DAT er sprake is van een heus komplot rond de ongeschreven leer. Een curieuze sekte, de Stichting Vrienden van de Vorm, zorgt ervoor greep te hebben op de Plato-geleerden. De stichting, onder leiding van de macabere Dokter Dood, zet zich in voor een zachte, zelfgekozen dood - ‘Het beste leven kon alleen een waardig besluit vinden wanneer het op zijn hoogtepunt was’ - en helpt daar zonodig bij. Het moge duidelijk zijn dat de bezitters van het manuscript een handje worden geholpen.
Kanger deinst er niet voor terug zelf een moord te plegen om aan de lugubere sekte te ontkomen. Als Hovenier eeuwig is ingeslapen, verlaat Kanger Tubingen spoorslags en zoekt hij zijn toevlucht in een retraiteoord in Luino. Daar ontmoet hij Father O'Brien, de geestelijke die Erwins oom Gordon naar een Amerikaanse universiteit heeft gelokt en in bezit is van diens manuscript over de Plato-geleerde Stenzel. Father O'Brien, onmiskenbaar lid van de Vrienden van de Vorm, probeert Kanger tot zelfmoord aan te zetten. Dat komt hem ditmaal op zijn eigen dood te staan. Kanger vlucht verder, naar Syracuse, de stad waar Plato zijn ideeen over de ideale staat in praktijk heeft willen brengen.
Naast de eenzelvige aseksuele Kanger, die maar weinig met de legendarische Griekse wijsgeer op heeft, is het jongensmeisje Zelda op het spoor van de ongeschreven leer. Ook zij is per toeval met de esoterische Plato in aanraking gekomen. Haar grootvader houdt eveneens geheimzinnige aantekeningen over de Plato-geleerde Stenzel in een marmeren map verborgen en ook haar oudoom Gottlob zit tot over zijn oren in Plato. Zelda denkt zelfs dat haar oudoom de dood van haar grootvader heeft bespoedigd door het stelen van de marmermap. Nadat Zelda getuige is geweest van de dood van haar oudoom, reist ook zij af naar Syracuse.
DE HANDELING van De ongeschreven leer is, dat blijkt uit bovenstaande samenvatting, zeer complex. Meijsing maakt het allemaal nog ingewikkelder door het verhaal te onderbreken met omstandige filosofische overpeinzingen en excursies over obscure filosofen, dat ook nog eens uitputtend voorzien van wetenschappelijke noten. Meijsing schrijft ergens dat het onderzoek van de Plato-vorsers wordt gekenmerkt door ‘loodzware ernst’ en ‘bijna evangelische gedrevenheid’ en het lijkt me dat die karakterisering ook opgaat voor de wijsgerige excercities in zijn eigen boek.
De ongeschreven leer is een krankzinnig en obsessief project. Volgens de jaartallen onder het woord vooraf heeft Meijsing van 1965 tot 1995, dat wil zeggen dertig jaar, op Plato gestudeerd. Uit zijn roman blijkt dat hij zonder meer ambivalent staat tegenover de grondlegger van de wijsbegeerte - ‘De hele westerse filosofie is een serie voetnoten bij Plato’, luidt de eerste zin van zijn boek. Je zou zelfs kunnen zeggen dat De ongeschreven leer een hardhandige afrekening met het gedachtengoed - en de nawerking - van Plato is: zijn ongeschreven leer is ridicuul, zijn staatkundige ideeen zijn regelrecht gevaarlijk, zijn vormenleer zet aan tot wereldvreemd gedrag.
Zo slaapt Zelda’s oudoom Gottlob in zijn stoel omdat zijn bed kapot is en Plato’s vormenleer hem ervan weerhoudt een nieuw bed aan te schaffen: ‘Er is slechts een bed. (…) Het enige bed dat ik ken is eeuwig en onzichtbaar. (…) Ik wil niet zomaar een bed, het gaat mij om een bed dat zijn ideale vorm het dichtst benadert.’ Sowieso zijn de waarachtige platonisten in het boek van Meijsing echte of onechte monniken, lieden die vrijwillig van elke lichamelijkheid en zinnelijkheid afzien om de geest vrij te maken.
In het voorwoord noemt Geerten Meijsing zijn roman een ‘filosofische farce’. Dat wil niet zeggen dat zijn boek zo lachwekkend is - hoewel dat in sommige belevenissen van de personages, wijsgerige anekdoten en filosofische gevolgtrekkingen wel degelijk het geval is - maar dat hij, ernstiger, laat zien dat de Platonforschung een zotte vertoning is. Uiteindelijk gunt hij zichzelf de overwinning: de ongeschreven leer van Plato behelst niet meer dan een wiskundig schema, zelf schreef hij een vuistdikke roman.