Het verhaal van een stoel

Een flexibel, sexy kuipje

De Duitse ontwerper Christoph Seyferth maakte van een vergeten stoel uit de DDR een stoel die al voordat hij in productie is genomen de gemoederen bezighoudt, en die zijns ondanks een designicoon zal worden.

DE TWINTIGSTE-EEUWSE MENS heeft schoonheid ingeruild voor comfort. De huizen die wij maken zijn lelijker dan die van een eeuw geleden, maar ze zijn warmer, lichter, schoner, beter geventileerd, en geïsoleerd. Ze bevatten geen bewerkte lambriseringen en gebeeldhouwde plafonds, illusoir glas-in-lood en mozaïek-tegelvloeren, maar ze hebben allemaal een geweldige badkamer, en vloerverwarming door het hele huis, dubbel glas, en soft-closing wc-brillen. We betalen voor comfort en offeren schoonheid. Dit is geen cultuurpessimisme: de mens die op zoek is naar comfort begint geen genocide. De comfort zoekende mens is vreedzaam en geneigd tot handhaving van de status-quo, hij is egoïstisch, maar niet ijverzuchtig. Het ideaal van het comfort is een democratisch ideaal. De comfort zoekende mens schrijft geen Matthäus Passion, nee, dat laat hij over aan de oncomfortabelen, en het luisteren ernaar ook. Maar hij laat een ander wel met rust.
Binnen deze wereld van comfort is de stoel het heilige object van de kaste der vormgevers, van die vorm van toegepaste kunst die we sinds enkele decennia ‘design’ noemen. Als we denken aan vormgevers denken we aan de stoelen die ze maakten. De stoelen van Rietveld, van Mies van der Rohe en van Eames zijn de beroemdste vormgevingsobjecten in het publieke geheugen. Even geliefd bij museumdirecteuren als bij de Chinese namaakindustrie. Waarom zijn de tafel van Mies, de bolderkar van Rietveld of de lampenkap van Le Corbusier zoveel minder bekend, terwijl hun stoelen overal te zien zijn en gretig worden gekopieerd?
De stoel ademt individualisme, het is een verlengstuk van je eigen lichaam, terwijl een tafel onmiddellijk het bestaan van de ander suggereert. Bovenal is een stoel een object dat wij associëren met dat hoogst haalbare - het comfort; de toetssteen van ons handelen, en het ideaal dat we boven alle andere idealen zijn gaan stellen.
Comfort is zozeer gedemocratiseerd dat het ontwikkeld is van een verlangen tot een recht. De Nederlandse wetgever heeft in haar wijsheid minimale eisen gesteld aan het comfort van de werkplek. Het soort stoel dat dit oplevert is al even onesthetisch als de naam van de wet waaruit zij ontstaat: de Arbo. Maar een stoel is ook dat meest ondemocratische aller objecten: een troon. Een stoel is status. De directeur zit op een andere stoel dan zijn secretaresse, al beantwoorden beide aan dezelfde wettelijke comforteisen. Niet voor niets is de stoel als metafoor een pars pro toto voor de burchten van de macht: een leerstoel, een Kamerzetel.
Een ontwerper van stoelen begeeft zich altijd in die tweestrijd tussen comfort en status. Het verbaast daarom niet dat de beroemdste stoelenontwerpers van de twintigste eeuw Amerikanen zijn, Charles en Ray Eames. De Amerikaanse paradox, de paradox van een samenleving die enerzijds radicaal gelijkheidsstreven en anderzijds de radicale zelfbeschikking van het individu omarmt, is de paradox van de stoel. Evenmin is het onverwacht dat de bekendste Nederlandse stoel van de twintigste eeuw de rood-blauwe plankenconstructie van Rietveld is. Die stoel is een provocatieve ontkenning van het verlangen naar comfort en daarmee een paternalistisch, antidemocratisch manifest. Zitten is werken, zei Rietveld, en dat is een zuivere expressie van de calvinistische pedanterie, die zo typisch is voor Noord-Europese intellectuelen van die tijd. Het is precies vanwege die ambivalentie, vanwege die uitgebreide culturele symboliek dat stoelen de meest in het oog lopende designproducten zijn geworden, en daarmee de meesterproef voor iedere vormgever.

WIE EEN STOEL ONTWERPT in 2011 kan twee dingen doen: of de historische context ontkennen, of zich uitbundig rekenschap geven van het verleden. De van origine Duitse ontwerper Christoph Seyferth deed het laatste, en de stoel die hij maakte is tijdens de afgelopen Salone del Mobile in Milaan gepresenteerd, en werd daar met groot enthousiasme ontvangen.
Een paar jaar geleden begon Seyferth zijn ontwerpen te groeperen rond een pseudoniem, of als je wilt, een motto, Serener.org. In de eerste plaats zette hij zich daarmee af tegen de tendens om individuele ontwerpers steeds meer als popsterren te benaderen. Een ontwerper kan niet het strikte auteurschap eisen van een door hem ontworpen stuk, vindt Seyferth, omdat het in hoge mate wordt bepaald door bestaande tradities, zowel esthetische, industriële als ambachtelijke. Serener.org moest daarom niet alleen een label zijn waarachter hij zichzelf verschool, maar waarachter in principe ook andere ontwerpers kunnen gaan staan. Het moet een platform worden dat vormgevers en hun klanten uitdaagt om de ontwerpen die worden gepresenteerd te verbeteren. Hij zoekt niet naar nostalgisch vakmanschap, wel naar een ontwerp dat vanuit het materiaal en zijn mogelijkheden is gedacht, niet vanuit een intellectueel concept of vanuit de computer.
Seyferth’s heilige graal is een bankje dat hij ooit vond tijdens een vakantie in de Dolomieten. Een bankje van een anonieme, plaatselijke ambachtsman dat daar al vele jaren stond. Het toonde volgens Seyferth aan waartoe je in staat bent als je een volledige, door jaren vakmanschap gevoede kennis hebt van het materiaal waarmee je werkt, en zeer beperkte gereedschappen. Dat ontwerp was alles wat het moest zijn, duurzaam, nuttig, en volkomen helder in zijn constructie. Desalniettemin zou alleen een vakman in staat zijn om zo'n bank te maken. Seyferth nam het bankje mee naar huis, en het is sindsdien altijd bij hem gebleven.
De aanleiding voor het maken van Seyferth’s nieuwe stoel, die hij noemde naar zijn vriendin Wendela, was een tafel. Enige jaren geleden maakte Seyferth voor het Lloyd Hotel in Amsterdam een magistrale tafel, vrijwel geheel bestaand uit plaatstaal, onverwoestbaar, en tegelijk bijna lichtvoetig elegant. Het leverde Seyferth onmiddellijk de bewondering op van de vormgevingsvoorhoede.
Het logische vervolg op het ontwerp van zijn tafel moest natuurlijk een stoel zijn, en velen drongen bij Seyferth aan om zich daaraan te wagen. Maar hij verzette zich lang tegen die zogenaamde noodzaak om een stoel te maken, al dan niet passend bij zijn tafel, en bovendien een product dat met zijn zware symboliek op weerspannige voet staat met zijn ontwerpfilosofie. Maar uiteindelijk kon Seyferth zelf het idee niet weerstaan.
Zijn gedachten gingen uit naar een kuipstoeltje.
Om zich te oriënteren zocht hij bij fabrikanten, in boeken en op internetveilingsites, en werd geraakt door een aandoenlijk en sexy gewelfd kuipje, uit de jaren vijftig, gemaakt van een zeer dun plywood. Die ene foto moest de basis van zijn nieuwe stoel worden. Al snel bleek dat de gewone kuipjesfabrikanten, die werken voor Knoll en Vitra, niet in staat waren om dat kuipje te reproduceren. Een lange zoektocht bracht Seyferth uiteindelijk naar een stad in de voormalige DDR, waar een oude meubelfabriek stond die kuipjes voor schoolmeubelen produceerde (35 miljoen tot nu toe). Die hadden ooit precies dat stoeltje geproduceerd en ze hadden de oude mallen en de specifieke techniek nog in huis om het te kunnen maken. Die fabrikant, Pagholz, besloot Seyferth de beschikking te geven over dat kuipje om een nieuwe stoel te maken. Het wordt gemaakt van zeventien flinterdunne laagjes in hars gedrenkt beukenhout, die met vijfhonderd ton druk in een massief stalen 150 graden hete mal samengeperst worden tot een kuip, met een materiaaldikte van nog maar vijf millimeter. Door de druk en hitte versmelten hars en houtvezels. Het nieuwe symbiotische materiaal is keihard, flexibel en watervast. De stoel kan makkelijk een nacht in de regen blijven staan.
In plaats van het oude onderstel maakte Seyferth een nieuw, zeer degelijk, opnieuw onverwoestbaar onderstel van aluminium, dat doorliep tot in de zitting van het stoeltje, zodat de bevestiging niet alleen sterker dan ooit was, maar dat de constructie ook zichtbaar was. Dat laatste was een directe verwijzing naar zijn Dolomieten-bankje, waarvan de poten ook doorliepen tot het zitvlak en zo de constructie openbaarden. Het resultaat is iets verbluffends door het hevige contrast tussen het heel dunne, levendige plywood en de zeer aardse, oerdegelijke poten eronder. Die uitersten worden verenigd in de verbindingsnoppen die het zitvlak van het kuipje bovendien een veel grotere aantrekkelijkheid geven. Zo werd een vergeten zestig jaar oude stoel uit de DDR, via een timmermansbank uit de Dolomieten, een stoel die al voordat hij in productie is genomen de gemoederen bezighoudt.
Met zijn ontwerpfilosofie probeert Seyferth een nieuwe visie te ontwikkelen op de hedendaagse designcultuur. Hij wil afstand nemen van de sterrenstatus die vormgevers wordt toebedeeld, en de heiligheid die individuele ontwerpen verheft tot onaantastbare iconen. Hij hoopt dat een gedeeld kwaliteitsbegrip en een gedeelde liefde voor de kwaliteit van constructies en materialen auteurschap op z'n minst onbelangrijker maakt en producten zal opleveren die beter zijn, duurzamer zijn en zich beter aanpassen aan veranderende omstandigheden. Het verlangen naar een dergelijke coöperatieve systematiek versus de dictatuur van het ego is bepaald niet nieuw, en was eerder vrijwel nooit succesvol. Dat zijn eigen stoel alle kans heeft zelf een onaantastbaar designicoon te worden, is daarvan het ironische resultaat.