Een flinke koortsaanval

Ik sla het avondblad op en lees: ‘Alarmerend aantal malariagevallen in Europa. Het toenemende intercontinentale toerisme enerzijds en immigratie vanuit Afrika anderzijds brengen gevaar. Insekten die de virussen overbrengen reizen mee, vandaar dat vooral rond de vliegvelden verhoogde waakzaakheid is geboden.’

Ik zak achterover in mijn makkelijke stoel en vraag mijzelf af: Wanneer heb jij voor het laatst een flinke koortsaanval gehad? Ik moet een heel eind terug in mijn herinnering. Het waren de dagen vóór mijn eerste schoolreisje. Wij zouden naar Winschoten gaan. Een tweede koortsaanval kreeg ik toen ik even later verliefd werd op het dochtertje van de pianoleraar. Hij was een echte kindervriend, waarvoor hij uiteindelijk drie jaar (waarvan een jaar voorwaardelijk) heeft gekregen.
Ik hield zo dolveel van het meisje dat ik mij voornam nooit met haar de spelletjes te spelen die hij met mij had gespeeld. Vandaar dat het al snel uitging tussen ons.
Wat is het leven eigenlijk waard zonder een geregelde koortsaanval? vroeg ik mij verder af. Moeten wij de koorts niet rehabiliteren? Waarom ontbloten wij hoofd en voeten eigenlijk niet om door de najaarsregen te banjeren in plaats van ons bangelijk tegen de griep te laten inenten?
Vanochtend, op Schiphol, terwijl ik het elektronische bord bestudeerde, beefde ik in elk geval over mijn gehele lichaam. Ik wist: Als dít geen malaria is, is het een ommekeer in mijn leven.