Een foto als gebeurtenis

Sommige foto’s registreren niet zozeer gebeurtenissen, maar vormen zèlf de gebeurtenis. Albert van Westing weet dat telkens voor elkaar te krijgen, desnoods door een foto eindeloos door het fotokopieerapparaat te halen
Albert van Westing, tot en met 5 oktober galerie de Expeditie, Leliegracht 47, Amsterdam. wo-za 13.00-18.00 u. Kunstestafette 1996, Schiedam tot en met 29 september, diverse lokaties, di-za 11.00-17.00 u, zo. 12.30-17.00
ALS IK AAN vroeger denk, is het eerste dat in mijn herinnering opkomt een zwartwit beeld van een klein jongetje, mijn broertje, die door een ondefinieerbare ruimte zweeft, zijn armen hoog opgeheven.

Hij draagt een zwembroekje en is waarschijnlijk net voordat de fotograaf afdrukte van een hoge duikplank gesprongen. De foto is overbelicht en slecht ontwikkeld. De chemicaliën hebben de contouren van het jongetje danig aangevreten, het zal waarschijnlijk ook niet zo heel lang meer duren voordat het hele beeld opgelost zal zijn.
Het is niet erg logisch dat juist dit beeld bij me opkomt als ik aan mijn jeugd terugdenk, want deze foto schetst een beeld van zonovergoten zwembadplezier dat ik me nauwelijks herinner, hoewel ik het in de loop der jaren talloze keren meegemaakt moet hebben. Je zou je misschien ook kunnen voorstellen dat het gadeslaan van zo'n alledaagse handeling als van een duikplank springen, gemakkelijk overschaduwd kan raken door gebeurtenissen van ernstiger aard. Toch is het rare dat dat niet gebeurd is en dat deze foto zich - feitelijk tegen mijn zin - in mijn geheugen heeft vastgezet. Eigenlijk is het alsof het beeld me een jeugdherinnering opdringt. De reden daarvoor zou kunnen zijn dat het toch iets essentieels heeft weten vast te leggen; een moment dat op zichzelf dan misschien niet zo buitengewoon mag zijn geweest, maar dat wel een van die ontelbare momenten was die meestal voorbijgaan zònder dat iemand het de moeite waard vindt om er een foto van te maken. En juist door die zeldzaamheid iets bijzonders geworden. Niet omdat de foto zelf buitengewoon is, maar omdat het beeld zo krachtig verwijst naar een tijd waarin kleine jongetjes door de lucht leken te kunnen vliegen, iets wat je niet geloofd zou hebben als je er niet zelf bij was.
De foto’s die Albert van Westing (1960) bij galerie de Expeditie tentoonstelt, tonen ook zulke terloopse gebeurtenissen. Het moment dat hij koos om af te drukken, lijkt nauwelijks belangrijker geweest te zijn dan alle mogelijke andere - de foto’s hebben geen symboolfunctie, vertellen ook geen samengebald verhaal of anekdote. Het zijn beelden die iedereen voortdurend om zich heen kan waarnemen, zonder ooit moeite te willen doen om er een foto van te maken.
HOE MOEILIJK het toch blijft om geen verhaal te willen ophangen aan een beeld, blijkt wel uit de wandvullende reeks Plaza Catalunya, een serie foto’s waarop twee jongens te zien zijn die totaal in elkaar opgaan, terwijl ze ondertussen toch het oog van de talloze toeschouwers op dit drukke plein in het centrum van Barcelona op zich gericht moeten weten. De hoge, smalle foto’s lijken zich op het eerste gezicht te laten lezen als filmstills waarbij je in elk volgend beeld iets van een ontwikkeling, het vervolg van een doorlopend verhaal verwacht, maar dat is een veronderstelling die niet uitkomt. Het verhaal stagneert onmiddellijk. Er is geen ontwikkeling. Niets wordt ontsluierd. Daarom blijven je ogen het beeld aftasten; steeds maar weer van onder naar boven, van achter naar voren en hup, weer terug, maar je komt geen steek verder wat betreft de gebeurtenissen op de foto, tot je opeens inziet dat de foto zèlf de gebeurtenis is.
Eerder dit jaar, tijdens de tentoonstelling Sublieme vormen met zicht vanaf 5 meter, was in het Stedelijk Museum een aantal foto’s van Van Westing te zien waarvan er twee veel indruk op me maakten. In de eerste plaats was dat Eten, drinken, slapen1, waarop een viertal mensen te zien is dat zich loom heeft uitgestrekt op een grasveld, gedrapeerd zou je bijna zeggen - een beeld dat je ’s zomers in het Vondelpark dagelijks kunt waarnemen. Je hebt het misschien wel honderdduizend keer waargenomen, maar nooit zo mooi, zo verstild als Albert van Westing het heeft weergegeven. De andere, Café de Ponteneur, is een foto van een stel mensen aan een bar, en weemoediger dan de ruggen van drinkers kan het bijna niet, maar Van Westing heeft het klaargespeeld om er een foto van te maken die klassiek is zonder ook maar een moment nostalgisch te worden.
Dat ligt denk ik ook aan de techniek die hij heeft toegepast bij deze foto’s: grote tonerdrukken op transparant polyester. Een tonerdruk is een lichtdruktechniek die enigszins te vergelijken is met die van een fotokopie, maar dan heel groot. Van Westing begint altijd met een afdruk van de originele foto, om het resultaat daarvan vervolgens een flink aantal malen door de machine te halen (wat een kopie van een kopie oplevert et cetera) tot het beeld hem volledig bevalt. Het moment waarop de foto is gemaakt, verwordt door deze manier van werken tot slechts een beginpunt en iedere keer dat een kopie opnieuw door de machine wordt gehaald, raakt het beeld weer iets verder verwijderd van de oorspronkelijke opname. Het lijkt wel alsof het uiteindelijke beeld niet veel meer is dan een herinnering aan het oorspronkelijke.
Die werkwijze levert beelden op met sterke licht-donkercontrasten en een grofkorrelige structuur die aan krantefoto’s doet denken, wat het werk een suggestie van vluchtigheid geeft die ook weer uitstekend past bij Van Westings onderwerpkeuze, met het voorbehoud dat zijn werk in een krant toch wel in de uiterst zeldzame categorie van ‘goed nieuws’ zou vallen.
IN SCHIEDAM toont Van Westing op het moment het resultaat van een opdracht met als thema 'het huwelijk als metafoor’. Het zijn weer twee grote foto’s geworden, ongeveer 4 bij 2,5 meter, de ene van een aantrekkelijke jongen in een leren broek die, op een vage vakantieplek die iedereen bekend kan voorkomen, trots op zijn motor poseert, terwijl zijn vriendin - zo vertelde Van Westing me - net buiten beeld zuur toekijkt. Van Westing voegde eraan toe dat hij de jongen wel om toestemming heeft gevraagd om de foto voor zijn werk te gebruiken, omdat hij vindt dat een afbeelding van jezelf ook een deel van jezelf is en dat mensen soms niet beseffen wat de reikwijdte is van het feit dat ze op de foto staan.
De andere foto stelt twee olifanten voor in het circus die een kunstje doen, hetgeen doet vermoeden dat Van Westing niet veel op heeft met het instituut huwelijk - wat hij overigens bestrijdt, maar stiekem blijf ik dat toch denken, niet vreemd misschien als iemand 'het huwelijk als metafoor’ op zo'n wijze invult.
Op de tentoonstelling in Amsterdam hangt ook een serie portretten, twee reeksen van elk tien portretten, die ik minder goed kan plaatsen. Stralen de grote werken een beminnelijkheid uit die Albert van Westing zelf ook kenmerkt, deze kleine werken zijn een stuk akeliger. Het zijn portretten van mensen die korte of langere tijd in Van Westings nabijheid hebben verkeerd: vrienden en collega-kunstenaars, maar ook de ober van een Spaans restaurant of iemand die ooit elektriciteit bij hem kwam aanleggen. De oorspronkelijke zwartwit foto’s zijn bewerkt door een bubblejet-kleurenprinter, waarbij Van Westing papier uitkoos met een kalklaag zodat de inkt zich goed zou vastzuigen. Dat leverde een resultaat op van verstarde gezichten in verzadigde kleuren oranje, geel, groen en grijs. Slechts een enkeling lacht. Sommigen zien er verdomme uit als Russische misdadigers. Het lijkt alsof de foto’s iets bloot leggen van het leven dat zich onder de oppervlakte afspeelt, rauw en vol hunkering. 'Welke prijs ga ik betalen voor deze herinnering?’ lijken de gezichten uit te drukken, en: 'Kan het ook op afbetaling?’
Albert van Westing zelf is behoorlijk wars van zulke interpretaties. Bij hem draait alles om de ervaring van het kijken zèlf, heb ik van hem begrepen. Dat bewerkstelligt hij door datgene waar meestal achteloos aan voorbijgegaan wordt, steeds opnieuw als uitgangspunt voor zijn werk te kiezen en vervolgens middels het langdurige proces van bewerking te trachten die waarneming nogmaals te verhevigen.
Maar als toeschouwer staat het je natuurlijk vrij om je niet volledig met de bedoelingen van de fotograaf te identificeren. Kunstenaar en toeschouwer vallen nu eenmaal nooit precies samen. Want misschien dènk je wel dat je het beeld van een jongetje dat door de lucht vliegt zo messcherp voor je ziet omdat het je eigen herinnering is, het blijft uiteindelijk een incisie in de tijd die door iemand anders is gemaakt.