Een fries indianendorp

We komen lyrisch terug van onze vakantie in een Spaans dorp, maar vergeten dat Nederland ook een platteland heeft. Terwijl daar van alles gebeurt. Geert Mak beschreef het leven in Jorwerd: van de jurk van Aaltje tot het melkoverschot.
‘IK WILDE een boek schrijven voor stadsmensen’, zegt Geert Mak. ‘Voor diegenen die met ontroerende verhalen komen aanzetten over hun dorpje in Spanje waar ze net een maand vakantie hebben gevierd. Of die reppen van dramatische documentaires over verdwijnende Russische dorpen - prachtig gemaakt, daar niet van. Maar pal voor hun snufferd vindt precies hetzelfde proces plaats. En dat ziet niemand.’

Deze week verschijnt Maks nieuwste boek Hoe God verdween uit Jorwerd, de even navrante als ontroerende naoorlogse geschiedenis van een dorpje in het hart van Friesland. ‘Een journalistiek experiment’, noemt Mak het boek zelf: 'Ik wilde met de techniek van het reisverhaal, van het beschrijven van een ver land, een dorp om de hoek benaderen.’
Vijf maanden lang nam hij, zelfverklaard stadsmens par excellence, daartoe zijn intrek in de provincie. Daar wilde hij het verhaal van de stille revolutie op het platteland vastleggen. Hoe het dorpsleven van weleer was bezweken onder de invloed van de stad, en het oude, kleurrijke boerendorp Jorwerd een wat schimmige, halfverstedelijkte forensenplaats was geworden. Mak huurde in het dorp een tweekamerhuisje waarin vroeger een gezin met negen kinderen woonde en constateerde er eenmaal aangekomen in de eerste plaats stilte.
'Ja’, zegt hij, terwijl we aan de keukentafel van zijn Amsterdamse grachtenpand zitten, 'ik moest daar in Jorwerd erg aan wennen. Na een paar uur werd ik onrustig. Dan ging ik lopen of reed ik met de auto naar een ander dorp om een krant te kopen. En daarna weer naar een volgend dorp voor een pak koeken. Pas na een maand werd dat minder. Toen drong het tot me door dat ik in een heel andere wereld terechtgekomen was. Iedereen ziet het Nederlandse platteland als een verlengstuk van de stad, als iets wat eigenlijk niet meer bestaat. Dat is, weet ik nu eens te meer, klinkklare onzin.’
Hij noemt als voorbeeld de sterke familiecultuur: 'Op het platteland is vanouds het gezin de produktie-eenheid. Tot op de dag van vandaag zitten boeren hevig te tobben over opvolging. Als je bij een fietsbandenfabriek in de stad werkt, vind je het niet zo erg als je zoon een ander beroep verkiest.’ Ook de andere rol van kleding viel hem op. 'In de anonieme stad moet de eerste indruk goed zijn. In een dorp kun je best in een rare hobbezak rondlopen, want je weet toch wel dat het Aaltje van Pieter is. En die ken je als goeie huisvrouw, dat is veel belangrijker.’ En hij constateerde waarom vreemdelingen in een dorp met zoveel wantrouwen worden begroet: 'Omdat een nieuwkomer veel kan verpesten. Op de Amsterdamse Nieuwmarkt hindert het niks als er vijf klieren van mensen bij komen; in een dorp ben je dan in de aap gelogeerd.’
VOOR ALLE DUIDELIJKHEID: dat betrof niet zijn rol in Jorwerd. Hij merkte zelfs dat hij weldra als buurman, kennis, vriend de Jorwerter gemeenschap werd in gezogen. Lief en leed kwam op tafel. Prachtige verhalen leverde dat op, maar later ook grote blokkades bij het schrijven. En dat was hij na zijn vorige boeken niet meer gewend.
Twee bestsellers had hij in een paar jaar tijd geschreven - beide over Amsterdam. Mak, oud-journalist van De Groene en nu freelance werkzaam voor NRC Handelsblad en de VPRO-radio, moest wel zielsveel van zijn stad houden, wilde hij zo kleurrijk over haar geschiedenis kunnen schrijven, oordeelde de pers in de ene na de andere juichende recensie. Maar bij Jorwerd werkten de nauwe banden met zijn studieobject op den duur belemmerend. Mak: 'Ik had het gevoel dat er 325 paar ogen over mijn schouder meelazen. Daar had ik bij het zeventiende-eeuwse Amsterdam nooit last van.’
De geschiedenis van, zoals hij zelf zegt, 'dat ene snertdorpje’ kostte hem daardoor 'honderd keer meer moeite’ dan die van ruim zeven eeuwen Amsterdam. Pas tijdens een 'zelfopgelegd ballingschap’ op het eiland Kreta wist hij de impasse te doorbreken.
Het kwam ook doordat de rode draad in het boek anders zou gaan lopen dan Mak had gedacht. Veel schokkende feiten over het Jorwerter dorpsleven waren van tevoren bij hem bekend - hij kende het dorp een beetje van bezoek aan vrienden - en konden zo al vroeg in het boek hun plek krijgen op bladzijde zeventien: 'De leesbibliotheek verdween in 1953, het postkantoor in 1956, in diezelfde tijd werd ook de haven gedempt, de schoenmaker hield het in 1959 na een halve eeuw voor gezien, de laatste bakkerij sloot in 1970, Tijsen en zijn vrouw hielden in datzelfde jaar ook op met hun huiskamercafé…’ et cetera. Maar vrijwel niemand in het dorp leek al te lang bij die necrologie van de vroegere dorpsgemeenschap stil te blijven staan. Men keek er liever vooruit.
'Kijk’, zegt Mak, 'wij journalisten zijn deze eeuw meesters gebleken in smakelijk opgediste verhalen over sociale onttakeling. Het interessante aan Jorwerd was echter dat er een overlevingscultuur bestond die je eerder zou verwachten in een Indianendorp of in de Franse bergen. Het dorp was veel meer dorp gebleven dan iedereen dacht. Maar waar kwam die cultuur uit voort, en in hoeverre week die af van vroeger? Om dat te kunnen doorgronden heb ik me de afgelopen drie jaar verdiept in de geschiedenis van de landbouw en de wetten van een dorpsgemeenschap.’
Gaandeweg ontdekte hij dat het bindende element in zijn boek niet de religie was - zoals in Een kleine geschiedenis van Amsterdam -, maar de vooruitgang. 'Ik merkte dat doordat het boek steeds onder mijn vingers wegglipte. Ik schreef iets op, en dacht bij teruglezing een paar jaar later: geldt dit nog wel, is dit niet achterhaald door de feiten? Ik werd daardoor zelfs gedwongen om over het heden in de verleden tijd te schrijven.’
Tegenover die vooruitgang ontwikkelde Mak een ambivalente houding. Op de vraag of hij zich daarbij niet te veel liet leiden door nostalgie (Mak woonde als kind zowel in Leeuwarden als in het tien kilometer oostelijker gelegen Hardegarijp), antwoordt hij: 'Dat is me snel uit het hoofd gepraat door oudere boeren en dorpsgenoten. De verhalen die zij vertelden over het verleden waren gruwelijk: het geploeter en gezwoeg in weer en wind, de sociale controle… Dus nee, komt geen nostalgie bij kijken. Maar wel het gevoel dat er grenzen zijn aan de vooruitgang. In de landbouwsector zie je dat het sterkst. De kleine boer gaat naar de bliksem, de grote boeren worden steenrijk maar werken zich over de kop. Geen boer is nog gelukkig.’
DE MOOISTE PAGINA’S in het boek zijn die waar Mak laat zien hoe anders dat vroeger was. Zoals het verhaal van boerin Gais Meinsma. 'Ze leerde hoe je koeien in het land kon terugvinden, ’s ochtends vroeg, in het najaar, als alles potdicht zat van de mist en je eerst een kwartier moest luisteren - want er was altijd wel eentje die in haar slaap kuchte of kauwde. En dan schoof je eronder, tegen dat warme koeielijf aan, en dan was er die eeuwige sensualiteit van het melken, die vreemde intimiteit.’
De huidige generatie boeren, schrijft Mak, houdt zich in plaats van met koeien en paarden bezig met embryotransplantaties, kunstmelk en melkstimulerende hormonen. 'Zelfs bij het werpen van een veulen hoefden ze niet meer te waken: als een merrie op alle dagen liep, plaatsten ze een klein zendertje tussen de schaamlippen, en als het zover was ging er naast het bankstel thuis gewoon een pieper af.’
De technologische vooruitgang in de landbouw vereiste van de Jorwerter boeren voortdurend grote investeringen. De melkmachine kwam, de koeltank en de mestopslag. Velen van hen konden dat niet bolwerken, of legden, daartoe aangemoedigd door de reeksen landbouwministers die het mest- en melkoverschot wilden beperken, uit vrije wil het hoofd in de schoot. In Jorwerd stopte tussen 1975 en 1990 een op de drie boeren. Mak schrijft hun ogenschijnlijk geringe weerbaarheid mede toe aan de boerenmanier van omgaan met tegenslagen: 'Het was het lot, de natuur, het weer. In zekere zin werden de grillen van de politiek op dezelfde manier opgevat als een overstroming of het uitbreken van de varkenspest. Niets aan te doen.’ Daarmee verdween niet alleen een eeuwenoude cultuur, maar ook de economische motor achter de Jorwerter gemeenschap.
Waarom toonden de media zo weinig compassie met die verloren gegane boerencultuur?
'Veel boeren hebben het er zelf naar gemaakt. Neem de varkenshouders. Elke boer weet dat je niet meer beesten kunt houden dan je land hebt. Een ijzeren wet. Terwijl het mestoverschot al lang bekend was, is het aantal varkens de laatste jaren geloof ik nog met eenderde verhoogd. De brutaliteit van de sector is ongelooflijk. Met varkenshouders heb ik geen spettertje consideratie, die hebben het er helemaal naar gemaakt. Maar het betekent wel dat melkveehouders die zich keurig aan de regels hebben gehouden, nu ineens heel veel geld moeten investeren in mestopslag.
De milieubeweging is wat betreft het mestoverschot erg kortzichtig. Boerderijen hebben eeuwenlang naar mest gestonken. Als je daar niet tegen kunt, moet je niet op het platteland gaan wonen. Boeren zijn in de kern van hun hart echte natuurmensen, de milieubewegers die in het weekend wat vrijblijvend wandelen steken daar flets bij af. Waarom zie ik zoveel oude boeren, die veel beter zouden kunnen gaan rentenieren, toch doorgaan? Vanwege de omgang met dieren, de stemming op het land om vijf uur ’s ochtends.’
Mak verwijt de milieubeweging dat ze te veel acht slaat op 'vegetatie en beestjes, hoe belangrijk ook’ en daarbij vergeet dat er ook nog zoiets als landschap bestaat. Hij noemt Gaasterland, het bosrijke zuidwesten van Friesland, als treffende illustratie. Daar koopt de natuurbeweging It Fryske Gea nu terreinen van boeren aan. Mak: 'Er komen ongetwijfeld meer trapganzen en boomkikvorsen, maar wordt het landschap er nou echt zoveel mooier op? Maar ik zie in de milieubeweging die discussie ook.’ Het thema ligt niet meer zo gepolariseerd als tien jaar geleden.’
HET JONGSTE telefoonboek van Jorwerd telt 134 aansluitingen, van wie bij dertien nog de toevoeging 'veehoud.’ achter de naam staat. De openbare lagere school De Krunenstobbe heeft door de jaren standgehouden, net als de groentewinkel, de notaris, het filiaal van de Rabobank en, zowaar, de Hervormde Gemeente.
Maar hun klanten zijn niet meer dezelfde als vroeger. Toen Mak eens samen met een oude Jorwerter langs de huizen van het dorp liep, bleek dat zeker de helft van de bewoners er pas de afgelopen twintig jaar was neergestreken, 'en misschien zelfs wel driekwart’.
De import kwam vooral uit Hilversum, Groningen of uit de grotere Friese steden. De provincie Friesland moedigde deze instroom aan en verleende rijkelijk concessies aan projectontwikkelaars. 'Toen de landbouw wegzakte, moesten immers andere functies voor het platteland gevonden worden, en andere soorten werkgelegenheid’, schrijft Mak. 'Veel bestuurders en projectontwikkelaars zagen het liefst dat het platteland zou veranderen in een typische woonprovincie, een fraai en rustig alternatief voor de randstad, het Florida van de Lage Landen, maar dan kouder en natter.’
Ook in Jorwerd dook een projectontwikkelaar op - 'een bolle man die plannen rondstrooide als duivenvoer en die de halve provincie intimideerde met zijn donkerblauwe streepjespakken en zijn enorme auto’s.’ De door hem geopperde bistro’s en een grote forensenwijk bleven het dorp gelukkig bespaard. De import kon voorlopig tot staan worden gebracht. De tijd van innige beslotenheid is voorgoed voorbij, maar de grote dorpsfeesten houden tot op de dag van vandaag de gemeenschap bijeen - en de stad veraf.
Zo voltooide Mak een gepassioneerd document over de plattelandscultuur, maar liet hij het eind betrekkelijk open. Tussen de regels door lees je dat Mak zuinig wil zijn met nieuwe bedrijvigheid en Friesland voorzichtig tot woongebied wil verklaren.
Maar is dat een boodschap die te verkopen is aan een provincie met het hoogste percentage werklozen? Er is geen alternatief, zegt hij: 'Door de aanleg van bedrijventerreinen trek je alleen maar ondernemingen aan die door de randstad zijn uitgekotst. Omdat ze financieel niet goed in elkaar steken, of omdat er letterlijk een luchtje aan zit. Over tien jaar zit je dan met een derderangs bedrijfsleven opgescheept. We moeten niet proberen de problemen van het jaar 2010 op te lossen met methoden uit 1960. Friesland is de reserveruimte van de randstad - die moet je zorgvuldig bewaken.’
HEEFT U ZICH bij het schrijven van dit boek nog wat aangetrokken van de kritiek van historici, die u weleens verweten te gezochte verbanden te leggen?
Mak: 'Nee, want ik ben geen historicus. Mijn boek over Amsterdam was een historische exercitie van de journalistiek. En historici kunnen dan op mij katten, maar ze waren zelf allemaal te schijterig om zo'n boek te schrijven. Een volledige geschiedenis van Amsterdam was sinds 1930 niet meer verschenen.’
Hij kent de reden. Veel historici hebben te lijden gehad onder hun leermeesters: Jan en Annie Romein, Huizinga, 'mensen van de grote greep, die soms ook maar een eind weg kletsten’. Hun opvolgers wilden volgens Mak preciezer dan precies zijn. Maar hij constateert verbetering. 'Ik zie het bij Frits van Oostrom, bij de biografieën die de afgelopen twee jaar zijn verschenen - schit-te-rend geschreven. Dat betekent toch dat je als historicus niet meer met zo'n gortdroog stuk kunt aankomen. Het is natuurlijk te gek dat de grote studies over de Gouden Eeuw op dit moment van buitenlanders afkomstig zijn. Dat moeten we toch zelf ook kunnen.’
De boeken van Geert Mak verschijnen bij uitgeverij Atlas.