Profiel: Mata Hari

Een Friese lustgodin

«Mannen, die niet tot het leger behoorden, hebben mij nooit geïnteresseerd. De officier is in mijn ogen een hooger wezen, een held, steeds bereid tot het trotseren van alle gevaren, tot het beleven van alle avonturen.» Aldus Margaretha Geertruida Zelle, beter bekend als Mata Hari, tijdens een van haar verhoren door de Franse kapitein Bouchardon in mei 1917. «Ik ben liever de maîtresse van een arme officier dan van een rijke bankier. Ik ga graag met hen naar bed zonder aan geld te denken. En bovendien vind ik het buitengewoon interessant om de verschillende nationaliteiten met elkaar te vergelijken.»

Waarschijnlijk volstond deze biecht al voor haar doodvonnis. De kille kapitein Bouchardon, spionnenjager te Parijs, had het niet op deze «zedeloze vrouw», een typische representante van «een inferieur oosters ras». Volgens hem was Mata Hari «gewetenloos, gewend om mannen te gebruiken voor haar eigen voordeel, het type vrouw dat voor spionne in de wieg gelegd is». Luitenant André Marnet, militair-auditeur in het proces Mata Hari, was nog stelliger: «Het onheil dat deze vrouw heeft aangericht is met geen pen te beschrijven. Zij is waarschijnlijk de grootste vrouwelijke spion van deze eeuw.» Ook de Parijse hoofdcommissaris Mornet zag in haar het vleesgeworden kwaad. «Haar persoonlijkheid, haar karakter, haar cultuur, haar donkere huid en haar mentaliteit — niets van dat alles strookte met onze waarden en normen.»

En dus vond Margaretha Geertruida Zelle, die tien jaar eerder van Petersburg tot Parijs nog grote triomfen had gevierd als een oosterse lustgodin, op 15 oktober 1917 haar einde voor een twaalfkoppig vuurpeloton op het binnenterrein van een kasteel in Vincennes, even buiten Parijs. Ze werd als spionne van der Kaiser verantwoordelijk gesteld voor de dood van tienduizenden Franse soldaten in de loopgraven van Verdun. De Franse verachting was zo groot dat er zelfs geen graf van afkon. Het ooit zo felbegeerde lichaam van Mata Hari eindigde op de snijtafel van een academisch ziekenhuis in Parijs. Haar hoofd werd bewaard in een glazen pot op sterk water, die enige jaren geleden opeens ontvreemd bleek te zijn.

De executie van Mata Hari is al decennialang onderwerp van felle kritiek. Journalist Sam Wagenaar voerde in de jaren zestig campagne voor haar rehabilitatie. Wagenaar was in de jaren dertig als joodse Nederlander naar Amerika geëmigreerd en kwam in dienst van Hollywood, alwaar hij met het fenomeen Mata Hari werd geconfronteerd toen MGM een bio-pic over haar lanceerde met in de hoofdrol Greta Garbo. De film leidde in Nederland tot felle protesten van de familie Zelle, die vooral viel over een scène waarin Mata Hari eigenhandig iemand vermoordde. Wagenaar werd door de filmbazen ingehuurd om de film in Europa te promoten, en kwam zo in aanraking met de materie die hem de rest van zijn leven zou bezighouden. Hij schreef er twee boeken over, met als strekking dat Mata Hari vooral vanwege haar liederlijke levensstijl was veroordeeld.

Na Wagenaars dood werd zijn missie overgenomen door Léon Schirmann, een vermogende amateur-historicus te Parijs. Schirmann publiceerde enige jaren geleden een felle aanklacht: l’Affaire Mata Hari. Hij eiste heropening van het indertijd achter gesloten deuren gevoerde proces. Die eis werd eerst verworpen door de Fransen, die ervoor pasten de vanwege de hasjiesj toch al zo geplaagde Parijse verhoudingen met de Batavieren nog eens te verscherpen.

Schirmann, 91 inmiddels, gaf niet op. Eind deze maand verschijnt zijn nieuwe studie over het proces-Mata Hari, aangevuld met een ruim achthonderd pagina’s tellend juridisch dossier, waaruit volgens de auteur glashard zal blijken dat Mata Hari het slachtoffer is geworden van een propaganda-oorlog. «Ze was alleen maar een vrouw die van het leven hield, en die niet in de gaten had dat in tijden van oorlog alles anders was.»

Afgelopen week diende Schirmann weer een verzoek in tot heropening van de zaak bij het Franse hof van Cassatie, ditmaal gesteund door de Stichting Mata Hari te Leeuwarden, alwaar directeur Gerk Koopmans van het Fries Museum — waar enkele jaren geleden een permanente Mata Hari-expostie werd ingericht — veel werk maakt van de rehabilitatie. Ditmaal lijkt het raak. De Franse minister van Justitie Lebranchu toonde zich in ieder geval inschikkelijker dan haar voorgangster Guigou.

In Leeuwarden is het eerherstel voor Mata Hari al volop ingezet. Maandag 15 oktober jongstleden, precies tachtig jaar na haar dood, werd het pleintje tegenover theater De Harmonie feestelijk omgedoopt in het Mata Hariplein. Het was de laatste bestuursdaad van de inmiddels gedwongen vertrokken burgemeesteres L.B.M. van Maaren - van Balen, die in Mata Hari wellicht een lotgenote zag in de strijd tegen de kleingeestige mannenwereld van politici en bureaucraten. Toen in 1976, in het honderdste geboortejaar van Mata Hari, in de binnenstad een beeldje van de danseres werd geplaatst, leidde dat nog tot enig gemor bij het meer behoudende gedeelte van de bevolking. Nu gaat Leeuwarden echter voluit door met het promoten van Mata Hari, die samen met haar stadgenoot Slauerhoff de Friese hoofdstad in ieder geval heeft ontdaan van haar saaie imago.

De zo fatale liefde van Margeretha «Greet» Zelle voor mannen in uniform moet al vroeg begonnen zijn. Haar vader, Adam Zelle, dreef een bloeiende handel in hoeden en petten aan de Kelders in Leeuwarden en maakte ook uniformen voor officieren. Het ging vader Zelle aanvankelijk voor de wind. Dankzij een fors pakket aandelen in olie werd hij een vermogend man, die zijn familie op stand kon laten wonen in de Grote Kerkstraat. In 1889 ging Zelle al speculerend failliet en de vier kinderen tellende familie verhuisde naar Amsterdam, waar een eenvoudige bovenwoning aan de Willemskade werd betrokken. Het huwelijk van haar ouders liep al snel op de klippen, en nadat haar moeder Antje van der Meulen in 1891 was gestorven, werd de veertienjarige Greet aan een oom uitbesteed, die haar in Leiden liet leren voor kleuteronderwijzeres. Toen ze halfbloot op de schoot van de schooldirecteur werd aangetroffen, werd het meisje van school gestuurd en naar een oom in Den Haag gezonden. Daar trof ze eind 1894 een advertentie in het Nieuws van den Dag aan: «Officier met verlof uit Indië zoekt meisje met lief karakter met het doel een huwelijk aan te gaan.»

Zo ontmoet Margaretha de bijna twintig jaar oudere KNIL-officier Rudolph MacLeod, telg uit een van origine Schots geslacht van beroepsmilitairen dat al sinds generaties in dienst was van de Nederlandse kroon. De majoor is onderscheiden met het erekruis vanwege zijn verdiensten in de strijd tegen de opstandelingen van Atjeh. Gekweld door reumatiek en suikerziekte is hij wellicht niet de meest geschikte kandidaat voor de flamboyante Margaretha, maar zijn militaire rang maakt veel goed. Op 11 juli 1895 trouwt het stel in Amsterdam, waar ze gedurende de twee jaar die de majoor verlof had ook wonen. Op 30 januari 1897 wordt hun zoon Norman John geboren. Op 1 mei dat jaar vertrekt de familie naar Java, waar hun tweede kind Louise Jeanna ter wereld komt.

In het mondaine Malang, de «Cote d’Azur van Java», vindt Margaretha veel van haar gading. Ze schittert in een toneelstuk van de plaatselijke oranjevereniging ter ere van de troonsbestijging van Wilhelmina in augustus 1898 en brengt alle mannen het hoofd op hol. Haar echtgenoot is not amused. De eerste spanningen dienen zich aan. De majoor, omschreven als «een onbehouwen koloniaal», dan wel «een onverbeterlijke dronkaard en een halve gek», is niet de gemakkelijkste. Mar garetha verwijt hem overspel, bruutheid en — het ergste van alles — gierigheid. De rampspoed is compleet wanneer in de zomer van 1899 hun zoontje op tweejarige leeftijd overlijdt als gevolg van vergiftiging. De «baboe», de inlandse oppas, geldt als hoofdverdachte; zij zou wraak hebben willen nemen nadat haar echtgenoot was mishandeld door MacLeod. Opgehelderd wordt de moord nooit. MacLeod geeft zijn vrouw de schuld, noemt haar een slechte moeder. Aan zijn broer schrijft hij pas gelukkig te kunnen zijn «als de pest me van dit schepsel zou verlossen». En: «Als ik maar geld had om haar af te kopen, want daar doet het beest alles voor.»

In oktober 1900 krijgt MacLeod zijn pen sioen. Het gezin verhuist naar het rustige Sindanglaja, waar Margaretha zich stierlijk verveelt. «Weg wilde ik, weg tot elke prijs. Ik wilde het leven in, ik wilde mijn jeugd niet begraven in een graf als Sindanglaja.» Margaretha schrijft haar vader dat MacLeod haar heeft bedreigd met een pistool. Het koppel gaat terug naar Nederland en snel wordt een scheiding uitgesproken. Margaretha laat haar dochter bij de majoor achter en begint een nieuw leven in Parijs, waar ze het probeert als schildersmodel, amazone in een circus en — volgens sommige bronnen — als prostituee. In een café in Montmartre begint ze haar exotische dansen te vertonen, geïnspireerd op de Indische dansen die ze tijdens haar verblijf in de Oost had bijgewoond. Aanvankelijk noemt ze zich Lady MacLeod, maar even later wordt dat veranderd in Mata Hari, dat in het Maleis «oog van de dag», oftewel de zon betekent. Die naam wordt verzonnen door Emile Guimet, een schatrijke industrieel die zijn verzameling oosterse juwelen en antiquiteiten heeft ondergebracht in het naar hem vernoemde Museum voor Oosterse Kunst in Parijs. Daar vertoont Mata Hari op 13 maart 1905 haar beroemde «sluierdans»: gekleed in sarong en een met juwelen versierde bustehouder danst ze onder begeleiding van een gamelan-orkest voor het beeld van Shiva, terwijl ze langzaam haar sluiers afwerpt, om uiteindelijk poedelnaakt (afgezien dan van de bustehouder, die altijd aanblijft, volgens Mata Hari omdat haar ex ooit een van haar tepels zou hebben afgebeten) voor het beeld van de god der vernietiging neer te zijgen.

Publiek en pers zijn in extase. Een criticus van La Presse: «De lange Mrs MacLeod vertoonde de bajadare-dracht met onvergelijkbare gratie. Uit Java, op welke brandende aarde zij opgroeide, brengt zij een ongelofelijke soepelheid en een magisch drama mee, terwijl zij haar krachtig bovenlichaam aan haar geboorteland Nederland te danken heeft. Niemand heeft het ooit aangedurfd om zo, trillend van extase en zonder sluiers, voor de god te treden, met zulke schone gebaren, zo gedurfd en toch zo kuis! Zij is een najade, een zuster van de nimfen, en een walkure, gecreëerd om mannen en wijzen naar hun ondergang te voeren.»

Mata Hari is de eerste stripteasedanseres van Europa, zij het dat het striptease is met een esoterisch sausje. «Ik kan helemaal niet dansen», zei ze later tegen een vertrouweling. «De mensen kwamen naar me kijken omdat ik de eerste was die naakt voor het publiek durfde te verschijnen.» Haar publiek houdt haar voor een oosterse lustgodin, voorgangster van een eeuwenoud mysterieus hindoe ritueel. Kundig verzwijgt ze haar oer-Friese afkomst. Ze is sowieso een geboren mythomane. Ze geeft zich uit voor een dochter van een Javaanse koning en wordt een graag geziene gast in de beste salons van Parijs. Ze treedt op met Inyat Khan, de Indiase oprichter van de soefi-beweging in Europa, die haar op de sitar begeleidt. Zelf raakt ze ook steeds meer overtuigd van haar oosterse wortels. «Wanneer mensen mij vertellen over hun vaderland, dan verlang ik naar een ver land, waar een gouden pagode wordt weerspiegeld in een kronkelende rivier. In mijn bloed bevindt zich een geheim met betrekking tot mijn afkomst», zegt ze.

Al snel krijgt Mata Hari veel concurrentie. Talloze danseresjes in Parijs beginnen haar sluierdans te imiteren. Mettertijd verlegt Mata Hari haar grenzen. Zo treedt ze ook op als flamencodanseres. Ondertussen vergaart ze een hele reeks minnaars uit Duitse, Franse en Russische officierskringen, aangevuld met grootindustriëlen en bankiers, die voor het geld moeten zorgen. Een grote teleurstelling is het als ze vergeefs solliciteert bij de vermaarde Ballet Russes van de legendarische Sergej Diaghilev. Vanwege haar uitbundige uitgavenpatroon zit ze ondanks de enorme gages die ze ontvangt voortdurend in geldnood.

Dan krijgt ze begin 1914 het aanbod van het Metropol-theater in Berlijn om de door haar zo geliefde rol van Salomé te vertolken. Nog voordat de première van start gaat, breekt de oorlog uit. De voorstellingen worden afgelast en tot overmaat van ramp worden al haar spullen gestolen. Mata Hari zit aan de grond. Het is om die reden dat ze naar eigen zeggen ingaat op het aanbod van de Duitse consul in Den Haag om voor tienduizend franc informatie in te winnen voor het Duitse Rijk. Volgens Mata Hari accepteerde ze dat alleen maar om het verlies in Berlijn goed te maken. Haar codenaam bij de keizerlijke Abwehr luidt H-21, waarbij de H voor Holland staat. Twee jaar later gaat ze ook in op het Franse aanbod om voor 1 miljoen franc de Duitsers te bespioneren. Zo wordt Mata Hari al snel door alle actieve spionagediensten in Europa met argwaan gevolgd. De Duitsers geven haar in Den Haag een voorraadje onzichtbare inkt mee waarmee ze haar geheime boodschappen moet schrijven.

Of Mata werkelijk iets waard was als spionne, mag worden betwijfeld. Ooit gaf ze een roddel over een Griekse prinses uit het geslacht van Bonaparte door aan Berlijn, maar dat kan nauwelijks van enige importantie worden genoemd. Léon Schirmann toont in zijn boeken aan dat vitale bewijzen van de Fransen tegen Mata Hari — zoals een door de Fransen onderschept morsebericht van de Duitsers over de vorderingen van «H-21» — in werkelijkheid achteraf gefabriceerd zijn.

Onlangs gaf de Britse inlichtingendienst MI5 documenten vrij waaruit bleek dat Mata Hari al vanaf 1914 aandachtig werd gevolgd door de Britten. Het oude verhaal dat Mata Hari in november 1916 per ongeluk door de Britse autoriteiten werd aangehouden omdat men haar aanzag voor de Duitse spionne Clara Benedix, bleek een leugen. Die aanhouding zou Mata Hari fataal worden. Blijkbaar wilde iemand af van Mata Hari. De vraag is wie. Misschien speelde ook Nederland wel een rol. In elk geval was koningin Wilhelmina verbolgen toen de Duitse pers na de arrestatie sprak over nauwe banden tussen de spionne en het koningshuis. Mata Hari werd toen zelfs abusievelijk omschreven als «een hofdame van Wilhelmina». Het neutrale Nederland deed echter niets om zijn onderdaan uit Franse handen te redden. Nederland had haar einde voor het executiepeloton toen al geaccepteerd. Haar laatste opgetekende woorden: «De dood is niets; ook het leven niet; sterven, slapen, dromen, heengaan, het betekent zo weinig. Alles is illusie.» Waarmee Mata Hari inderdaad heel wat oosterser bleek te denken dan haar afkomst uit de Friese klei zou doen vermoeden.