Susan Sontag

Een frissere blik

Susan Sontag schreef om zich intellectueel te ontlasten en om te veranderen tijdens het schrijven. De essays in Tegen interpretatie hebben hun werk gedaan.

Susan Sontag en schrijver Norman Mailer, New York, januari 1968 © Fred W. McDarrah / Getty Images

Susan Sontag lijkt soms een schrijver wier werk je het best via een ander tot je kunt nemen, óver wie je liever leest dan dat je haar precieze woorden tot je moet nemen, zo complex en ‘dicht’ is haar werk als het erop aan komt. De figuur is welhaast iconischer dan haar schrijven. De populariteit van haar dagboeken onderstreept dit verschijnsel alleen maar. Des te verrassender is het om via nieuwe Nederlandse uitgaven terug te kunnen keren tot de bron, en erachter te komen hoe fris en ‘eigen’ haar essayistiek nog steeds kan zijn. Zeker het titelessay in de bundeling Tegen interpretatie, dat in de diverse overleveringen voor mij was teruggebracht tot die ene oneliner – ‘kritiek is de wraak van de criticus op de kunstenaar’ – blijkt een opwekkende tekst, zij het meer een cumulatieve verzameling van prikkelende uitspraken dan een afgewogen betoog.

Sowieso is afgewogenheid niet helemaal waar Sontag op uit is, eerder een soort recalcitrant poneren, met uitspraken als: ‘Echte kunst bezit het vermogen om ons nerveus te maken’ en ‘Interpreteren (…) betekent kunst verkrachten’. Wat zeker iets onweerstaanbaars heeft. ‘Aan wat voor kritiek bestaat vandaag de dag behoefte?’ vraagt ze semi-argeloos. En: ‘Hoe zou kritiek eruitzien die het kunstwerk dient, het niet van zijn plaats dringt?’

De overgeleverde oneliner vond ik met moeite terug in een veel ingewikkeldere zin: ‘In een cultuur met het onderhand klassieke dilemma van de hypertrofie van het intellect ten koste van energie en zinnelijke vermogens is interpretatie de wraak van het intellect op de kunst.’ Ondertussen schuilt in deze zin wel meteen het oer-conflict waarop Sontag drijft, in haar schrijven, en ook in haar leven, afgaande op de heerlijke biografie die Benjamin Moser van haar schreef. Ze verzet zich tegen een cultuur waarin het beschouwende intellect hoger wordt aangeslagen dan het scheppende instinct, het lichaam op een lager plan staat dan de geest, wat uit de mond van een hyperintellectueel als Sontag op z’n zachtst gezegd nogal masochistisch klinkt.

Dat Sontag voortdurend zichzelf iets óplegt in plaats van te redeneren vanuit haar eigen instinct, maakt haar essays bijzonder intens, om niet te zeggen ‘heftig’, om er maar eens een modieuze term tegenaan te gooien. In het opvallend menselijke woord vooraf bij deze bundeling schrijft ze dat ze haar essays over kunst en kritiek schreef uit enthousiasme, zelfs met een zekere ‘naïviteit’. Dwingend hoogstens voor zichzelf. Geestig verklaart ze er niet op uit te zijn geweest iemand naar het Beloofde Land te leiden, ‘alleen mezelf’. En dat wat dat betreft de essays ook hun werk hebben gedaan, voor haar: ‘Ik zie de wereld anders, met een frissere blik’. Waar het haar om te doen was: dat ze veranderde tijdens het schrijven, en ook weer veranderde sinds ze de stukken schreef. Kritieken schrijven noemt ze zowel intellectuele ontlasting als intellectuele zelfexpressie. Het is niet dat ze antwoorden heeft gevonden, klinkt het soeverein aan het eind van haar inleiding, maar meer dat ze de aanvankelijke problemen in rook heeft laten opgaan. Als je er eenmaal oog voor hebt, valt er best veel te lachen bij Sontag.

Als je er eenmaal oog voor hebt, valt er best veel te lachen bij Sontag

In deze bundel is ook Notes on ‘Camp’ opgenomen, vertaald als Notities over camp. Het gaat door voor een van de sprankelendste, meest humoristische essays die Sontag schreef. Het is ook het essay dat definitief haar naam vestigde in 1965. 31 was ze, en de talk of the town, mede dankzij een groot profilerend stuk in The New York Times Magazine dat het verschijnsel nog eens juicy samenvatte. Volgens de ‘anti-Camp-psychiater’ uit New York die in het profiel werd geciteerd, was camp vooral ‘iets uitermate kinderachtigs’, een manier om weg te lopen voor het leven en de verantwoordelijkheden die daarbij zoal komen kijken.

In de biografie over Sontag beschrijft Moser levendig en precies hoe een toch tamelijk complexe verhandeling in een intellectueel tijdschrift (de Partisan Review) zoveel teweeg kon brengen, van afkeuring tot heiligverklaring. Het was alsof ze het manifest had geschreven van een geheim genootschap waar iedereen bij wilde horen. Sontag werd een beroemdheid; ze werd door Andy Warhol gefilmd, te eten uitgenodigd bij Jackie Kennedy. Moser: ‘Zoals de eerste aanblik van het Vrijheidsbeeld een vast onderdeel is in de autobiografie van de immigrant, zo werd de eerste keer dat je Sontag zag een vast onderdeel in het Amerikaanse literaire leven van de twintigste eeuw.’ Ik weet niet of deze zinsnede me was opgevallen als ik het indirect zelf ook niet zo had ervaren: toen een goeie vriend begin jaren negentig terugkeerde van een tripje New York was zijn voornaamste ervaring dat hij bij de opera Susan Sontag in het publiek had gezien. Notes on ‘Camp’ was afgelopen zomer in New York opnieuw helemaal hot en happening, toen de jaarlijkse prestigieuze modetentoonstelling in het Metropolitan Museum ‘camp’ als thema had, oftewel hoe elementen van parodie, pastiche, kunstmatigheid, ironie en overdrijving in mode worden uitgedrukt. Modecurator Andrew Bolton benaderde ‘onze’ Jan Versweyveld (strikt gesproken die van Ivo van Hove, verantwoordelijk voor de spectaculaire enscenering van diens toneelwerk) om het een en ander vorm te geven.

Camp: Notes on Fashion, zoals de geheel in flamingo-roze gedoopte expositie kwam te heten (helaas net niet meer te zien, wat de herinnering eraan alleen maar ‘campier’ maakt), overtrof alles wat je zou kunnen bedenken aan uitdossingen en poses. Sontag zelf was alom aanwezig, in portretten en uitspraken, maar vooral in de begeleidende citaten uit Notes on ‘Camp’ in de verschillende vitrines. Het was ontroerend om te zien hoe fashionista’s, gerijpt en in de dop, m en v, l,h,b,t,q en i, in groten getale de weg naar het museum vonden om zich te vergapen aan de kakofonische interpretatie van Sontags erfgoed.

In haar essay drijft Sontag de kunst van de paradox tot grote hoogte: over camp schrijven betekent camp verraden. Het is wonderbaarlijk hoe ze trefzeker een lijst aanlegt van personen, fenomenen, dingen, die wel of niet camp zijn. Zonder veel toelichting, en toch overtuigend. Het heeft met smaak te maken, met sensibiliteit, intelligentie en – iets verholener – homoseksualiteit. Ernstige dingen worden frivool in haar opsomming, en vice versa. Stijl gaat boven inhoud, maar dan wel ‘een bepaald soort stijl’. Tweeslachtigheid is een terugkerend kenmerk: het mooist in viriele mannen is iets vrouwelijks, het mooist in vrouwelijke vrouwen is iets mannelijks. In het tersluiks tot ridder slaan van homoseksuelen als ‘de aristocraten van de smaak’ heeft dit essay iets ontegenzeggelijk heroïsch, zeker als je nagaat in welke tijd ze dit schreef.

In de onderliggende kwestie van het essay, of er zoiets bestaat als goede en slechte smaak, en wat de scheidslijn daartussen is, heeft Sontags betoog weinig aan actualiteit verloren. Haar opmerkingen over naïeve en opzettelijke camp, en dat ‘echte’ camp op onschuld berust, maken van camp ook een uiterst beweeglijk fenomeen. Wat is er in deze dóór-gecampte tijden nog waarlijk camp te noemen? Nee, nu niet aankomen met het songfestival, of de Toppers. Dat is gedateerde, of achterhaalde, camp. Misschien zelfs altijd al te bedacht om ooit voor zuivere camp te hebben kunnen doorgaan. Denk aan teder, niet-tragisch, ‘apotheose van karakter’, ‘genieten’, vreselijk maar goed.

Waar Sontag uitkwam op opera’s van Bellini, dat ene restaurant aan Sunset Boulevard, vrouwenkleren uit de jaren twintig, Het zwanenmeer, kun je bijna niet anders dan nu de films met Nicolas Cage in het lijstje te zetten, samen met Hema-worst, overalls van Carhartt, Veronica – lachen met de mannen! – inside.