De motorclubs

Een gastenbedje in het clubhuis

Het offensief van de autoriteiten tegen criminaliteit binnen de vier grote Nederlandse motorclubs is in volle gang. De andere clubs voelen zich gestigmatiseerd. Bij hen draait het om broederschap en liefde voor de motor.

Beer en Cindy, Rogues – ‘Overal vrienden maken en het leven zien als een feest, daar gaat het om’

Schietpartijen, grootschalige cocaïnehandel, het produceren van xtc, omvangrijke hennepteelt, wapenhandel, afpersing en het gebruik van geweld tegen zowel de eigen leden als buitenstaanders. De vonnissen in de rechtszaken tegen vier grote motorclubs in Nederland staan er vol mee. Eind mei werden de Hells Angels verboden. Afgelopen maand volgden No Surrender en Satudarah, die laatste in hoger beroep. De Nederlandse afdeling van de Bandidos is al sinds 2017 verboden. Steeds wees de rechter op de ‘ontwrichtende werking’ die de clubs hebben op de samenleving.

Het Openbaar Ministerie en de politie hanteren een lijst waarop momenteel zeventien motorclubs staan, inclusief de vier verboden organisaties. ‘Motorbendes’ worden ze in de stukken genoemd, of naar Amerikaans voorbeeld outlaw motorcycle gangs, door het OM gedefinieerd als ‘organisaties die zich bezighouden met ondermijnende en criminele activiteiten waarbij de motor slechts een façade is’.

De verboden zijn niet erg effectief. Omdat het eerder niet lukte motorclubs tot criminele organisatie te bestempelen, is nu gekozen ze aan te pakken langs civiel-rechtelijke weg. De verboden kunnen pas strafrechtelijk worden afgedwongen als er geen hoger beroep meer mogelijk is. De trajecten kunnen nog jaren duren.

Er is bij politie en OM echter nauwelijks aandacht voor het stigmatiserende effect dat het offensief heeft op kleinere, bonafide clubs. Uit een steekproef van de politie kwam naar voren dat driekwart van de leden van outlaw motorclubs ooit is veroordeeld voor een verkeersdelict, en bijna de helft voor geweldpleging. Maar die veroordelingen staan vooral op naam van leden van drie grote clubs: Satudarah, Hells Angels en No Surrender, en veel minder op die van kleintjes als Rogues en Black Sheep. Hetzelfde geldt voor drugsdelicten en veroordelingen wegens ‘georganiseerde criminaliteit’. Criminoloog Arjan Blokland, die de steekproef onderzocht en daarover in 2017 een genuanceerd rapport uitbracht, denkt dat een onvermijdelijke bijkomstigheid is dat het beleid stigmatiserend werkt. ‘Het publiek denkt: een motorrijder met een jasje en een logo achterop, daar heb je er weer zo een. Die zien niet het verschil tussen een Hells Angel en een Black Sheep.’

Het leven van Robert van den Bout, ook bekend als de ‘nieuwe dominee’, draait om liefde en respect. Toch prijkt zijn motorclub, Demons MC, een van de eerste in Nederland, op dezelfde lijst als de nu verboden organisaties. ‘Alle clubs die erop staan liggen onder een vergrootglas. Maar ik heb niet eens een strafblad.’ Van den Bout (51) is een biker met een boodschap. Hij richtte de Demons in 1982 op, samen met een vriend, en is nog steeds prominent lid. Liefde, respect, loyaliteit, onvoorwaardelijkheid en broederschap zijn de vijf kernwaarden van de club.

De Demons zijn heus geen lieverdjes, vertelt hij op het tuinterras van zijn huis in Ridderkerk, maar ze verdienen de kost niet langs criminele weg. ‘Dat weet je van elkaar omdat je broeders bent.’ Van den Bout, een spraakwaterval die zichzelf ‘manisch positief’ noemt, heeft een missie. Hij wil de broederschap die motorclubs in zijn ogen zo uniek maakt terugbrengen in de samenleving. ‘Liefde en broederschap vormen de verbinding die veel mensen missen. Ik geloof niet dat motorclubs “ontwrichtend” zijn. Wij zijn juist hard nodig, als tegenhangers van digitalisering, polarisering en indivi-dualisering.’

Zijn boodschap slaat aan. Hij wordt als trainer ingehuurd door bedrijven, en hij is tevens ‘Babs’: buitengewoon ambtenaar van de burgerlijke stand. Als ‘nieuwe dominee’ – een die liefde preekt in plaats van de hel en verdoemenis van sommige oude dominees – verbindt hij mensen in het huwelijk. Bij die gelegenheden rijdt hij als het even kan met zijn motor het podium op. Als hij spreekt draagt hij altijd zijn hesje met de full colours van de Demons met daarboven een predikantenboordje. De ‘kleuren’ van een club zijn heilig in de motorwereld, zeker als ze ‘full’ zijn. Dan bestaan ze uit drie delen die op de rug van een mouwloos vest worden genaaid: het clublogo in het midden, daarboven de naam van de club en onderaan de naam van de lokale afdeling.

In de schuur staan zijn twee Harley-Davidsons. Niet als façade, maar als gemotoriseerde objecten van ware liefde. Dat wil ik ook, dacht hij toen hij als jong ventje een groep Hells Angels onder luid gebrul de straat in zag rijden.

De Hells Angels werden in 1947 opgericht in Californië door veteranen van de luchtmacht die maar moeilijk konden aarden in de individualistische burgermaatschappij. Aanvankelijk werd de snel groeiende, strak geleide motorclub nog omgeven door een aura van brute romantiek, maar inmiddels ligt ze wereldwijd onder vuur omdat het gespierde vrijbuitersgedrag van haar leden uitermate geschikt bleek voor het faciliteren van goedverdienende criminele activiteiten. Desondanks vormen de Hells Angels nog altijd het archetype voor zo’n beetje elke full colour motorclub die wordt opgericht, ook als die niets met criminaliteit van doen wil hebben, zoals de Demons.

Namen wil hij niet noemen, maar Van den Bout denkt wel te weten wat bij ‘sommige clubs’ is misgegaan. ‘In een broederschap sta je blindelings voor elkaar klaar, ook als je midden in de nacht uit bed wordt gebeld. Als je je broeders inzet om foute dingen te doen, maak je misbruik van de broederschap.’ Hij vindt het verbod van de Hells Angels en de andere clubs onterecht. ‘Als mensen crimineel zijn, ook bij mijn club, moet je ze oppakken en veroordelen. Maar je kunt en mag niet de hele club hiervoor vervolgen. Je kunt toch ook niet de hele vvd op z’n kant gooien omdat een paar de boel bedonderd hebben? Je kunt nooit een hele groep veroordelen op het gedrag van een paar idioten.’

In zijn boek Hell’s Angels: The Strange and Terrible Saga of the Outlaw Motorcycle Gangs uit 1967 vertelt Hunter S. Thompson waarom de heftigste motorclubs zichzelf ‘outlaws’ noemen, of ‘1% MC’s’: ‘éénprocent-motorclubs’. In 1947 verzamelden zich een paar duizend motorrijders in het stadje Hollister in Californië voor de jaarlijkse motorraces. Er werd flink gedronken en er ontstonden vechtpartijen. Een Hells Angel die aan de rellen deelnam vertelde aan Thompson dat ze niet veel voorstelden. ‘Toen de smerissen paniekerig begonnen te doen, hebben we er een paar in vuilnisemmers gepropt met hun motorfietsen erbovenop. Dat was alles.’ Volgens Thompson klopte de pers de gebeurtenissen flink op. De voorzitter van Amerika’s grootste motorrijdersvereniging verkondigde dat de problemen werden veroorzaakt door ‘één procent ontspoorde motorrijders’ en dat de overige 99 procent bestond uit law abiding citizens. Motorclubs als de Hells Angels gebruikten vervolgens ‘1% MC’ en ‘outlaw’ dankbaar als aanduidingen ter vergroting van hun vrijbuitersimago.

Met de toename van criminaliteit binnen de motorwereld kreeg het 1%-outlaw-predikaat de betekenis van het ‘zich buiten de wet plaatsen’. Satudarah reikt bijvoorbeeld 1%-emblemen uit aan leden die ‘een daad van geweld’ hebben verricht voor de club, zoals te zien is in de documentaire One Blood uit 2015. Zo vullen de Demons ‘outlaw’ niet in, zegt Van den Bout. ‘Wat is buiten de wet staan? Geen boetes en belasting betalen? Dat hou je niet vol. Dat er dingen in de maatschappij niet kloppen en dat je je daar niet aan wilt conformeren, dat is voor mij “outlaw”. Dat je niet net zoals velen alleen maar voor jezelf bezig wilt zijn, maar dat je veel meer bij elkaar betrokken wilt zijn.’

De eerste Nederlandse outlaw motorclub ontstond in Amsterdam, uit de gelederen van de gemotoriseerde nozems met hun Kreidlerclub-Oost. In 1978 werden zij door de Hells Angels in Californië erkend als de eerste full colour-afdeling van de Hells Angels in Nederland. In 1979 werden de Rogues opgericht, gevolgd door de Demons in 1982. In 1988 werden de Black Sheep gevormd, in 1995 de Veterans, waarvan de leden bestaan uit (ex-)militairen die op uitzending zijn geweest. Allemaal kleine clubs, met vaak niet meer dan enkele tientallen leden, zonder internationale afdelingen (chapters) en zonder de geweldscultuur waaraan nieuwelingen – de prospects, die een proeffase moeten doorlopen voordat ze volwaardig lid worden en de full colours mogen dragen – worden blootgesteld.

‘Je kunt toch ook niet de hele VVD op z’n kant gooien omdat een paar de boel bedonderd hebben?’

In 1990 ontstond Satudarah, dat snel nationaal en internationaal uitbreidde en net als de Hells Angels niet terugdeinsde voor geweld. In 2013 volgde No Surrender, dat ook pijlsnel groeide en in 2014 streken de Bandidos neer in Sittard. Motorclubs houden hun ledentallen liefst geheim. Volgens het OM is Satudarah de grootste club met ongeveer 750 leden.

Om te voorkomen dat in Nederland bloedige bendeoorlogen zouden uitbreken zoals in de VS en Scandinavië, waar de Hells Angels in conflict raakten over territorium met onder meer de Bandidos, besloten de Nederlandse motorclubs te gaan ‘polderen’. In 1996 werd een Raad van Acht ingesteld, waarin de grootste clubs met elkaar overlegden. Daar werd onder meer bepaald welke nieuwe clubs de full colour-status kregen. De raad is inmiddels uiteengevallen, maar in Noord-Nederland zou weer een cluboverleg op gang zijn gekomen, melden bronnen in de biker-wereld.

De nieuwe dominee, Demons – ‘In een broederschap sta je blindelings voor elkaar klaar, ook midden in de nacht’

Stap midden in West-Friesland uit de lijnbus vanaf station Hoorn en je ziet het meteen: dit is het territorium van de Beerepoten. Tegenover de bushalte wijken de weilanden voor drie grote witte opslaghallen. Beerepoot BV staat in rode letters op de middelste. Ton Beerepoot wuift vanaf de overkant van de weg. Niet naar de hallen lopen. ‘Hier moet je zijn!’

Ton Beerepoot (58), groot postuur, lang achter-overgekamd blond haar, zwarte bril en donkergrijze baard, laat zich Beer noemen. Door iedereen. Hij is een biker in hart en nieren. Bikers zijn geen ‘meneren’ en gebruiken geen achternaam. We lopen naar het erf achter de boerderij. Hier verdient hij de kost. Met het belendende bedrijf van zijn vader (‘specialist in bandtransporteurs, rollenbanen en complete transportinstallaties’) heeft hij weinig van doen. Ja, hij werkte er een tijdje nadat hij het vwo afrondde omdat hij geen behoefte had om aan een universiteit opnieuw in de schoolbanken te zitten. Hij leerde er lassen, en dat komt hem nu uitstekend van pas.

‘Kom mee’, zegt hij en we lopen naar de werkplaats aan de achterkant van de boerderijwoning. Daar staat zijn eigen motor en die van zijn vrouw. Het zijn choppers – spreek uit ‘sjoppers’: de laid back-motorfietsen met een hoog stuur en verlengde voorvork die wereldwijde bekendheid kregen dankzij de cultfilm Easy Rider (1969). Choppers zijn chopped motor cycles – omgebouwde motorfietsen. De voorvork en het stuur zijn een stuk langer dan bij normale motoren en een chopper is steevast uitgerust met een sissy bar: een hoge rugleuning die de berijder in staat stelt ontspannen naar achteren te leunen, wat het maken van lange tochten mogelijk maakt.

Hunter S. Thompson beschreef hoe de Hells Angels in de jaren zestig hun bikes chopten. Ze namen een Harley-Davidson 74 (een zware motor) en verwijderden alles wat extra gewicht opleverde, soms tot de rem op het voorwiel aan toe. Alleen wat nodig was voor een minimum aan veiligheid, en voor de wet, bleef: een achterlicht en een spiegel. ‘De echte fanaten’, schreef Thompson, ‘monteerden een minuscuul tandartsspiegeltje, waarmee ze nog net aan de verkeerswet voldeden.’

In Beers werkplaats staan twee Harley-Davidsons die hij in opdracht gaat ombouwen tot choppers. De frames ontwerpt en last hij zelf. Er staat er een op de werkbank, met de benzinetank en het motorblok er al op gemonteerd, gespoten in een grijze grondlak. Beer wrijft zachtjes met zijn grote hand over een ronding van het frame. ‘Prachtig toch, die vorm, zo elegant. Het heeft iets kunstzinnigs.’

De Beerepoten wonen al generaties lang in West-Friesland, vertelt Beers vrouw. ‘Ze zijn hier met geen stok weg te krijgen. Of het moet op de motor zijn.’ Beer is het liefst onderweg, met zijn vrouw op haar eigen chopper, of met de maten van zijn full colour-motorclub, de Rogues. Een club die niet de slechte naam heeft van de vier grote clubs die nu door de rechter verboden zijn. Maar over het interne reilen en zeilen van de Rogues spreekt Beer niet – dat is de afspraak die we gemaakt hebben; de club wil liever geen aandacht op zich vestigen. Beer is een van de oprichters van de Rogues. Hij was er dertien jaar voorzitter. ‘Motorclubs maken hun eigen regels’, zegt hij. ‘Dat vonden we vroeger stoer. Bier drinken en kut roepen. Meer was het niet. Maar nu denkt iedereen dat je crimineel bent.’

De Rogues zijn vooral bezig met choppen, motorrijden en het onderhouden van vriendschapsbanden met andere full colour-clubs binnen en buiten Europa. Niet met noties over territorium of het bevechten van andere clubs. Ze peinsden er niet over om in te gaan op provocaties van het Haarlemse Hells Angels-chapter, een paar jaar geleden. Ze bleven gewoon een club van stoere, hecht bevriende motorliefhebbers, en niet meer dan dat.

Beer wil vooral spreken over de cultuur van het motorrijden. Hij vertelt over het gevoel van vrijheid tijdens de lange tochten. Over hoe welkom je bent bij andere full colour-motorclubs, ook in het buitenland. ‘Dan zorgen ze ervoor dat er na je lange tocht een bedje voor je klaarstaat in het clubhuis.’

Een paar jaar geleden startte hij de beweging van ‘2%’. De twee procent staat voor het kleine deel van de motorrijders dat zelf zijn motor in elkaar sleutelt. ‘Dat zie je echt niet, hoor, bij de grote internationale clubs. Wel bij de kleine clubjes. Dat zijn de oerclubs.’ Tegenwoordig heeft iedereen een Harley-Davidson, vers uit de showroom, met een kuip voorop en allerlei glimmende toeters en bellen. Maar die poenerige Harleys zijn in feite gewoon de modelletjes waarop vroeger in Amerika de postbode reed, zegt Beer.

De kans dat er onder de tweeprocenters die hun eigen motor bouwen bikers zijn die de kost verdienen langs criminele weg acht Beer heel klein. ‘Het gaat gewoon niet samen. Je hebt echt toewijding nodig als tweeprocenter. Je bent vooral bezig met je motor en je broeders. We streven een oude biker lifestyle na die nog niet verburgerd is. Het gaat bij ons om broederschap en eerlijkheid, niet om hoeveel je bezit of hoe je eruitziet. We beoordelen je alleen op je gedrag. Een tweeprocenter maakt veel tochten en viert zo de vrijheid. Overal vrienden maken en het leven beschouwen als een feest, daar gaat het om.’

‘Dat vonden we vroeger stoer. Bier drinken en kut roepen. Meer was het niet. Maar nu denkt iedereen dat je crimineel bent’

Onder die noemer geeft Beer, met medewerking van zijn dochter Kim, een tijdschrift uit dat aanvoelt als een boek. Chop, Ride and Party heet het, met harde kaft en 180 pagina’s van hoog-kwaliteitspapier. ‘Voor op de koffietafel dus eigenlijk’, grinnikt hij. Hij draagt er de tweeprocentsfilosofie in uit middels interviews, verhalen en reportages. In elke editie bezoekt hij twee biker-clubs, een oude en een nieuwe. ‘Ons boek is voor chopper-rijders. Je hebt de oude generatie die nu aan het vergrijzen is. Die chopt haar bikes al sinds de jaren zeventig. En er is een nieuwe generatie die dat pas onlangs is gaan doen. We willen die groepen bij elkaar brengen.’

De Deathtraps uit de VS zijn zo’n nieuwe full colour-club, bestaande uit dertigers, afkomstig uit de skate-scene. In Chop, Ride and Party staan foto’s van een tocht die ze maken, met hun tentjes, slaapmatjes en skateboards achter op de choppers gebonden. ‘Machtig mooi’, vindt Beer die jonge clubs.

Het begon ook bij hem al op jonge leeftijd. Brommer rijden en zo gauw mogelijk je motorrijbewijs halen voor het echte werk. ‘Ik wilde altijd het avontuur. Het was ook wel een beetje een reactie op mijn vader. Hij vond het maar niks, die “jassies” en die “littekens”, zoals hij onze tatoeages noemde.’ Vader Beerepoot gaf zijn zoon vijfhonderd gulden voor het afknippen van zijn haar. Beer incasseerde het geld en ging naar de kapper, om vervolgens zijn haar weer te laten groeien, tot chagrijn van zijn vader.

Inmiddels denkt Beers vader positiever over de motorwereld. Hij was diep onder de indruk van de onderlinge band van de Rogues, die hij ervoer toen Beers broer, die net als Beer jarenlang voorzitter was, onlangs overleed. Bij de uitvaart waren zo’n driehonderd motorrijders aanwezig, ook van bevriende clubs. Ze gedroegen zich ingetogen en respectvol.

Unknown Saints – ‘We zitten niet te wachten op aandacht’

Op een bedrijventerrein ergens aan de kust van Friesland zit een groep mannen in het zonnetje. Ze behoren tot de Unknown Saints. Naast hen staan twee choppers. Op een daarvan zit Bas, een prospect, slechts gehuld in turquoise ondergoed. ‘Kijk, daar is zijn broek’, zegt een van de mannen, gierend van de lach. Het ding zit strak om de achteras van de chopper gewikkeld. Bas houdt van ‘luchtig rijden’ en had zijn korte broek aan de rugleuning van zijn zadel gehangen. ‘Dat ging dus mis’, zegt hij, terwijl hij de half uiteengereten broek lostrekt.

De Unknown Saints zijn onze young guns, klinkt het in de motorwereld. Een nieuwe club, geliefd bij de oudere garde, zo horen we van verschillende kanten. De jongste Saint is 19, de oudste 33. Veel leden zijn vroeg in de twintig. Waar de club precies haar hoofdkwartier heeft en hoeveel leden ze telt, houdt medeoprichter Chris liever voor zich. ‘We zitten niet te wachten op aandacht’, zegt hij, omringd door de overige clubleden. Hij startte de club in 2014, samen met zijn vriend Dave, toen ze nog op brommers reden. Chris’ ouders zijn actief in de motorwereld en al vroeg sloeg de vonk over. Hij kwam voor het eerst in een clubhuis toen hij een paar weken oud was.

De Unknown Saints zijn nog geen volwaardige MC. Ze dragen op hun hesjes slechts de front patches. De achterkant van de mouwloze jasjes is nog leeg. Daar komen pas colours op als alle leden hun volledige motorrijbewijs hebben. Voor zware motoren kun je pas vanaf je 21ste rijexamen doen. De Saints zijn al wel actief in de motorwereld. Al sinds ze nog op brommers reden bezoeken ze clubhuizen van full colour-clubs. Onlangs vierden ze hun vijfjarige bestaan met een paar honderd genodigden, onder wie afvaardigingen van bevriende motorclubs. De plakkaten met clubemblemen, die MC’s elkaar traditioneel geven als geschenk, prijken aan de muur van het clubhuis, dat is gevestigd in de box achter de zonnende Saints. Achter de roldeur bevinden zich een werkplaats om aan de choppers te sleutelen en een kleine bar.

De Unknown Saints zijn relatief jong, maar bloedserieus. ‘Kleine jongens worden groot en brommers worden motors’, zegt Jesse. Hij was het eerste volwaardige lid na de oprichting. Hij stroopt zijn rechterbroekspijp op en toont de plek waar een aantal clubleden eigenhandig in een slordige cirkel hun namen hebben getatoeëerd. ‘Alles draait bij ons om broederschap’, zegt hij. ‘Hier verdiepen we onze vriendschappen en leren we om voor elkaar klaar te staan.’ De overige leden beamen dat. ‘Het is eigenlijk net een relatie’, zegt een van hen. ‘Met ups en downs.’ Een ex-militair, vroeg in de dertig, vond bij de Saints de broederschap terug die hij verloor toen hij afzwaaide. ‘Ik geef mijn leven voor deze jongens.’

De Saints zijn niet blij met de huidige hype rond motorclubs. Daardoor melden zich soms personen met wie ze weinig ophebben. ‘Zo’n gast die te veel heeft gekeken naar Sons of Anarchy en andere shows, met een blinkend nieuwe motor, die om ons heen begint te hangen en erbij wil horen. Broeder dit, broeder dat. Maar als het niet klikt, wordt het niks en kun je geen prospect worden’, zeggen de mannen.

In het uitgaansleven worden de Saints vrijwel nergens meer geaccepteerd als ze hun motorhesjes dragen. ‘Stigmatisering’, vinden ze. De politie kwam een tijdje geleden langs om fijntjes te kennen te geven dat ze in de gaten worden gehouden. Het maakt de groep hechter, maar ook giftiger jegens de buitenwereld. Die denkt blijkbaar dat ze ongeletterde boerenpummels zijn met criminele ambities, maar er zitten geen dropouts, of zoals ze zelf zeggen ‘klaplopers’, bij de groep. Een paar zijn bezig met een hbo-studie, een heeft een eigen bedrijf en anderen hebben veelgevraagde technische mbo-opleidingen afgerond en werken hard voor hun geld, onder meer als gespecialiseerde lassers.

‘Het komt ook door hoe we eruitzien’, zegt Jesse. Donkere spijkerbroeken en spijkerjacks, afgetrapte gympen, tatoeages. Koppel dat aan hun norse minachting voor de strakke regels van het burgermansbestaan en er rolt al snel een negatief oordeel uit de bus. ‘Ze beschouwen ons als tuig. Maar veel andere gasten van onze leeftijd zitten te blowen op de bank terwijl wij sleutelen aan onze motors, tochten maken en bouwen aan onze vriendschappen.’

De Unknown Saints komen echter niet bepaald over als lieverdjes. Hoe zit dat? Wordt er nooit geknokt dan? Dat gebeurt, geven ze toe, maar vechtpartijtjes zijn geen ongewoon verschijnsel in het Friese kroegleven. En de meeste bars hebben tegenwoordig beveiligers in dienst, dus echt uit de hand loopt het nooit. Maar het zou wel mooi zijn als die ook eens voor hen zouden opkomen. ‘We worden constant getest.’ Maar de Saints laten het tegenwoordig liever niet op een confrontatie aankomen. ‘Door al die negatieve publiciteit is tegenwoordig iedereen al op voorhand tegen je.’

Het opvallende is dat die negatieve houding vooral speelt bij mensen die hen niet kennen. Ze tonen een bericht dat buurvrouw Barbara, die vlak bij het veldje woont waar de Saints hun vijfjarige bestaan vierden, op haar Facebookpagina heeft gepost. ‘250 bikers van clubs uit heel Nederland!?’, schrijft ze. ‘Ik was wel bezorgd. Maar het was een te gek feest en alles werd keurig netjes opgeruimd.’

Rotte appels binnen motorclubs, die de broederschap misbruiken voor hun criminele activi-teiten, moeten worden aangepakt, vinden ze. Maar het verbieden van motorclubs haalt volgens hen niets uit. De drang naar broederschap is altijd sterker dan de arm der wet. Kijk maar naar het Northcoast-chapter van de Hells Angels in Harlingen. Nu de club verboden is, gaan de Friese leden terug naar hun wortels. Op het clubhuis prijkt weer Northcoast Rockers, de naam van de motorclub voordat ze toetraden tot de Angels.

Toch zijn de Saints kwetsbaar. ‘We kunnen elkaar makkelijk kwijtraken als een van ons zich om een boom vouwt’, zegt Chris peinzend. Er volgen verhalen van motorrijders uit de buurt met wie het niet goed is afgelopen. Na een korte stilte waarin slechts het geknisper klinkt van een sjekkie dat gedraaid wordt, zegt Jesse: ‘Bikers doen natuurlijk hartstikke stoer, maar uiteindelijk zijn we zo fragiel als glazen vaasjes.’