De polemiek is verdwenen

Een gat in je geheugen

Vroeger telde je pas echt mee als je een polemiek had gevoerd. In de afgelopen jaren is het genre langzaam verdwenen. Er is geen Rubinstein, Brandt Corstius, Kousbroek, Komrij of Brouwers meer.

«Een geslaagde polemiek brandt een gat in je geheugen»

(Uit: De Groene Amsterdammer, 1995)

In Nederland wordt een politicus doodgeknald door een idealist op plastic schoenen, een nieuwe partij komt met 26 hele en halve minkukels in de Tweede Kamer, in de bouw wordt omvangrijk gefraudeerd, de kwestie-Srebrenica verandert Kok nog meer in een verguisd politicus, het dagblad Het Parool wordt uit het paradijs gegooid, of juist uit de hel, het massatoerisme heeft het strand tot een ordinaire discotheek getransformeerd, de pro-joden van Ajax maken Ajax tot een antisemitische club, cabaretiers hebben zich opgeworpen als het geweten van de natie, er zijn mensen die in Felix Rottenberg echt iemand van belang zien, op de televisie probeert iedereen Barend & Van Dorp na te doen, criminelen zitten in de regering en zero tolerance is het devies, de paus gaat maar niet dood, bij mij in de buurt is een kinderspeelplaats aangelegd tegenover een krankzinnigengesticht, zo’n slome figuur als Balkenende predikt een nieuw elan.

En hoe staat het met de polemiek?

Met de wat?

Met de polemiek.

O, ik dacht dat je zei: met de politiek.

Nee, met de polemiek, de literaire polemiek.

Hoe het daarmee zit? Geen idee.

Bestaat niet meer. Wegens gebrek aan onderwerpen.

Wegens gebrek aan talent.

Theo van Gogh zit bij Harry Mens.

Tja, zullen wij maar naar huis gaan?

«Een geslaagde polemiek brandt een gat in je geheugen», schreef Martin van Amerongen in 1995 in De Groene. Wat zou hij daarmee bedoelen? Een gat branden in je geheugen betekent toch dat er iets in je geheugen kapot wordt gemaakt? Dat er niets meer is? Een gat is vergeten, voor altijd uit je geheugen wissen.

Maar ik vermoed dat Martin juist het tegenovergestelde bedoelde: een geslaagde polemiek blijft je altijd bij als een brandmerk op je huid. Zoek maar een andere als deze koloniale vergelijking je niet bevalt.

Ik was zestien jaar en ik wilde literatuur lezen. In Groningen woonde een schrijver die een prachtig boek met een prachtige titel had geschreven. Dat boek heette: Ik heb altijd gelijk. Die schrijver had nu zelf nog een boek uitgegeven, dit keer met zijn verzamelde stukken tegen andere schrijvers. Dat boek heette Mandarijnen op zwavelzuur. Dat boek wilde ik ook hebben. Ik vroeg het voor mijn verjaardag. Het was een prachtig wit boek met een vervaarlijke vogelkop op het omslag. Geen havik, zoals je misschien zou denken, maar een vogelkop van een meeuw. Er zat een collage bij van een vrouw met een ouderwetse grammofoonhoorn op de plek van haar hoofd.

Er stonden prachtige zinnen in, zoals deze: «Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een tramconducteur trapt op zijn bel.» Later heb ik Gomperts een paar keer ontmoet. Een aardige man, maar ik kon hem nooit meer anders zien dan als de bel van de tram. Die bel — ik spreek nu over de jaren vijftig — werd bediend via een stoere knop van glimmend staal, bevestigd op de grond in het bestuurdershokje, precies op de plaats waar hij zijn rechtervoet met de grootst mogelijke kracht kon laten neerdalen. Als de bestuurder erop trapte, kromp je als overstekend of voetballend jongetje ineen.

Trringg!!!

Een snijdend geluid!

Trringg!!!

Au!

Gomperts!!!

In Nederland telde je pas mee als je een polemiek had gevoerd. Je telde pas écht mee als je een polemiek had gewonnen. Zelf heb ik ooit een polemiek gevoerd tegen het Fonds voor de Letteren door uit te rekenen dat bestuursleden meer maandeenheden kregen dan niet-bestuurs leden. Als je in het bestuur komt, ga je vanzelf beter schrijven, constateerde ik. Ik werd erom verguisd, maar ik hoorde er ook opeens bij. En reuze trots natuurlijk toen verontruste leden in vergadering bijeenkwamen.

In 1995 maakte Martin van Amerongen in zijn stuk in De Groene de balans op van de polemiek. Renate Rubinstein was al dood, maar wie had je nog? Brandt Corstius, Komrij, Kousbroek, Brouwers. Nu zijn wij al weer zeven jaar verder. Van Amerongen is ook dood. Brandt Corstius geeft, geloof ik, in Parijs les aan Franse studenten Nederlands. Hij schijnt ook nog een column te schrijven in Trouw. Lees ik nooit. Bestaat Piet Grijs nog en Stoker? Komrij is alleen in poëzie geïnteresseerd. Hij polemiseert slechts als de dichters dood zijn of op sterven liggen. Kousbroek is af en toe boos, vooral als het over Amerika gaat. Maar Amerika ligt ver weg. Ik kom graag in Amerika. Brouwers heeft prijzen gekregen. Hij hoeft ook al niet meer zo nodig. Gelukkig in de Ardennen met jonge vriendin.

En de jeugd?

Welke jeugd?

Schrijven die nog weleens een polemiek?

Ik zou het niet weten.

Nee, echt niet.

Kom, wij gaan een politicus neerschieten.