Vertaalde literatuur

Een gebrand kind

Uit het Frans vertaald: ‹Het meisje dat te veel van lucifers hield› van Gaétan Soucy. Over het jeugdige geloof dat de wereld in orde is zoals die nu eenmaal is.

Ze zullen wel weten waarom, de vermoeide geesten die de hele wereldliteratuur al gehad hebben en zeggen nog alleen genoegen te beleven aan het herlezen, van de groten zoniet van alleen de klassieken. Ik lees liever door, al was het maar om af en toe op een verrassing te stuiten, een boek dat iets bijzonders biedt, hoe bekend misschien ook de ingrediënten. Soms weet je dat pas wanneer je het boek uit hebt en er iets in je kop blijft zoemen, soms, zoals in dit geval, ruik je het al op de eerste pagina. Het is niet de titel: Het meisje dat te veel van lucifers hield — het doet aan het meisje met de zwavelstokjes denken — net zo min als de kinderachtige illustratie op de voorkant van de Nederlandse uitgave.

De auteur was voor mij een onbekende. Gaétan Soucy is geboren in 1958 in Montréal, waar hij filosofie doceert. Eerder schreef hij twee andere romans die thematisch nogal wat met deze te maken schijnen te hebben. De flaptekst wekt alleen maar misverstand door de magie van de roman in een paar interpreterende zinnen om zeep te helpen. Het is de toon die deze roman zo bijzonder maakt, en dat al vanaf de eerste zin. «We moesten het universum zelf ter hand nemen, mijn broer en ik, want op een ochtend vlak voor zonsopgang gaf papa plompverloren de geest. Zijn stoffelijk overschot, verkrampt in een pijn waarvan alleen de schil nog over was, zijn decreten die zo plotseling tot stof waren vergaan, het lag nu levenloos in de kamer boven vanwaar papa onze levens regeerde, de vorige dag nog. We hadden bevelen no dig om niet in brokken uiteen te vallen, mijn broer en ik, ze waren onze mortel. Zonder papa konden we niets. Uit onszelf waren we nauwelijks in staat te aarzelen, te bestaan, bang te zijn, te lijden.» Gaat dit over de dood van God? Nee, wel over die van een god de vader.

Afgezonderd van de grote wereld leeft een man op een landgoed met twee zoons die ombeurten voor hem dagboek houden in een zogeheten «geheimschrift» (in het Frans grimoire, dat zowel gekrabbel als boek met toverspreuken betekent). De zoon die zich op de eerste pagina aandient als «secretariër» blijft het hele boek door schrijven. De man heeft zich opgehangen. Als de vinder vertelt hoe wit het lijk is, want «wit» zegt op zich niks, verwijst hij naar een hoop stenen bij de droge beek, zó wit. «‹Maar dan is hij eerder blauw›, zei ik, ‹blauwig wit.›» Als broer opmerkt dat vader niet meer ademt: «‹Dan is hij dood›, zei ik. Ik herhaalde, en dat overkomt me niet vaak: ‹Dan is hij dood.› Het vreemde was dat er niets gebeurde toen ik die woorden uitsprak. Het universum was er niet beroerder aan toe dan gewoonlijk. Alles sliep door, dezelfde oude slaap, alles bleef rustig slijten en vergaan of er niets aan de hand was.»

De schrijver van dienst is totaal in de war, minder door het lijk dan door het feit dat hij voor de nieuwe situatie geen afdoende woorden heeft. Het woord «universum» hoort nog tot de vertrouwde orde, maar doodskist heet eerst «lijkwade» («of de dauwbedekte deken waarin de ridder het verkleumde lichaam van zijn teerbeminde wikkelde, zo zeg je dat namelijk») en dan «vurenhouten kostuum», welke uitdrukking de vader in zijn verhalen over vroeger had gebruikt.

Niet wetend wat geld waard is, gaat de een, die zich de intelligentste van de twee noemt, met een zak vol centen op pad om een kist te kopen. Voor het eerst van zijn leven verlaat hij hun besloten wereld, met Paard, waarvan het even later heet: «Hij loopt met zijn kop naar beneden als een dier dat alles wel gezien heeft op deze planeet en er zijn bekomst van heeft.»

Deze steekproeven geven misschien een indruk van het merkwaardige taalgebruik dat in het boek wordt gebezigd. De verteller heeft het overgehouden uit zijn lectuur van vaders grote bibliotheek, hij denkt en schrijft in termen van de ridderverhalen, sprookjes en heiligenlevens (die de vader, die ooit missionaris in Japan is geweest, las én zelf schreef). Zijn wereldbeeld is gevormd door de Ethica van Spinoza, juist omdat de jonge lezer er geen snars van begreep; zijn grammatica en barokke formuleringen door de memoires van Saint-Simon die het leven beschreef aan het hof van de Zonnekoning.

Voor de hoofdpersoon zijn alle boeken woordenboeken. Als door de dood van de vader de met boekenwijsheden dichtgeplakte wereld instort, zit de verteller met vragen van vóór Spinoza en moet hij woorden vinden voor het feit dat hij geen ballen meer heeft maar zwellingen op bepaalde plaatsen, en moet hij een naam geven aan allerlei vreemde gewaarwordingen. In het dorp noemt een man hem zomaar meisje, een heel knap meisje zelfs. Voortaan moet hij het grammaticale geslacht van de hoeren gebruiken, want van vader heeft hij geleerd dat alle vrouwen hoeren zijn. Tevens blijkt dat de vader een rijk en machtig mijnbezitter was en dat de twee kinderen zo dadelijk hun huis zullen kwijtraken.

Op dat moment besluit zij in haar geheimschrift getuigenis af te leggen van alles wat er gebeurt — de algehele ineenstorting van een gesloten wereld — en zij recapituleert hoe het schrift begon: «We moesten de boel wel zelf in de hand nemen, mijn broer en ik, want op een ochtend vlak voor zonsopgang…» En het pontificale woord «universum» blijkt in de weergave van eigen ervaringen gewoon «de boel» geworden.

Tot dusver dacht de jongen in termen van het universum en omstreken zoals de personages van Platonov in socialistische leuzen spreken en die van Flannery O’Connor en Torgny Lindgren de wereld met bijbel spreuken te lijf gaan. De roman doet me ook sterk aan Het dikke schrift van Agota Kristof denken. In die lijn ligt, denk ik, deze roman: hoe het is als iemand in (grote) woorden gelooft.

Soucy’s roman gaat niet over de verdrijving uit het paradijs van de jeugd, maar over de ellende van de kindertijd waar elke volwassene zijn hele leven mee te kampen heeft: het geloof dat de wereld in orde is zoals die nu eenmaal is, bevestigd door de taal waarin men wordt grootgebracht.

Op het eind, voordat de woordenboeken en de hele bibliotheek in vlammen opgaan, ontdekt de vertelster haar naam, Alice. Ook de Alice in dit boek, die als een bezetene schrijvend op het eind zo ver is dat ze in de tegenwoordige tijd de gebeurtenissen op de voet volgt, heeft haar spiegel, «een spiegel die stilstaat, zoals je dat zegt van een klok». Wie meer over deze wonderlijke wereld wil weten, moet het boek van Soucy maar lezen.

Gaétan Soucy

Het meisje dat te veel van lucifers hield

Uit het Frans (1998) vertaald door Han Meijer, Uitg. Querido, 176 blz., € 15,95

______________________________________

João Ubaldo Ribeiro

Het huis van de gelukkige boeddha’s

De schrijver kreeg het manuscript per post, zijn enige bijdrage heeft bestaan uit het persklaar maken ervan. Geen mens gelooft natuurlijk dat dit vrijmoedige levensverhaal door een vrouw is geschreven — maar waarom niet, over een klein meisje mag wel — en daardoor is de lol er meteen af, wat de vertelster, een vrouw van tegen de zeventig, ook beweert: dat het geen roman is maar een verslag, loeren door een sleutelgat, case histories (die bewijzen dat elke man min of meer homo en elke vrouw min of meer lesbisch is), dat ze een pornografisch getuigenis wilde afleggen. «Mémoires van een libertijnse» had ze het willen noemen. En het is waar, het leven van deze vrouw was gewijd aan de gezonde bevrediging van haar wellust. Het gezonde is van haarzelf waarbij zij geen variatie onbeproefd heeft gelaten; waar, hoe en met wie dan ook. Ook op rijpere leeftijd heeft ze haar zaakjes goed geregeld, als inwijdster van jonge lieden — ze heeft er zelfs een bedrijf voor opgericht. Ze weet er sappig over te vertellen, is er vooral op uit allerlei mythes uit de wereld te helpen en vrouwelijke trucjes uit de doeken te doen. Van João Ubaldo Ribeiro (1941) zijn eerder een stuk of vier boeken vertaald, onder meer Brazilië, Brazilië, een groot boek over Brazilië, en de sterke monoloog van een moordzuchtig man, Sergeant Getúlio.

Uit het Braziliaans (1999) vertaald door Harrie Lemmens

Uitg. De Bezige Bij, 160 blz., € 15,85

Ignacio Padilla

Amphitryon

Zeus nam de gedaante van de Griekse koning Amphitryo aan om diens vrouw Alcmene te verrassen; Heracles heette de vrucht. Hermann Göring zou in 1942 het plan Amphitryon hebben bedacht om Himmler uit te schakelen: training van een aantal plaatsvervangers voor Hitler en andere hogere na zi’s. In de roman van de jonge Mexicaanse schrijver Ignacio Padilla is dit plan maar een van de vele gevallen van gedaante- en naamsverwisselingen, te beginnen met een schaakspel in een trein naar het front, 1918. Als winnaar krijgt een soldaat de identiteit van zijn tegenstander en wordt seinwachter op de lijn München-Salzburg. De verliezer is een man die onder vele geleende namen op vele verschillende plaatsen zal opduiken — aan het Servische front of als generaal in Berlijn — om na de Tweede Wereldoorlog in Zwitserland zijn leven te slijten als Poolse baron. Al die episodes zouden een fantastisch spel met historische gegevens hebben opgeleverd, als de schrijver de gedaanteverwisselingen niet had voorzien van zulke onwaarschijnlijke (psychologische) motieven als strijd tegen het lot (dat een mens bij de conceptie krijgt ingeprent), of wraak op een tweelingbroer in de gedaante van een personage dat staat voor «de triomf van de ellende in de wereld». Het testament van de vermeende Poolse baron ontpopt zich tot het eindspel van een schaatsfanaat waarbij alle betrokkenen worden verrast. Dat leest als een detective, maar het ingenieuze schaduwspel wordt bedorven door de suggestie dat de Eichmann die in 1960 in Argentinië werd gepakt, niet meer dan een stand-in zou zijn geweest.

Uit het Spaans vertaald (2000) door Mariolein Sabarte Belacortu

Uitg. De Bezige Bij, 224 blz., € 18,50

Pablo De Santis

Het labyrint

Op gezag van de Spaanse krant El País weet de uitgever te melden dat deze roman herinneringen oproept aan Borgés en Eco en dat is maar al te waar. Niet dat de jonge Argentijnse schrijver Pablo De Santis (1963) niet handig weet te goochelen met zijn ingrediënten. Op zich is er aardige satire mogelijk met een hoogleraar literatuur die zijn carrière heeft gebaseerd op een auteur van eigen maaksel en alle rivalen uit de weg ruimt. Iets minder wordt het als een gesjochten nachtwaker in de huid van de gefingeerde schrijver kruipt. Maar een literaire puzzel maakt nog geen roman, hoe interessant ook het materiaal, zoals figuren die of aan het Marconi-syndroom lijden — aan een stuk door romans bedenken zonder een regel op papier te krijgen — of aan de ziekte van Van Holst — acute grafomanie van een man die niet met schrijven kan ophouden omdat anders de dingen om hem heen verdwijnen.

Maar in dit boek blijft het net zo’n gimmick als het Rusthuis Spinoza, een hotel dat ooit werd gebruikt voor de internering van intellectuele dissidenten en nu dient ter opvang van briljante geesten die de realiteit niet aankunnen. Het is allemaal verwisselbaar, net als het labyrint van de Centrale Bibliotheek, waar zich al deze drama’s met dodelijk einde afspelen. Op de vierde verdieping, daar gebeurt het allemaal. Maar om de verwarring compleet te maken, blijkt dat zich volgens de Nederlandse uitgever op de vijfde verdieping af te spelen.

Uit het Spaans (1998) vertaald door Marga Greuter

Uitg. Prometheus, 208 blz., € 14,95

Amélie Nothomb

Cosmetica van de vijand

Zeven boeken blijken er eerder al van haar te zijn vertaald, en ik had niet eens van haar gehoord. Amélie Nothomb (1967), de in Japan geboren dochter van een Belgische diplomaat; in Frankrijk bestsellerauteur. Het fotootje van haar lijkt op een computer gemaakt. Van de 37 romans die zij zou hebben geschreven, zijn er sinds 1992 zo’n tien gepubliceerd. Van de nieuwste vertaling, Cosmetica van de vijand, is de titel nog het beste, hoewel het verhaal veelbelovend begint. Een man wordt tijdens een vertraagd vertrek op het vliegveld door een onbekende (Nederlandse) man aangesproken, die niet ophoudt met praten en alles van de reiziger schijnt te weten, zo hij al niet diens hele leven leidt. Het verhaal zakt in elkaar als de kwelgeest bekent zijn andere ik te zijn, «het monster in jou». Dat hij de moord op ’s mans vrouw heeft gepleegd, wekt dan geen verbazing meer. Ik neem deze gelegenheid dan maar te baat om op een eerdere vertaling van Nothomb te wijzen, Filippica’s — een titel die even weinig zegt als de oorspronkelijke Les Catilinaires (heeft ook iets met Cicero te maken). Het verhaal behelst een nachtmerrie die tot het eind toe spannend blijft. Een ouder echtpaar betrekt een droomhuis op het land. De volgende dag komt de buurman langs, een arts, die zich gedurende twee uur beperkt tot ja en nee op alle vragen, wat hem niet belet de volgende dag op hetzelfde tijdstip terug te komen en dat voortaan elke dag. The Stranger Next Door luidt de adequate Engelse vertaling.

Uit het Frans vertaald (2001) door Marijke Arijs

Uitg. Manteau /De Bezige Bij, 95 blz., € 14,95

Michael Rips

Pasquales neus

Niet weer een Amerikaan over de genietingen van het Toscaanse licht of ijlere zaken, nee, de New Yorkse advocaat Rips lijkt een man die liever lui dan moe is. Ten eerste had hij weinig zin om zijn schilderende eega naar de Italiaanse provincie te volgen, en kan hij zozeer van de natuur walgen dat hij naar een hotel vlucht. Ten tweede kende hij geen Italiaans en dacht hij dat de Italianen hem niet zouden verstaan. Ten derde had hij een voorkeur voor rondhangen. Dat laatste, zijn gebrek aan eigenschappen, kwam ter plaatse goed uit. Als hij op een pleintje zat te lummelen, zag hij het groepje oude mannen op het dorpsplein van Sutri, een plaatsje in de heuvels tussen Rome en Viterbo, al klessebessend met de zon meedraaien zodat ze vanzelf bij Rips terechtkwamen; en enkelen bleken Engels te spreken, overgehouden uit de tijd dat ze in geallieerde gevangenschap hadden gezeten. Zo kwamen ze aan de praat. En Rips kan luisteren én kijken, met als resultaat een alleraardigst boek vol rake portretten en verhalen. Er tuft een postbode rond die analfabeet is en er is een laarzenmaker die schoeisel op het oog aanmeet en blind blijkt — zo heeft elke inwoner en elk huis wel z’n verhaal. Over de sociale orde op een plein blijken al hele hoofdstukken te schrijven. Het enige gevaar is dat de plaats, die zichzelf een Etruskisch verleden toedicht en daar desnoods een hele geschiedenis bij aanpast, uitsluitend uit zonderlinge types lijkt te bestaan. Dat het leven zich hoofdzakelijk in cafés en restaurants afspeelt, levert in elk geval een aantal culinaire uitstapjes en recepten op.

Uit het Amerikaans vertaald (2001) door Tjadine Stheeman

Uitg. De Bezige Bij, 205 blz., € 16,56

Leonardo Sciascia

Een duidelijke zaak/ De ridder en de dood

Leonardo Sciascia (1921-1989) heeft het detectivegenre een politieke draai gegeven, zodat een moordzaak bij hem meestal met meer vragen eindigt dan hij begint. Want zeker als de maffia in het spel is, legt de speurder het af tegen hogere machten. In de twee novellen die Sciascia in zijn laatste levensjaar schreef, steekt hij daar de draak mee. Een gepensioneerde diplomaat keert terug om de briefwisseling van zijn overgrootvader met Garibaldi en van zijn grootvader met Pirandello uit te pluizen. Zijn dood lijkt zelfmoord, maar zo duidelijk is de zaak natuurlijk niet — in een groteske wisseling van perspectief kan iedereen de dader zijn. Even ironisch is in het verhaal De ridder en de dood de mogelijkheid dat een nieuwe organisatie is bedacht om een advocaat te kunnen vermoorden of omgekeerd. Sciascia gaf de ten dode opgeschreven adjunct onmiskenbaar trekken en gedachten van zichzelf. Met deze uitgave zijn praktisch alle boeken van Sciascia vertaald.

Uit het Italiaans vertaald door Linda Pennings / Frans & Renilde Denissen

Uitg. Serena Libri, 139 blz., € 16,75