Een gedeeld leven

Er woonden eens, niet zo lang geleden, in het hoge noorden van Zweden, twee broers, op roepafstand van elkaar, beiden alleen, de een met de kanker in zijn lijf, de ander lijdend aan zijn hart, de een verzot op zout spek, de ander zwelgend in zoetigheid. Jong zijn ze niet meer, in feite leven ze nog alleen voor elkaar, dat wil zeggen dat de een wil doorleven om de ander het eerst te zien sterven. Een ‘wedkamp van de doelloze levensverlenging’, zo noemt het een pottekijkster, om maar een naam te geven aan de veertigjarige vrouw die in beider leven komt.
Met haar komst begint het verhaal van de Zweedse schrijver Torgny Lindgren. Hadar, de oudste van de twee broers, de hartlijder, heeft al het onnodige in zijn leven afgeschaft; terend op een hamstervoorraad aan eten en pijnstillende middelen, is de krant het enige dat hem met de buitenwereld verbindt. Daarin heeft hij gelezen dat de vrouw een lezing kwam geven, over heilige gekken. Hij is er heengegaan, zijn laatste autorit, en heeft haar mee naar huis genomen. En zij, die het leven neemt zoals het haar overkomt, is met hem meegegaan, omdat ze nu eenmaal ergens moet overnachten, en zij blijft als het huis de volgende dag blijkt ingesneeuwd, of liever: ze stelt haar vertrek keer op keer uit.
Na een dag bezoekt ze de broer, Olof, en behalve verzorgster van de twee wordt ze tussenpersoon of medium. Over haar leven komen we niets te weten; haar lijkt niets te raken, maar ook niets te deren, en als ze voor de twee broers toch een belangrijke rol vervult, dan haars ondanks: zonder haar zouden ze niet eens meer weten hoe hun strijd eruitziet, tenminste van buitenaf, want de een kent de ander misschien beter dan zichzelf. Hebben ze immers niet met z'n tweeën één leven geleid?
Ze deden het met één gemeenschappelijke jeugd, één vrouw, die van Olof, één zoon, die van Hadar, één kat, die jarenlang tegelijk kater en kat was.
Alleen hun herinneringen verschillen, en dat verschil is ooit ontstaan toen de twee, die als kinderen niet buiten elkaar konden, door de volwassenheid van elkaar gescheiden werden. De hommelhoning was misschien het laatste dat ze nog echt met elkaar gemeen hebben gehad. Beiden zochten ze met hun grootvader de nesten van de hommels in de aarde, maar ze delen die herinnering niet. Ook na hun scheiding konden ze niet zonder elkaar; dat maakt hun strijd ook zo dubbelzinnig.
Moet je deze bizarre geschiedenis nu symbolisch lezen? Als critici dat beweren en zich door Lindgren genomen voelen, belasten ze, denk ik, het boek met hun eigen overinterpretatie. Ik zie niet wat er symbolisch aan het verhaal is. Lindgren begint met 'n soort proefopstelling: wat gebeurt er als een derde in het leven van deze twee broers treedt? En hij laat zien hoe ingewikkeld zogenaamd eenvoudigen van geest in elkaar steken. Hij legt dat niet uit, hij laat het zien, heel concreet, in een taal die even elementair is als de mensen die hij aan het woord laat. Wie daarin per se iets anders wil lezen dan er staat, mist een bijzondere novelle van een bijzondere schrijver.