30 jaar val van de Muur: Valse beloftes

Een gedesillusioneerde generatie komt in opstand

Wij, geboren in 1989, groeiden op in een optimistische en apolitieke tijd, met de overtuiging dat de wereld definitief het pad naar vrede en voorspoed was ingeslagen. Maar de toekomst wordt niet automatisch beter, weten we inmiddels.

Wij zijn geboren in het jaar dat de geschiedenis ten einde kwam. In december 1989, om precies te zijn, een maand na de val van de Berlijnse Muur. Even leek het alsof we de formule achter Vooruitgang hadden ontrafeld en definitief het pad naar wereldwijde vrede en voorspoed waren ingeslagen. Als kind kregen we ingeprent dat we alles konden worden wat we wilden, als we maar hard genoeg werkten en in onszelf geloofden. Via de popcultuur bereikte de Amerikaanse droom de buitenwijken van de middelgrote steden waar we opgroeiden. ‘If I can see it I can do it. If I just believe it, there’s nothing to it’, zong r&b-idool R. Kelly in zwoele uithalen als opmaat naar het refrein dat ieder jaren-negentigkind kan meezingen: ‘I believe I can fly. I believe I can touch the sky.’

Er was weinig om van wakker te liggen, onze nachtmerries gingen over de vampiers van Paul van Loon, niet over het einde van de beschaving, laat staan de ondergang van de planeet. Natuurlijk, oorlog en armoede waren de wereld nog niet uit, maar dat leek een kwestie van tijd. Er doemden nieuwe problemen op, maar we wisten met welke middelen we die moesten bestrijden. Nu het Rode Gevaar was verslagen konden vrijheid en democratie zich verder over de aardbol verspreiden. De wereldeconomie groeide hard en zou alleen maar verder groeien en kansen bieden voor iedereen. Niemand had het meer over de klassenstrijd en racisme was iets uit een donker verleden. De jaren negentig waren zwanger van grote beloftes.

Nu onze dertigste verjaardag nadert moeten we vaststellen dat veel van die beloftes niet zijn ingelost. We joegen onze dromen na, maar behaalden onze diploma’s toen de economie in duigen lag. We vertrouwden op de deskundigheid van economen, maar kwamen erachter dat hun modellen de kiemen plantten voor sociale en ecologische ontwrichting. Het optimisme van de jaren negentig komt ons nu, turend in de achteruitkijkspiegel, ronduit naïef voor. We leven in een wereld waarin de rijkste één procent bijna de helft van het totale mondiale vermogen bezit. Een wereld met een ontregeld klimaat, waarin nieuwe muren worden opgetrokken.

Het kan verklaren waarom wij, net als veel leeftijdsgenoten, onderhand allergisch zijn voor het gezapige consensusdenken dat zo typisch was voor de periode na de val van de Muur. Natuurlijk moeten we oppassen om de ervaringen binnen onze bubbel – van overwegend hoogopgeleide, witte stedelingen – te extrapoleren naar een hele generatie, maar er zijn genoeg aanwijzingen dat de ‘kinderen van de jaren negentig’ er radicalere politieke ideeën op nahouden.

Minder dan de helft van de Amerikanen tussen de 18 en 29 heeft een positief beeld van het kapitalisme en velen van hen joelen instemmend als congreslid Alexandria Ocasio-Cortez (geboren 1989) tekeergaat tegen het establishment. In Europa gaan generaties ‘y’ en ‘z’ samen de straat op om actie te eisen tegen klimaatverandering en is de opkomst van de groene partijen vooral te danken aan jeugdige kiezers. Met hun afkeer tegen het ‘redelijke midden’ vormen niet alleen democratisch socialisten, maar ook nieuwrechtse agitators een magneet voor gedesillusioneerde millennials.

***

‘You adult múst change your ways.’ Een dertienjarig meisje spreekt de wereldleiders toe op een conferentie van de Verenigde Naties. ‘Ik vecht hier voor mijn toekomst. Het verlies van de toekomst is iets anders dan het verlies van een verkiezing, of een paar procentpunten op de aandelenbeurs.’

Het is 9 juni 1992 en in Rio de Janeiro vindt de allereerste Earth Summit plaats. De felle speech van Severn Cullis-Suzuki maakt zichtbaar indruk op de toehoorders; nadat ze klaar is met praten houdt het applaus minuten aan. ‘Bedankt dat je ons eraan helpt herinneren dat we verantwoordelijk zijn voor toekomstige generaties’, zegt de voorzitter.

Op de top in Rio kwam de wereld samen om mondiale milieuproblemen het hoofd te bieden. Het vertrouwen in internationale samenwerking was in de jaren negentig ongekend groot. De mondiale politiek ontvouwde zich voor onze ogen als een schouwspel waarvan, afgezien van een plottwist hier en daar voor het dramatische effect, het script al vastlag. Een verhaal met een happy end, dachten wij. De hoofdrol – hoeder van de liberale waarden – ging naar de Verenigde Staten. Onder Amerikaans leiderschap zou de wereldpolitiek tot een natuurlijke orde komen, gekenmerkt door mensenrechten, individuele vrijheden, economische groei en internationale dialoog. Wij groeiden op met het idee dat Kofi Annan echt de baas was in de internationale arena en de VN zouden verzilveren wat zij bij hun stichting in 1948 hadden beloofd, ‘de toekomstige generatie te behoeden voor de verschrikkingen van oorlog’.

Ook als het aankwam op de gemeenschappelijke zorg voor de planeet was er reden tot optimisme: met het Montrealprotocol, dat in 1989 in werking trad, was de internationale gemeenschap erin geslaagd het gat in de ozonlaag te dichten. En op de Aarde-top in Rio zouden landen volgens hetzelfde recept afspraken maken om de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen. Het verdrag dat daar in 1992 werd ondertekend vormt nog altijd de basis voor de klimaattoppen die nu jaarlijks plaatsvinden. Maar tijdens de laatste klimaatconferentie, vorige maand in New York, stond opnieuw een meisje achter het spreekgestoelte om volwassenen een spiegel voor te houden. ‘Jullie hebben mijn dromen en mijn kindertijd gestolen met jullie loze woorden’, zei de zestienjarige Greta Thunberg. ‘We laten jullie hier niet mee wegkomen. Hier trekken wij de streep. De wereld wordt wakker. Er komt verandering aan, of jullie dat nu leuk vinden of niet.’ Het is tekenend voor de houding van een nieuwe generatie. De klimaatspijbelaars hebben de hoop opgegeven dat internationale onderhandelingen tot een happy end leiden. Of misschien hebben ze die hoop nooit gekoesterd en zijn ze wel boos, maar niet teleurgesteld, omdat ze niet anders gewend zijn.

Dat is het verschil met de generatie boven hen, met onze generatie, die lange tijd het volste vertrouwen had in de instituties die in het leven waren geroepen om grensoverstijgende problemen het hoofd te bieden. Geheel in de geest van de jaren negentig geloofden we dat klimaatverandering niets meer was dan een horde op het pad van vooruitgang, die we konden overwinnen met dezelfde ingrediënten die de vooruitgang voortstuwden: economische groei en technologische innovatie. Inmiddels weten we beter: sinds ons geboortejaar steeg de concentratie CO2 in de atmosfeer harder dan ooit tevoren.

***

Een kleine eeuw geleden boog socioloog Karl Mannheim zich over ‘het probleem van generaties’. Wat maakt een cohort van leeftijdsgenoten tot een generatie met gedeelde ervaringen en een gemeenschappelijk wereldbeeld? Hoe valt zoiets af te bakenen in een constante stroom van leven en dood? Meer dan door geboortejaren worden generaties gevormd door belangrijke historische en sociologische processen in de formatieve jeugdjaren, schreef Mannheim: ‘Vroege indrukken hebben de neiging om samen te smelten tot een natuurlijke kijk op de wereld. Alle latere ervaringen hebben dan de neiging om hun betekenis te ontlenen aan die oorspronkelijke set, of ze nu verschijnen als een bevestiging en vervulling van die set of als een ontkenning en antithesis ervan.’

Onze nachtmerries gingen over de vampiers van Paul van Loon, niet over de ondergang van de planeet

Mannheim had het over ‘generationele gebeurtenissen’: historische momenten die bijdragen aan een gedeeld bewustzijn onder leeftijdsgenoten. Voor ons was de val van de Berlijnse Muur zo’n generationele gebeurtenis, zelfs zonder die bewust te hebben meegemaakt. Zoals babyboomers zijn getekend door het einde van de Tweede Wereldoorlog, zo is onze generatie gevormd door het einde van de Koude Oorlog. Dat was het moment waarop de Zeitgeist een wending nam en het optimistische levensgevoel postvatte dat onze kinderjaren kleurde en de basis zou vormen voor onze ‘natuurlijke kijk op de wereld’.

Wij werden politiek bewust in een apolitieke tijd. Ideologie was een vies woord uit een lang vervlogen tijd. De Belgische politiek-filosoof Chantal Mouffe vergeleek de verkiezingen na de val van het IJzeren Gordijn met de keuze tussen Pepsi en Coca-Cola. In Nederland ging het tussen Wim Kok en Frits Bolkestein. Om hen met twee colamerken te vergelijken gaat misschien wat ver, maar nadat de sociaal-democraten hun ideologische veren hadden afgeschud waren de PvdA en de vvd toch op z’n minst beide zoete frisdranken die, zo bleek na de campagnestrijd, prima met elkaar mixten tot een paars brouwsel.

Hoewel de eerste aflevering pas in 1999 op tv kwam, is The West Wing de serie die het politieke sentiment van de jaren negentig misschien nog wel het best wist te vangen. In de serie wordt het Witte Huis bevolkt door bevlogen, intelligente ambtenaren die stuk voor stuk het beste voor hebben met hun land. Toby, Josh en CJ – zij waren de sterren van de show. Niet de president, maar zijn staf. Niet de politici op het toneel, maar de uitvoerende krachten achter de coulissen. Het landsbestuur, zo leek de boodschap, konden we het beste overlaten aan kundige technocraten die bereid waren tot compromissen en pragmatische beslissingen durfden te nemen.

Dus luisterden we braaf naar beleidsmakers die repten over ‘groene groei’ en bedrijven zagen als betrouwbare partners in de strijd tegen global warming, die winst konden blijven maken door duurzaam te ondernemen. In 1994 vatte de invloedrijke Britse ondernemer en duurzaamheidsadviseur John Elkington deze filosofie samen met de drie p’s: people, planet, profit. Ondertussen begon de lobbymachine van de fossiele industrie op volle toeren te draaien. In 1989 verenigden oliemaatschappijen zich onder de misleidende vlag van de Global Climate Coalition om twijfel te zaaien over de geloofwaardigheid van de klimaatwetenschap. En wat deden wij? Aangespoord door de Postbus 51-campagne die de Nederlandse overheid in 1991 lanceerde, leerden we netjes ons afval te scheiden, het licht uit te doen wanneer we van huis gingen en korter te douchen. Want: ‘Een beter milieu begint bij jezelf.’

Dat multinationals als Shell en Exxon de grootste verantwoordelijkheid dragen voor ecologische problemen kwam niet bij ons op. Dat de overheid niet wilde ingrijpen in de vrije markt, vonden we logisch. Globalisering leek een natuurkracht die hoogstens wat bij te sturen maar niet te stoppen viel. Een dipje in de groei was gewoon onvermijdelijke conjunctuur, geen reden om te twijfelen aan de zegeningen van de vrije markt. Economie was een objectieve wetenschap en haar beoefenaars hadden onderhand een vrij goed beeld van wat wel en niet werkte. Niet: nivelleren en reguleren. Wel: privatiseren en liberaliseren.

***

Als de aanslag op de Twin Towers – en de westerse reactie erop – een eerste knauw toebracht aan ons vertrouwen in de liberale wereldorde (een ‘antithese’ in Mannheims vocabulaire), dan was de crash van 2008 de definitieve nekslag. ‘De financiële crisis’, schreef de Britse journalist Paul Mason, ‘creëerde een generatie van twintigers wier verwachte levenscurve plots veranderde van een opwaartse naar een neerwaartse lijn.’ Door de flexibilisering van de arbeidsmarkt, de groeiende berg studieschulden en de overspannen woningmarkt bevindt het leven van veel jongvolwassenen zich, ruim tien jaar na de crash, nog steeds in ‘waithood’: ze staan te trappelen om te beginnen aan het ‘volwassen’ leven, maar komen amper vooruit doordat ze veredelde stages en tijdelijke contracten aan elkaar rijgen.

Geen wonder dus dat hoogopgeleide millennials de dominante demografische groep waren tijdens de Occupy-protesten die in 2011 wereldwijd losbarstten. Het waren de twintigers en dertigers die de fundamentele orde van de westerse maatschappij bevragen. Of het nu gaat om Jesse Klaver met zijn kritiek op het ‘economisme’ of Thierry Baudet met zijn aanval op het ‘partijkartel’, allebei willen ze breken met de vastgeroeste status quo. Daarin lijken ze op de bejaarde socialisten Bernie Sanders en Jeremy Corbyn, die ook opvallend populair zijn onder jongeren. Zij bogen nooit mee met de centristische koers die in de jaren negentig gemeengoed werd binnen hun partij en weigerden de Derde Weg in te slaan. Destijds maakte hen dat tot buitenbeentjes en backbenchers, nu is die standvastigheid juist deel van hun aantrekkingskracht.

Wij, en vele generatiegenoten met ons, zien politiek weer als een strijd tussen tegengestelde wereldbeelden, tussen goed en kwaad zelfs, en verwerpen het gepolder waarbij iedereen zijn zegje doet en verandering maar mondjesmaat plaatsvindt. Nieuwe emancipatiebewegingen voeren hun politieke strijd vaak buiten de parlementaire kaders om. Op straat, in de media en in de popcultuur. Groepen als Black Lives Matter, de anti-Zwarte-Piet-beweging en ook de jongste generatie feministen streven niet slechts naar parlementaire erkenning, maar bevragen en bevechten de ongelijke fundamenten van de samenleving – ze morrelen aan ‘het systeem’.

***

Het toverwoord van ‘millennialpolitiek’ is ‘intersectionaliteit’, signaleert de Amerikaanse socioloog Ruth Milkman in het paper A New Political Generation: Millennials and the Post-2008 Wave of Protest. Alle vormen van ongelijkheid (op basis van onder andere huidskleur, gender, seksualiteit, klasse, leeftijd, opleidingsniveau) staan met elkaar in verband en moeten ook zo bestreden worden. Alleen zo valt te begrijpen hoe verschillende vormen van onderdrukking samenkomen, zich manifesteren en elkaar versterken.

Zo stellen de jonge activisten van Black Lives Matter, opgericht en aangestuurd door een drietal vrouwen, meer oog te hebben voor genderongelijkheid en seksisme dan de burgerrechtenbeweging uit de jaren zestig, die vooral leunde op charismatische mannen – het is ‘not your grandfather’s civil rights movement’. Ook de reacties op #MeToo tonen een duidelijk generatieverschil. Vergeleken met sommige oudere feministen die waarschuwen voor een heksenjacht, mannenhaat, en overdreven seksueel puritanisme, is de jongste generatie een stuk minder vergeeflijk. Kinderen die in de jaren negentig nog onbezorgd dansten op de hitjes van R. Kelly roepen nu op tot een boycot van de sexual predator.

Diezelfde onbuigzaamheid zie je bij de tak van de klimaatbeweging die wordt aangevoerd door jongeren. Clubs als Code Rood en Extinction Rebellion nemen geen genoegen met het oeverloze geheen-en-weer van de klimaattafels waar de oudere milieugroepen aan deelnemen, en proberen met daden van burgerlijke ongehoorzaamheid de urgentie van de klimaatcrisis duidelijk te maken. Al die groene beloftes zijn goed voor de profit en leuk voor sommige people, maar de planet komt er behoorlijk bekaaid vanaf. Zelfs John Elkington vindt het inmiddels tijd om zijn duurzaamheidsfilosofie te herzien. ‘Ondanks de successen worden ons klimaat, watervoorraden, oceanen, bossen, bodem en biodiversiteit in toenemende mate bedreigd’, schreef hij vorig jaar in een artikel in de Harvard Business Review. Dus willen de activisten system change, niet climate change.

De compromisloosheid van millennials komt volgens socioloog Milkman voort uit een ‘gevoel verraden te zijn’: hun levenservaringen komen niet overeen met het meritocratische en egalitaire wereldbeeld waarmee zij groot werden. En dat geldt niet alleen voor economische verwachtingen. Wij groeiden op in de veronderstelling al in een post-raciale, regenboogkleurige samenleving te leven. We zongen mee met de reclame van Duo Penotti – ‘twee kleuren in een potti!’ – en draaiden de cd’s van de Spice Girls helemaal grijs. Wie heeft er nog stoffige feministen nodig als je dit soort powervrouwen als rolmodel hebt?

Onze generatie ziet politiek weer als een strijd tussen tegengestelde wereldbeelden, tussen goed en kwaad zelfs

Emancipatie was gezellig, een feestje, grappig zelfs. In de sitcom Seinfeld grapten Jerry en George over indianen en grolden over Chinese vrouwen. Chandler van Friends wilde in geen geval gezien worden als homoseksueel en Monica werd telkens weer gefatshamed voor het overgewicht van haar tienerjaren. Want minderheden waren toch pas echt geaccepteerd wanneer je eens goed over hen kon lachen?

Maar hoe tolerant we ook dachten te zijn, de realiteit bleek anders. Structureel racisme, discriminatie op de arbeids- en huizenmarkt, politiegeweld, vastgeroeste gendernormen, seksisme en seksueel geweld, de gapende loonkloof tussen mannen en vrouwen, het gebrek aan gelijke representatie in politiek en bedrijfsleven en stigmatisering van en geweld tegen de lhbtq-gemeenschap – deze problemen waren nooit echt weggeweest. Dat deze thema’s sinds een aantal jaar weer boven aan de politieke agenda staan is grotendeels te danken aan het activisme van onze generatiegenoten.

Ook de ogenschijnlijk onschuldige series moeten het ontgelden. Toen Friends vorige maand zijn 25ste verjaardag vierde, vroeg YUNG DWDD zich af hoe houdbaar Friends nog is. De conclusie: een serie die draait om het wereldbeeld van ‘zes witte hetero’s die nooit hun huur niet kunnen betalen’ is niet meer van deze tijd. En toen Netflix kort daarna bekendmaakte vanaf 2021 Seinfeld opnieuw uit te gaan zenden, brandde de discussie los op Twitter: waarom zouden we hier nog naar willen kijken? Op Instagram is #WokeCharlotte een fenomeen. Fans herschrijven scènes van Sex and the City door Charlotte York, het braafste personage uit de serie, fel repliek te laten geven op politiek incorrecte uitspraken van haar vriendinnen. (‘The correct term is “trans” and trans sex workers deserve respect. After all they’re not the ones gentrifying the neighborhood. Please check your cisgender privilege, Samantha’). De Charlotte in deze memes is ‘woke’: ze is wakker geworden en heeft haar ogen geopend voor het hardnekkige onrecht in de wereld.

‘Het wereldbeeld van millennials’, schrijft socioloog Milkman, ‘voegt de identiteitspolitiek geassocieerd met de New Left van de jaren zestig samen met de traditionele kritiek op klassenongelijkheid van het oude links uit de jaren dertig.’ Het Britse weekblad The Economist signaleerde zelfs dat het socialisme een kleine dertig jaar na de implosie van de Sovjet-Unie bezig is aan een opmars onder onze generatie. Al hebben de ‘radicale’ agendapunten van deze millennial socialists – het reguleren van markten, het repareren van sociale vangnetten, hogere belastingen voor de superrijken, een New Deal (een groene, ditmaal) – meer weg van de naoorlogse sociaal-democratie dan van een proletarische revolutie. Ze combineren wokeness met kapitalismekritiek.

***

Dat andere millennials juist in alt-rechtse richting lijken te radicaliseren, is vanuit de generatietheorie van Karl Mannheim perfect verklaarbaar. Het zijn, in de woorden van de socioloog, ‘slechts twee polaire vormen van de intellectuele en sociale reactie op een historische prikkel die door allen gemeenschappelijk werd ervaren’. Thierry Baudet beweert de frisse politieke wind te zijn die niet met de consensuscultuur meewaait. Met Forum voor Democratie wil hij een cultuuroorlog in gang zetten; eentje die de maatschappelijke omwentelingen die sinds mei 1968 hebben plaatsgevonden (‘de massale immigratie, de euromunt, de kaalslag in het onderwijs, het multiculturalisme, de schaamte voor onze eigen geschiedenis en de culturele zelfhaat’) terugdraait. Het is een boodschap die, getuige het publiek op de zomerkampen en partijbijeenkomsten, vooral in de smaak valt bij jonge mannen.

Die cultuuroorlog speelt zich voor een groot deel online af. Op sociale media als 4Chan, Discord, Reddit en YouTube vinden nativistische en extreem-rechtse bewegingen steeds meer aanhangers – vaak jonge mannen die ageren tegen de ‘politiek correcte’ feministen en antiracisten die het volgens hen voor het zeggen hebben in het Westen. En dat terwijl ons – toen wij in de jaren negentig de zoldertrap beklommen en verwachtingsvol wachtten op het gepruttel en gepiep van de inbeltoon – een global village was beloofd.

***

En toch. Toch is Friends een van de meest bekeken series op Netflix, denken we met weemoed terug aan de geborgenheid onder de grootvaderlijke Wim Kok, en bepalen modetrends van toen – plateauzolen, trainingspakken en tuinbroeken – weer het straatbeeld. De Spice Girls en de Backstreet Boys vullen popzalen met hun reünietours. ‘What’s up with our obsessive love affair with the last decade of the 20th century?’ vroeg tijdschrift Rolling Stone zich vorig jaar af.

Nu kent iedere generatie een zekere nostalgie naar de eigen kinderjaren, maar hier lijkt meer aan de hand. In deze turbulente tijden verlangen we terug naar die zorgeloze periode, waarin de wereld overzichtelijk leek. Als Nederlanders ‘groeiende tegenstellingen’ als een van de grootste bedreigingen voor de samenleving zien, is het niet vreemd dat we heimwee hebben naar een decennium van ideologische windstilte. Hádden we maar een leader of the free world, zoals president Jed Bartlet in The West Wing, in plaats van het ongeleide projectiel dat in werkelijkheid in het Witte Huis resideert. Wat zou het heerlijk zijn als we konden geloven in de beloftes van het wereldwijde web of dat we in een maatschappij leven waarin kleur er niet toe doet. ‘Misschien zijn we zo nostalgisch over de jaren negentig’, opperde Rolling Stone, ‘omdat we weten dat we nooit nostalgisch zullen zijn over 2018.’

Zoals dat gaat bij herinneringen uit de kindertijd, is ons geheugen natuurlijk selectief: wat overblijft zijn de voorbeelden die het beeld van een post-politiek tijdperk bevestigen, wat verloren gaat zijn de tegenvoorbeelden. Want ook in de jaren negentig klonken er wel degelijk protestgeluiden, al moest je wellicht aandachtiger luisteren om ze te horen. ‘We got to fight the powers that be’, rapte hiphopgroep Public Enemy in ons geboortejaar. En in het jaar dat R. Kelly zijn debuutalbum Born into the 90s uitbracht, schreeuwde Zack de la Rocha, leadzanger van rockband Rage Against The Machine, de longen uit zijn lijf om structureel racisme aan te kaarten in hun debuutsingle Killing in the Name.

Toen de nineties op hun einde liepen, reisden tienduizenden activisten af naar de wto-top in Seattle voor het eerste massale protest van de antiglobaliseringsbeweging en publiceerde de Canadese activiste Naomi Klein haar klassieker No Logo, waarin ze haar pijlen richt op de wanpraktijken van rücksichtslose multinationals en de destructieve ideologie van ongebreidelde vrijhandel. Indertijd had ze moeite om een Amerikaanse uitgever te vinden. Zouden lezers wel op dit soort systeemkritiek zitten te wachten? ‘Het beeld bij de culturele en journalistieke poortwachters was dat jonge mensen volledig apolitiek waren’, blikte Klein eerder dit jaar terug in een interview in The Guardian. Niets bleek minder waar: ‘No Logo kwam uit op een moment dat een wereldwijde beweging explodeerde, wat mainstream commentatoren volledig verraste. Het voelde als het breken van een dam: iedere maand was er een nieuwe massademonstratie.’ Misschien moeten we juist putten uit die alternatieve erfenis, die niet alleen bij ons, maar ook in het collectieve geheugen ondergesneeuwd is geraakt.

Zelfs uit de val van de Berlijnse Muur, de ‘generationele gebeurtenis’ die ons wereldbeeld zou bepalen, kunnen we andere lessen trekken. In plaats van het begin van een consensustijdperk is het ook het toonbeeld van wat collectieve actie vermag. Hoopvolle burgers trotseerden de zwaarbewapende grenswachten en trokken eigenhandig het IJzeren Gordijn naar beneden. In wezen streden zij voor dezelfde idealen als waar onze generatie nu voor vecht. Een land waarin iedereen dezelfde kansen heeft, ongeacht huidskleur, geslacht of afkomst. Een wereld waarin landen samenkomen om grensoverstijgende problemen aan te pakken. Een betere toekomst.

Die idealen zijn niet verwezenlijkt, want anders dan de strijdbaarheid die spreekt uit de lyrics van Public Enemy of de boeken van Naomi Klein geloofden de meeste mensen in de jaren negentig dat de geschiedenis ten einde was gekomen. Het is de desillusie met dit apolitieke vooruitgangsoptimisme uit onze jeugd die verklaart waarom veel millennials de ideologische veren weer hebben opgeplakt. Onze generatie is minder bang om te polariseren of systeemkritiek te leveren, omdat we inmiddels weten dat de toekomst niet automatisch beter wordt. Vooruitgang vergt inspanning en politieke strijd, denken wij. Alleen zo kunnen we de beloftes van de jaren negentig misschien nog inlossen.