‘een geeuwtje, een poepje’

Peter van Lier, Miniem gebaar. Uitgeverij Meulenhoff, 160 blz., f19,90
WAAR HIJ ERG van houdt, Peter van Lier: van wind, een stijve bries, van regen ook - ‘Ik zeg:/ regen is een zegen’, heet het althans in zijn juist verschenen debuutbundel Miniem gebaar.

Maar hij houdt ook van snuitkevertjes en van duiven, van vogels en vogeltjes in het algemeen, lijkt het. En niet te vergeten: hij houdt van gras, en ja, ook van bomen. Of misschien moet ik niet zeggen dat Van Lier blijkens zijn gedichten van al deze zaken houdt. ‘Houden van’ lijkt niet de juiste uitdrukking te zijn om te omschrijven in welke verhouding Van Lier tot de dingen staat. 'Houden van’ veronderstelt een actievere houding dan die welke je in de gedichten uit Miniem gebaar tegenkomt. Die gedichten zijn misschien nog eerder onverschillig van toon, of nee laconiek, al vind ik dat dan onmiddellijk toch weer veel te ongeinteresseerd klinken.
Nou ja, ik bedoel eigenlijk dit:
'Groots, zeg ik bij mijzelf. De mens leeft zich uit in zomer- frivoliteiten, ongetwijfeld, het is zomer. Zwijgend kijk ik toe, met af en toe een miniem gebaar. Ter verduidelijking: Ik ben een serieus mens, nooit bak ik het ei met geschonden dooier.’
Het ligt nogal voor de hand, zegt de dichter, dat de mens zich in de zomer uitleeft in zomerfrivoliteiten, maar hij doet daar niet aan mee. Niet omdat hij het veracht, dat is het niet. Integendeel zelfs: hij noemt het groots. En het is dus ook niet omdat het hem onverschillig laat, maar omdat het leven voor hem niet op die manier voor de hand ligt. De frivoliteit veronderstelt namelijk een werkelijkheidsopvatting die niet wordt betwijfeld. Zij veronderstelt zekerheid. Maar met een dergelijke werkelijkheidsopvatting wordt de dooier van de werkelijkheid geschonden, en ik denk zelfs dat je hier mag zeggen dat voor Van Lier iedere werkelijkheidsopvatting de dooier schendt. Een werkelijkheidsopvatting brengt immers een hierachie aan in de werkelijkheid, stelt het een boven het ander en de mens boven al, terwijl in die werkelijkheid zelf niets boven iets anders staat.
En juist dat maakt dat Van Lier niet in staat is om zich uit te leven. Hij zou het wel willen hoor, daar niet van. Lekker een beetje zomerfrivool in de zomer zijn. Groots lijkt hem dat. Maar het gaat niet. Dat is een kant van de zaak.
Neem een ander gedicht, 'Ter plaatse’ geheten, waarin niet meer gebeurt dan dat er laconiek op een oude bemoste boomstronk wordt plaatsgenomen, waarvan, 'nog laconieker, vermolmd de bast losbreekt, waardoor// ineens, zo direct, zo'n overvloed aan klein/ dierenleed/ zichtbaar wordt, dat je ter plaatse maar tot een ding besluit:// wegwezen zonder erbarmen’.
Hier lijkt de dichter toch bijna vanuit een bepaalde werkelijkheidsopvatting naar de wereld te kijken. Want bijna laat hij zich verleiden tot wat het terecht en geraffineerd geisoleerde woord 'dierenleed’ gewoonlijk oproept: menselijk medelijden. Dat medelijden komt regelrecht voort uit de al te menselijke hardnekkige ontkenning van de principiele onverschilligheid waaraan al het leven onderworpen is: die van de dood. Is dat immers niet wat ons in natuurfilms zo doet griezelen bij die telkens maar van hun rotspunt op hun prooi neerstortende adelaars, of wat ons huiverend doet toezien hoe jonge leeuwinnen soepel en lenig hun eerste altijd maar weer Bambi-gelijkende gazelle killen? Wie kent niet de verontwaardiging bij zulke beelden, zelfs al weet hij beter?
Het medelijden met het zo weerloze slachtoffer (zelfs als het een slachtoffer is dat zelf nu ook niet bepaald vegetarisch dineert) is menselijk, maar getuigt van een werkelijkheidsopvatting die vals is. Anderzijds - wie bij al dat dierenleed onverschillig toeziet, er helemaal niets bij voelt, die is toch een behoorlijk onmens. Wegwezen zonder erbarmen lijkt inderdaad het enig mogelijke, want in de vlucht schuilt het menselijke, al te menselijke dat men ontlopen moet om tegenover de werkelijkheid zelf niet onheus te worden door erbarmen te tonen.
Het is deze, eigenlijk alleen in paradoxen weer te geven tussenpositie die aan Van Liers ogenschijnlijk simpele gedichten hun kracht geeft: tussen het onvermogen deel te hebben aan een algemeen geaccepteerde maar al te menselijke werkelijkheid en het onvermogen zich uit te leveren aan de volstrekte onverschilligheid van wat dan de werkelijkheid-zonder-meer moet heten. Het is dit verlangen in twee richtingen dat Van Liers poezie ook die broos- en breekbaarheid geeft, die mij er dan telkens weer toe brengt om te zeggen dat Van Lier wel degelijk houdt van de dingen die hij in zijn poezie aanraakt.
HET IS ECHTER een liefde die niet uit is op het conserveren, vastleggen of verstarren, of behoud of bezit, maar een liefde die volledig belangeloos is en die juist in het verliezen, het kwijtraken, het breekbaar zijn en breken zijn grond vindt. Zoals het leven pas de moeite van het leven waard wordt wanneer het niet wordt verbonden met een hiernamaals waarop het hiernumaals gericht moet zijn, maar met de tijdelijkheid en het voorbijgaan.
Dat bij een dergelijke houding ook geen zelfmedelijden is toegestaan, blijkt duidelijk in de schitterende reeks 'Tevergeefs’. Hier gaat het om niets minder dan een verloren geliefde, die telkens op een haast favereyaanse wijze wordt opgeroepen: 'Nu wind de gordijnen beweegt/ en ik// mijn haren voel bij het pogen me haar/ voor te stellen zoals ze werkelijk is, wat/ natuurlijk mislukt’, heet het in het eerste gedicht van de reeks. En in de tweede 'Opnieuw/ zo'n meisjes; opnieuw is ze het/ niet.// Niet meer kijken./ Liggen gaan, in gras, en// jezelf ervan overtuigen dat de kinderen die/ voorbij gaan gelukkig zijn en ook hun/ moeders wel/ en// terecht/ beseffen dat een zomerzon/ balspelen// oproept’.
Het verlies poogt de dichter hier te dempen door zichzelf - met kracht, dat wel - te wijzen op het feit dat dit verlies de essentie van de werkelijkheid is, dat het zich manifesteert in het onverschillig doordraaien van de wereld, en vooral ook: dat het terecht is dat die wereld doordraait. Het woord 'tevergeefs’ heeft zo niet alleen de gebruikelijk negatieve connotatie, maar krijgt onwillekeurig iets positiefs. Juist het tevergeefse van alle pogingen hen die we hoe dan ook kwijtraakten, terug te halen, geeft aan het leven zijn paradoxale zin. Dat weten te accepteren is zijn als het vogeltje uit het gelijknamige gedicht: 'Zoals de dagen aanvangen’, heet het daar, 'Vogeltje kijkt op; een geeuwtje, een/ poepje,/ eten: fijnzaad voor zangvogels met honger, van het beste soort.// ’s/Avonds slaapt Vogeltje in zonder te bidden, zonder te zuchten’.
ZONDER BIDDEN, zonder zuchten, dat is wat Van Lier lijkt na te streven, het miniemste gebaar waarmee hij deel heeft aan een meedogenloze wereld zonder het ei te hoeven breken. Zijn werk lijkt daarin veel op dat van een generatiegenoot als Duinker, die in zijn poezie ook dat verlangen naar de van het al te menselijke ontdane blik kent (al is Duinker gedecideerder), maar ook met dat van Michel (al is die misschien uiteindelijk toch wat etherischer dan Van Lier en dreigt hij weg te zweven naar een andere dimensie), met het werk van Van Bastelaere en Spinoy ook (al zijn die weer wat meer uitgesproken postmodern).
Dat is bepaald niet de slechtste literaire omgeving om in te debuteren, lijkt mij. Miniem gebaar behoort voor mij in ieder geval tot de belangrijkere bundels van de laatste tijd.