De dichter Boris Pasternak beantwoordt het Nobelprijs-comité na het ontvangen van de prijs voor de literatuur in zijn datsja vlak bij Moskou, Sovjet-Unie, 1958 © Cornell Capa / Magnum Photos / ANP

Ismail Kadare, de Albanese auteur die al decennia op de shortlist van de Nobelprijs voor literatuur staat, volgde in 1958, toen hij 22 was, een schrijversopleiding aan het Gorki-instituut in Moskou. Hij was er getuige van studentendemonstraties waarin geprotesteerd werd tegen Boris Pasternak, een van zijn geliefdste Russische schrijvers. Kort daarvoor was bekend geworden dat Pasternak de Nobelprijs voor literatuur was toegekend, maar nog niet dat hij die, onder druk van het Kremlin, had geweigerd.

De demonstranten beschuldigden hem van lafheid, hij zou zijn bevriende collega Osip Mandelstam hebben verraden, althans het onvoldoende voor hem hebben opgenomen.

Dat verwijt was gebaseerd op een telefoongesprek van Stalin met Pasternak op 23 juni 1934, een kwart eeuw daarvoor dus. Eigenlijk kan van een gesprek nauwelijks gesproken worden, langer dan drie, hooguit vier minuten heeft het niet geduurd. Toen had Stalin, verontwaardigd, de hoorn op de haak gegooid. Maar niet eerder zal er in de Sovjet-Unie over een zo kort gesprekje zo lang en in zo veel toonaarden gesproken zijn. Er deden al gauw meer versies de ronde, telkens met minimale verschillen, maar die hadden maximale consequenties voor wat er tussen de tiran en de schrijver werd gezegd. En vooral: wat de schrijver ten aanzien van Mandelstam mogelijk verweten zou kunnen worden.

Voor Kadare is – of was – de kwestie behalve om historische redenen ook om persoonlijke redenen van belang. Net zo lang als hij zelf kandidaat voor de Nobelprijs is, vraagt hij zich af hoe hij zou reageren als hij een telefoontje zou krijgen van Enver Hoxha, Stalins Albanese evenknie. Of liever: hoe hij gereageerd zou hebben, want Hoxha is al in 1985 overleden; bovendien woont de auteur al dertig jaar grotendeels in Parijs, veilig en wel. In die zin krijgt zijn aanhoudende interesse in de kwestie langzaam maar zeker iets academisch.

Onenigheid aan de top, het boek dat hij er recentelijk over schreef en dat Roel Schuyt meteen vertaalde, als gebruikelijk in vlekkeloos Nederlands, is geen roman, het genre waarin Kadare al zo lang uitblinkt. Een essay, zoals het briljante Albanese lente (1991), is het evenmin. Eerder is het een verslag van zijn speculaties naar aanleiding van de dertien door hem geturfde versies die er van het historische telefoongesprek bestaan, de meeste in boeken en tijdschriften. Je zou het een hardnekkige vorm van close reading kunnen noemen, maar dan een die zich vooral richt op de herkomst van de verschillende versies, de identiteit van commentatoren, de tijd en de omstandigheden waarin zij hun commentaar gaven en op wat er om welke reden dan ook in hun weergave van het gesprekje niet werd gezegd.

De dichter dacht dat iemand een grap uithaalde en hing op

De betrouwbaarste versie lijkt die van Isaiah Berlin, de fameuze Britse filosoof, historicus en diplomaat die in november 1945 in Leningrad een verhouding was begonnen met de even fameuze dichteres Anna Achmatova, die met zowel Pasternak als Mandelstam nauw bevriend was. Berlin ontmoette Pasternak kort daarna in Moskou en tekende het verhaal dus op uit de mond van – buiten Stalin – de enige directbetrokkene. Er was een onbekende stem aan de telefoon, de dichter ‘dacht dat iemand een flauwe grap met hem uithaalde, en legde op. Toen werd er opnieuw gebeld en kreeg hij de verzekering dat het echt Stalin was’, waarna de leider inderdaad zelf aan de lijn kwam.

Hij vroeg Pasternak of hij Mandelstam als een meester in de dichtkunst beschouwde – een precaire vraag, want een spotgedicht van Mandelstam was de aanleiding voor diens arrestatie. Stalin wordt er ‘de bergbewoner uit het Kremlin’ in genoemd, ‘de wurger en boerendoder’. Pasternak antwoordde ontwijkend dat hij ‘grote bewondering’ had voor Mandelstam, maar dat zij ‘als dichters in elk opzicht van elkaar verschilden’ en hij ‘geen innerlijke verwantschap met hem voelde’. Waarop Stalin reageerde: ‘Als ik Mandelstams vriend was geweest, was ik beter voor hem opgekomen.’

Daarna had hij neergelegd en op pogingen van Pasternak hem opnieuw te bellen niet meer gereageerd, de schrijver bijgevolg in angstige verwarring achterlatend. Over de gevolgen van het telefoongesprek voor Mandelstam kon alleen maar worden gespeculeerd. Zeker is wel dat hij nog datzelfde jaar werd verbannen, een zelfmoordpoging deed, in 1937 kortstondig werd vrijgelaten en in 1938 opnieuw werd veroordeeld, nu tot vijf jaar werkkamp in de buurt van Vladivostok, maar voor hij daar aankwam aan ontberingen overleed.

Voor de Kadare-verslaafden, waartoe ik mezelf reken, is Onenigheid aan de top natuurlijk verplichte kost, maar tot zijn beste werk reken ik het niet. De gelukkigen die nog aan dit omvangrijke oeuvre moeten beginnen, raad ik een van zijn vroege romans aan, De generaal van het dode leger, De nis der schande, De schemering der steppegoden (over zijn studietijd in Moskou en dus ook over de hetze rond Pasternaks Nobelprijs) of Kroniek van de stenen stad, waarvan tegelijk met Onenigheid aan de top een ongewijzigde herdruk is verschenen, zij het onder een nieuwe titel: Kroniek in steen.

Door de dromerige, alles maar half begrijpende ogen van een ongeveer tienjarig jongetje vertelt Kadare in deze fantastische kroniek de turbulente oorlogsgeschiedenis van een oude Albanese stad, die achtereenvolgens wordt bezet door Italiaanse, Griekse en Duitse troepen. Die stad is Gjirokastër, zowel zijn geboorteplaats als die van Enver Hoxha. ‘De gevaarlijke communist’ Enver Hoxha, lezen we in een van de laatste hoofdstukken, wordt gezocht. Hij maakt deel uit van de partizanen, die ‘een nieuw soort oorlog’ hebben bedacht; ze noemen het ‘klassenstrijd of zoiets. (…) De ene broer brengt de andere om, en de zoon schiet zijn vader neer. (…) Hij kijkt hem even in de ogen, zegt: je bent niet langer mijn vader, en schiet hem zo een kogel door het hoofd.’

De rest, dien je dan tegenwoordig te zeggen, is geschiedenis.