Een gek en zijn gezin

PIA DE JONG
LANGE DAGEN
Prometheus, 254 blz., € 17,95

Debutante Pia de Jong vertelt in haar roman Lange dagen het verhaal van een maniakale vader, bezeten van het verlangen naar ongerept natuurlijk leven en het op de proef willen stellen van zichzelf en zijn gezin. Of eigenlijk vertelt ze het verhaal van zijn veertienjarige dochter Eva, die haar vader in heel zijn redeloosheid gadeslaat. Het vertelperspectief ligt namelijk helemaal bij deze Eva. Met groeiende angst ziet ze hoe haar vader zich voorbereidt op hun zomervakantie, waarin ze zullen moeten afreizen naar het hoge noorden, naar Lapland. Het kompas van de grootvader wordt opgewreven, ingedroogd voedsel wordt in plastic zakjes verpakt, haar twee jaar oudere broer moet spierballen kweken tijdens een survivaltocht, en haar moeder naait regenponcho’s.
Vanaf bladzijde één is duidelijk dat de vader een doorgedraaide idioot is. Hij neemt een valse, vervuilde hond mee van straat, en scheert die helemaal kaal. Let wel: een hond die Eva zo hard in haar nek bijt dat ze er een litteken aan overhoudt. Tijdens de maaltijden fulmineert hij over zijn collega’s, hoezeer die hem dwarsbomen en pootje proberen te lichten. Hij zet het hele gezin op een rantsoen van zelfgekweekte kefir en appels. Hij zegt dingen als: ‘De toekomst van de mensheid hangt af van kefir.’ Hij slaat de natuurarts bijna tegen de vlakte als diens adviezen hem niet bevallen. Hij houdt geregeld uit woede drie dagen lang zijn mond. Hij terroriseert zijn kinderen door voortdurend hun kamers binnen te vallen, en ze alle kanten op te commanderen. En hij denkt dus het paradijs in Lapland te kunnen vinden, in het uiterste noorden dat zó woest en authentiek is dat het nooit in kaart is gebracht.
Telkens blijkt de vader nóg weer extremer, en dan zijn we nog niet eens op reis. De voorbereidingen van de grote reis beslaan ruim de helft van het boek, de andere helft is de reis zelf. Eva mag geen bikini aan, mag haar haren niet los dragen, en niet met bepaalde meisjes omgaan. Broer Steven, die het liefst op zijn kamer zit te tekenen, wordt voortdurend in zijn nekvel gegrepen. Hup, rechtzitten, bij de les blijven. Als gezegd: De Jong maakt van meet af aan duidelijk dat we hier met een gek te doen hebben, en niet bijvoorbeeld met een kwetsbare ziel met maniakale trekjes, of iemand die langzaam doordraait en van wie het niet meteen duidelijk is wat hem beweegt en of hij nou gek is of alleen labiel. Het verhaal wordt hierdoor nogal monotoon en saai, maar vooral wordt het de lezer onmogelijk gemaakt deze geschiedenis te geloven, om maar iets elementairs te noemen. Neem nu de moeder. Op geen enkele manier biedt ze haar man tegengas, beschermt ze haar kinderen tegen zijn luimen, noch protesteert ze tegen zijn absurde en gevaarlijke reisplannen. Neem de kinderen zelf. Als dociele schapen ondergaan ze het grillige en overspannen gedrag van hun vader. Er is geen strijd, er is alleen maar een gek en zijn gezin. Ooit was de vader normaal, zo blijkt uit enkele herinneringen van Eva, maar vlak voor zijn 45ste knapte er iets in hem. Hij werd kaal en hij werd woedend. ‘Hij spiedde voortdurend om zich heen, alsof hij belaagd werd door verborgen elementen die het op hem gemunt hadden.’ Waarom zijn vrouw en kinderen hem laten begaan… Geen idee.
Nu is een roman ook maar een roman; andere wetten zijn van kracht en niks hoeft logisch te zijn. Essentieel voor een verhaal als dit, dat het moet hebben van een zekere realistische suspense die kan omslaan in surrealistische horror – denk aan The Shining van Stephen King – en van psychologische invoelbaarheid zodat we enig mededogen kunnen ontwikkelen met de personages – denk aan het gezinsdrama Een hart van steen van Renate Dorrestein – is echter wel dat de schrijfster haar drama interessant en aannemelijk maakt. De verhalende techniek die daarvoor is vereist, en die vooral te maken heeft met dosering en met het creëren van spanning, bijvoorbeeld door een tegenstem te introduceren, heeft De Jong duidelijk niet in huis. Eenmaal op reis begint Eva weliswaar wat meer in opstand te komen tegen haar vader, en worden de ontberingen en gevaren ook de moeder wat te gortig, maar de verhoudingen zijn dan al te zeer platgewalst om nog echt te kunnen boeien.
Onhandig, dat is de meest adequate kwalificatie voor de wijze waarop de schrijfster te werk is gegaan. Behalve voor de psychologie van haar personages geldt dat voor de manier waarop het heden wordt doorsneden met flashbacks: télkens doemen weer nieuwe namen van klasgenootjes op, télkens weer nieuwe subdramaatjes, van eerste zoenen tot halve aanrandingen. Onhandig is ook haar vertelstijl, die niet consequent de stem van een veertienjarig meisje benadert (‘We leken op elkaar, we hadden dezelfde kaaklijn’) en evenmin consequent vers van de lever is. Op twee plaatsen in de roman lijkt er opeens sprake van een volwassen perspectief dat reflecteert op het meisje-van-ooit (‘Bij mijn eigen kwetsbaarheid stond ik niet stil’). Het draagt er allemaal toe bij dat tegen de tijd dat de vader toch nog een soort transformatie lijkt door te maken, van dictator naar zielepiet, het de lezer een biet zal zijn.