‘De blinde uil’ van Sadegh Hedayat

Een gekweld bestaan

In 1965, ik was net twintig, kocht ik een boek van de mij onbekende Perzische auteur Sadegh Hedayat, getiteld De blinde uil. Ik moet zijn afgegaan op de faam van de uitgever, Polak & Van Gennep, en meer nog op de naam van de vertaler, Jacques Hamelink, van wie een jaar eerder een opzienbarende verhalenbundel was verschenen: Het plantaardig bewind. Of Hamelink het boek van Hedayat vóór dat boek, zijn prozadebuut, al kende durf ik niet met zekerheid te zeggen, maar waarschijnlijk is het wel.

Small sadegh hedayat
Sadegh Hedayat, non-conformist

Want wat te denken van deze zin uit De blinde uil: ‘De opium had zijn plantaardige geest, zijn plantaardige, vertragende geest in mijn lichaam geblazen en ik reisde door een plantaardige wereld. Was ik zelf plantaardig geworden?’ Beide auteurs bewegen zich bij voorkeur in het grensgebied van waan en realiteit, van de anorganische en de organische wereld, Hamelink wat mij betreft aanzienlijk subtieler en woordrijker. Dat bewees hij in 1969 ten overvloede, toen hij met Ranonkel of de geschiedenis van een verzelving (een soort epos) een van de meest wonderlijke, tegenwoordig curieus genoeg geheel in vergetelheid geraakte prozaboeken uit de naoorlogse Nederlandse literatuurgeschiedenis afleverde.

Maar ter zake. Hedayat (1903-1951), afkomstig uit een aristocratische familie, is in Iran een grootheid. Hij studeerde in België en Frankrijk en was in zijn productiefste jaren, zo tussen 1928 en 1948, ‘het middelpunt van een intellectuele coterie die wekelijkse bijeenkomsten hield in Teheraanse theehuizen’. Die zin schrijf ik over uit het nawoord van een nieuwe, zojuist verschenen vertaling van De blinde uil door Gert J.J. de Vries. Hamelink vertaalde uit het Engels, De Vries uit het Perzisch, over het verschil in kwaliteit hoeft – ook om andere redenen – niet lang gedebatteerd te worden. Hoewel Hedayat een hele trits romans, novellenbundels, theaterstukken, essays en studies heeft geschreven, is het qua vertalingen altijd bij dit ene boek gebleven, merkwaardigerwijs ook het enige dat tijdens het bewind van de Pahlavi-sjahs (1925-1979) om religieus-politieke redenen niet in Iran kon worden uitgegeven. Het werd en wordt, ook in de vele buitenlanden waarin het vertaald werd, steevast ‘een meesterwerk’ genoemd. Ik zou dat graag op voorhand hebben willen bevestigen, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik me van mijn lectuur uit 1965 vrijwel niets meer herinnerde. Ja, dat het in een geheimzinnige wereld speelde, dat het om een door koortsfantasieën en moordlust gekwelde eigenheimer ging, maar meer ook niet.

‘Eén enkele blik zou volstaan om mij de oplossingen van alle filosofische problemen te laten doorgronden’

Dat ‘meer’ is niet eenvoudig samen te vatten aangezien de naamloze verteller, een streng geïsoleerd levende man die de kost verdient met het beschilderen van pennenkokers, zijn situatie zelf nauwelijks of niet overziet, to put it mildly. In een visionaire flits heeft hij een vrouw van een bovenaardse, Aziatische schoonheid gezien, maar nu doolt hij door zijn huis, twijfelt aan haar bestaan en geeft zich over aan drank en opium. ‘Eén enkele blik’, denkt hij, ‘zou volstaan om mij de oplossingen van alle filosofische problemen en theologische vraagstellingen te laten doorgronden. Eén blik van haar, en voor mij zouden er geen raadsels en geheimen meer bestaan.’ Om door de kwellingen van de man gegrepen te worden, wordt van de sceptische lezer dus wel enige meegaandheid verwacht.

Dat geldt zeker ook voor de scène waarin de vrouw opnieuw in zijn leven verschijnt, helaas als lijk, ‘haar lichaam was ijzig koud’, ‘haar mond had een scherpe, bittere smaak, bitter als het uiteinde van een augurk’ – een beeldspraak die nog vele malen wordt herhaald. Omdat hij ervan overtuigd is dat zij ‘haar koude lichaam en schim’ speciaal aan hem had overgeleverd ‘opdat ze niet bezoedeld zou worden door vreemde blikken’, besluit hij haar in stukken te snijden, in een koffer te stoppen en die koffer ‘ver van alle mensen’ te begraven. Hedayat moet blijkens het nawoord behalve een ‘romantisch nationalist’ ook een man zijn geweest met een grote ‘sociale betrokkenheid ten aanzien van zijn minder geprivilegieerde landgenoten’, maar daarvan geeft zijn verteller weinig blijk, diens ‘buitenwereld’ is louter bevolkt door ‘gepeupel’. In zijn mijmeringen over de dood zegt hij al lang geen angst meer te hebben voor het ontbindingsproces van zijn lichaam, integendeel, hij kon er ‘echt naar verlangen om definitief te verdwijnen’, het enige wat hij werkelijk vreesde was dat zijn overblijfselen zich zouden vermengen met die van het gehate gepeupel.

In 1951 heeft Hedayat een eind aan zijn gekwelde bestaan gemaakt, in Parijs, een afscheidsbrief of testament ontbrak, zodat er over de redenen van die zelfmoord eindeloos kon worden gespeculeerd. Ook over de betekenis van De blinde uil doen vele versies de ronde. Een Iraanse recensent zag het boek als een politiek protest tegen de knechting en uitbuiting door de sjah en diens ‘bazen’, het boek zou de ‘weerklank zijn van een natie die in een periode van dictatuur verkeert’. Dat kan ik er eerlijk gezegd met de beste wil van de wereld niet in lezen.

Wel begrijp ik dat het non-conformisme en – meer nog – het inktzwarte, existentialistische wereldbeeld van zowel Hedayat als zijn verteller op weinig sympathie mochten rekenen van de ayatollahs, al heeft dat ook onder hun intolerante, antiwesterse bewind nooit tot een publicatieverbod geleid. De Heilige Schrift kan zijn verteller gestolen worden, gebedsboeken staan vol ‘leugenachtige beuzelpraat’, van de moskee, de oproep tot het vrijdaggebed, de rituele wassing en de rituele vervloeking heeft hij nooit enig heil verwacht, al was het maar omdat het gepeupel dat wel deed. De enige stem die hem bereikt is niet die van Allah maar die van de dood, ‘de enige die nooit zal liegen’. Maar ook dat, lijkt De blinde uil te willen zeggen, is een weinig inspirerende waarheid.