Kunst: Etel Adnan: schrijven is tekenen

Een gele zon gaapt boven Beiroet

Etel Adnan is dichter en schilder van een wereld in puin. De woorden in haar poëzie getuigen van de verschrikkingen, de verf op haar doeken bewaarde ze voor de schoonheid.

Small portrait e. adnan 3

In het appartement van Etel Adnan, gelegen in Parijs aan een rustige, brede straat parallel aan de Jardin du Luxembourg, is het een komen en gaan. Op het bellenpaneel buiten aan de muur staat haar naam naast die van Camus, die in hetzelfde pand zijn laatste woning had en wiens zoon er nog altijd woont. De deur staat op een kier en een slingerende trap en een krappe kooilift leiden naar de derde etage waar ook de voordeur vast openstaat. Adnan ontvangt haar gasten in de lichte woonkamer aan de voorkant vanuit een grote fauteuil. De kamer is ingericht met antiek Frans meubilair, een gouden spiegel hangt boven een marmeren schouw en op de schoorsteenmantel ligt een granaatappel. Aan de muren voornamelijk eigen werk, abstracte composities die lijken op lege, hete landschappen maar die niets vertellen over waar ze zouden kunnen zijn.

Adnan draagt een blauwe wollen trui, als een Française, ruim om de schouders en lang over de polsen, en zit in de stoel als op een troon. Ze heeft bezoek of verwacht bezoek en ondertussen gaat de telefoon, een schel deuntje op een volume dat het hele huis een paar keer per uur vult tot aan het hoge plafond.

Een van de meest gevierde kunstenaars van dit moment is niet direct een klinkende naam. Ik ben zojuist Hans Ulrich Obrist misgelopen, vertelt ze, de belangrijke curator uit Zwitserland, wervelwind van de hedendaagse kunst. Hij was het die Adnan als beeldend kunstenaar ontdekte toen hij een antiekwinkel nabij het Louvre binnenstapte en zijn oog liet vallen op een leporello, een boekje met bladzijden gevouwen als een harmonica. Twee jaar later liep hij het werk opnieuw tegen het lijf, nu in Beiroet, en herkende het meteen. Hij wees Carolyn Christov-Bakargiev, de directeur van Documenta 13, op de kunstenaar, zij reisde naar Beiroet en nodigde Adnan in de lobby van een hotel uit om deel te nemen aan de belangrijke vijfjaarlijkse tentoonstelling in Kassel. Adnan was zo verbaasd en bleef zo lang stil dat Christov-Bakargiev voorzichtig vroeg of ze wel wilde.

Met Documenta werd Adnan een van de ontdekkingen van de internationale kunst in 2012. Ze werd uitgenodigd voor biënnales, kreeg een tentoonstelling in de prestigieuze Serpentine Gallery in Londen, een retrospectief in Qatar en een show samen met Gerhard Richter in New York. Obrist zette zijn fascinatie voor de kunstenaar om in een boek. In Nederland kocht Joop van Caldenborgh tien schilderijen aan voor de Caldic Collectie. Op het moment is Adnan vertegenwoordigd in vijf tentoonstellingen in Europa, waarvan drie solo, en zijn belangrijke shows in de maak, waaronder een samen met werk van Paul Klee in Zwitserland en een eerste solotentoonstelling in de Verenigde Staten.

Adnan wordt 93 deze maand en als ik tegenover haar plaatsneem op een schommelstoel zwaait ze een been omhoog en legt een kleine voet op mijn knie met de vraag of ik de losse veters van haar schoen kan strikken. Haar partner, beeldend kunstenaar Simone Fattal, is een paar dagen op reis en ze loopt er al de hele dag mee rond.

Van een oeuvre van Etel Adnan kun je nauwelijks spreken. Oeuvres lijkt toepasselijker, net als dat je op papier meerdere levens aan haar zou willen toeschrijven. Adnan is filosoof, dichter en beeldend kunstenaar, ze werkte in Beiroet, Californië en Parijs. In de Verenigde Staten is ze het boegbeeld van de Arabisch-Amerikaanse poëzie – in het genre wordt zelfs een prijs met haar naam uitgereikt – en in Europa maakt ze furore als Libanese schilder. Ze liet het ene land achter zich om in het volgende te werken aan iets nieuws, in een nieuwe taal. Een paar dingen droeg ze steeds met zich mee: de zee van Beiroet en een berg uit Californië, Mount Tamalpais. Geen gedicht bleef zonder de zee, vrijwel geen schilderij zonder die berg, ook niet toen ze er op duizenden kilometers afstand vandaan woonde. De kunstenaar en haar werk zijn complementair: waar de kunstenaar niet kan zijn, neemt de kunst het over.

Adnan werd in 1925 geboren in Beiroet als enig kind van een vader uit Syrië en een moeder uit Smyrna, de Griekse stad die onder Atatürk bij Turkije kwam en vandaag Izmir heet. Adnan wijst op een zwart-witfoto naast de schouw, een portret van haar vader in uniform met een hoge rechte hoed en een donkere snor. Hij was officier in het Ottomaanse leger en had zijn opleiding genoten in Damascus, als klasgenoot van Atatürk.

Adnan behoorde in Libanon tot een minderheid: ze was geen kind van de Franse koloniale elite en niet van de Arabieren. Thuis sprak ze Turks en op school Frans. Arabisch slechts een paar woorden op straat, de francofonie overheerste. ‘De Fransen voegden het Frans niet als taal toe, ze wilden het Arabisch van de kaart vegen, de taal volledig vervangen. In Syrië slaagden ze daar niet in maar in Libanon wisten ze mensen het gevoel te geven dat als ze geen Frans spraken ze niet geciviliseerd waren. De bevolking kon niet anders dan er gehoor aan geven want de scholen waren in Franse handen. Als we op school Arabisch spraken, werden we gestraft. Dus hier woonde ik, in Libanon, zonder de taal te spreken. Ik heb het altijd jammer gevonden, ik was graag een dichter in de Arabische taal geweest.’

‘Wij dragen in onze lichamen – als explosieven – alle grote problemen die onze landen ten deel vallen’

Met het uitbreken van de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog wilde ze afstand nemen van de Franse taal, de overheersing niet langer door haar mond laten gaan. In 1949 had ze Beiroet verlaten om te studeren in Parijs en nu vervolgde ze haar opleiding in de Verenigde Staten. Het Engels lag haar meteen, ver verwijderd als de taal was van haar jeugd. Ze schreef er gedichten in. ‘Voor mij klinkt het Engels als een symfonie van klanken. Het is een energieke taal, misschien omdat het van een eiland komt. In het Engels zeg je wind, in het Frans le vent. Je zegt cóme on. En het is flexibel. Als ik iets uitprobeer in het Engels zeggen de dichters: dat is poëzie. Als ik dat doe in het Frans zeggen ze: dat is een fout.’ Adnan noemt Frankrijk ‘een natie van schoolleraren’, nuttig maar rechtlijnig. Liever woonde ze in Californië of Beiroet, maar op doktersadvies vliegt ze niet meer.

In Amerika ontdekte Adnan naast het Engels ook het Arabisch, niet als taal om te spreken maar als vorm om zich mee uit te drukken. Op een mooie solotentoonstelling in het Institute du Monde Arabe in 2016 stond op de muur een uitspraak geschreven: ‘Ik hoefde niet langer te schrijven in het Frans, ik besloot dat ik zou schilderen in het Arabisch.’ Dat ging als volgt. In een Japanse winkel in San Francisco vond ze een leporello, door Amerikanen gebruikt als fotoalbum. ‘Ik kreeg het idee om er poëzie in het Arabisch in te schrijven. Met waterverf tekende ik gedichten over op het papier en signeerde ze in het Arabisch: ik had het gevoel een Arabische schilder te zijn. Zonder er een woord van te begrijpen kon ik de gedichten toch schrijven. Ik ontdekte dat iedereen tekent wanneer hij schrijft, goed of slecht dat maakt niet uit. Schrijven is tekenen, schrijf dat maar op.’ In de woonkamer in Parijs hangt hoog aan de muur een bijzonder lange leporello, uitgevouwen achter het glas van een lijst. Je ziet de lijnen van de vouwen in het papier nog zitten, maar de hand van Adnan trok zich er niets van aan, liet de verf over de bladzijden gaan als over een baan met hindernissen.

Medium rs99583 gl 11073   untitled

Adnan is een van de vele kunstenaars uit de Arabische wereld die vandaag, vaak noodgedwongen, op afstand werken van hun land. Ze wordt wel omschreven als een kunstenaar in ballingschap maar zo ziet ze zichzelf niet. Ze vertrok vrijwillig, ook al waren er later momenten dat ze niet kon terugkeren. En komt ze niet van haar land los. In Of Cities and Women (Letters to Fawwaz) (1993) schrijft ze: ‘Ik zeg mezelf dat we terroristen zijn, niet terroristen in de politieke en gewone zin van het woord, maar omdat we dragen in onze lichamen – als explosieven – alle grote problemen die onze landen ten deel vallen.’

De gespletenheid in het leven van de kunstenaar werkt door in haar kunst. De schilderijen zijn collages van kleur, olieverf recht uit de tube op doeken van bescheiden formaat. De kleuren verschijnen in herkenbare vormen uit de natuur, de zon nooit echt rond en de horizon nooit precies recht, maar samen toch onmiskenbaar de contouren van een landschap. Het zijn decorstukken waar de geschiedenis zich tussen afspeelt, het toneel waarop oorlogen worden uitgevochten. Maar die schilderde Adnan niet, voor de ellende die zich aandiende in de loop van de tijd gebruikte ze woorden.

Met het uitbreken van de Libanese Burgeroorlog (1975-1990) bijvoorbeeld begon Adnan aan haar bekendste werk, L’Apocalypse Arabe, een gedicht in 59 delen. Het lijkt geschreven in een koortsdroom, een lang verhaal in een waanzinnige vaart met kleine tekeningen als hiërogliefen in de tekst, lage zwarte pennenstreken als sporen van een kalligrafie, van het Arabische alfabet. De witregels, kapitalen, uitroepen en tussenwerpsels wekken de indruk van een visueel experiment, maar wie begint met lezen ziet ze niet meer. L’Apocalypse Arabe is een ronkend epos, een meeslepende beschrijving van een catastrofe gadeslagen door de zon. Het begint rustig, ‘een gele zon gaapt boven Beiroet’, komt dan in beweging: ‘O zon die het oog van de Arabier kwelt in de vijands gevangenis! Zon geel stilte.’ De zon kijkt neer, op volken en kinderen en geliefden en lijken – ‘O! de zon is een haai jagend op sterren in de zeeën van de lucht’ – en brandt op een stad die kolkt van zintuigen. De dichter zoekt naar steeds scherpere bewoordingen om het slagveld recht te doen.

Het gedicht was een visioen, vertelt Adnan, aan de vooravond van het uitbreken van de oorlog. Ze verbleef tussen 1972 en 1976 af en aan in Beiroet, nam een pauze van haar baan als docent filosofie aan Dominican University of California. ‘Ik wist dat het geen kleinigheid was maar als een draad op een bolletje wol. Je begint eraan te trekken en daar ga je, het einde is zoek. Het was alsof de hele Arabische wereld de verkeerde afslag nam.’

L’Apocalypse Arabe verscheen in 1980 in het Frans en Adnan maakte zelf de vertaling naar het Engels. Wat er gebeurde toen het uitkwam in een Arabische vertaling? ‘Niets. Niemand sprak er met me over. Sitt Marie Rose daarentegen, dat verscheen aan het begin van de oorlog, sloeg in als een bom.’ De enige roman die ze schreef werd gelezen in het islamitische deel van de stad, niet in het christelijke. Vandaag is het boek helemaal niet in Libanon te vinden, vertelt ze, onverwerkt als de burgeroorlog is. ‘Links vindt dat de oorlog verkeerd was, de falangisten vinden dat ze hebben gewonnen en dat ze Libanon hebben gered, terwijl niemand heeft gewonnen en Libanon te gronde is gericht.’

‘Pas in de zee, in haar tijdloze blauw, mengt het bloed van de elkaar bestrijdende partijen zich’

Het was met Sitt Marie Rose al duidelijk aan welke kant Adnan stond. De roman volgt het waargebeurde verhaal van een directeur van een school voor geestelijk gehandicapte kinderen die het opnam voor de Palestijnen en toen door een christelijke militie werd vermoord, voor de klas. Haar naam was Marie Rose Boulos, vertelt Adnan, ze ontmoette haar slechts twee keer en sprak haar maar kort, maar haar verhaal droeg de hele oorlog in zich. Het hart van de roman leest als een dialoog tussen de twee kampen, gevuld met argumenten en dreigementen, met martelingen en beloften. ‘Pas in de zee, in haar tijdloze blauw, mengt het bloed van de elkaar bestrijdende partijen zich.’ De kinderen zijn in de roman niet geestelijk gehandicapt maar doofstom, ‘als een volk onder een dictatuur’, zegt Adnan. Zij kunnen de explosies in de stad niet horen, alleen de gevolgen ondergaan.

Aan het eind van haar leven wenst Marie Rose in het boek een toekomst voor haar mensen. Adnan schreef de roman meer dan veertig jaar geleden, de oorlog is voorbij maar de situatie met de Palestijnen is precies hetzelfde. ‘Niet hetzelfde, slechter. Slechter! Maar niemand spreekt erover.’ Adnan rekt het Engelse worse uit tot een boos gegrom en maakt met haar hand een wegwerpgebaar. Poor things, zegt ze, het is hopeloos. Adnan herinnert zich de komst van de eerste Palestijnen in Libanon, in 1948, en hoe goed ze even werden ontvangen, alleen omdat men dacht dat ze wel weer zouden gaan.

Small w19795mareebassehd 1

De telefoon gaat voor de derde keer in een uur. Alles waar een andere kunstenaar een leven lang de tijd voor heeft, lijkt er bij Adnan zo snel doorheen gedrukt te worden. Met terugwerkende kracht, want ook de kunst die ze nog in de la heeft liggen vindt gretig aftrek. Voor een tentoonstelling bij Galerie Lelong bijvoorbeeld zijn zo’n veertig ontwerpen voor tapijten voor het eerst uitgevoerd in textiel. Adnan maakte de meeste in de jaren zestig vanuit een fascinatie voor oude kunst, textiel die met het hof kon reizen en diende om de chateaus in Noord-Europa warm te houden, of ten minste ‘mentaal warm’. Destijds kon ze niemand vinden om ze te laten weven en bovendien was het duur, nu zijn ze geweven bij Aubusson, het beroemde centrum voor tapijten dat teruggaat tot de zestiende eeuw.

Als Adnan de telefoon neerlegt is ze zichtbaar geïrriteerd. Het was opnieuw een galerie met een verzoek. Ze kijkt niet neer op galeries, is niet vies van de commercie, maar ze vragen haar gewoon te veel. ‘Ik ben op het punt gekomen dat ik wil stoppen. Ik zou het geen probleem vinden als ik hierna geen tentoonstellingen meer zou hebben. Dat ik kan schilderen wanneer ik wil, maar niet langer onder druk van galeries. Ze sturen me lege doeken per post in de hoop dat ik maar ga schilderen!’ De verontwaardiging is niet geheel zonder trots. ‘Ze willen verkopen nu ik in het nieuws ben, want je weet het nooit met kunst. Als je overlijdt kan de prijs omhoog gaan, maar ook naar beneden. Nu weten ze tenminste wat ik waard ben.’

Op de vraag of kunst voor haar ook een manier was om haar land met zich mee te nemen, als een tapijt, antwoordt ze: ‘Absoluut, meer dan dat. Zonder de situatie met de Palestijnen, zonder de Algerijnse Onafhankelijkheidsoorlog en zonder de Libanese Burgeroorlog zou ik een ander persoon geweest zijn. Ik zou andere dingen gedaan hebben. De geschiedenis heeft mijn boeken geschreven, die heeft me geen tijd gegeven om aan andere dingen te denken.’ Alleen de schilderijen bleven op het oog buiten de politiek maar zijn er toch mee verbonden, verstoken als ze bleven van mensen. ‘De schilderkunst is mijn vrolijke kant. Het is nog steeds verbonden met de wereld, maar met de schoonheid van de wereld. Schilderijen zijn vrolijk, nietwaar?’

In maart verschijnt een nieuwe bundel in de veelgeprezen cyclus die begon met Seasons (2008), Sea and Fog (2012) en Night (2016), de laatste door The New York Times uitgeroepen tot beste poëzie van het jaar. Het handelt over de zon en de zee en over de berg Tamalpais, in woorden bij vlagen zo helder als de vormen op haar schilderijen. Het nieuwe Surge is een filosofischer gedicht, geïnspireerd op het gedachtegoed van Heidegger.

Voor mijn vertrek krijg ik een macaron aangeboden uit de chique doos op het tafeltje tussen ons in, daar achtergelaten door Obrist. Dan loop ik mee voor een versnapering uit een doos met een rode strik. Het is een staafvormig amandelkoekje met een groene laag pistache, een Arabische lekkernij, haar toegestuurd vanuit Beiroet.

Solotentoonstellingen (selectie): Etel Adnan: Tapisseries et estampes, t/m 10 maart bij Galerie Lelong, Parijs. A green sun A yellow sun A red sun A blue sun van 7 april t/m 26 mei in het Massachusetts Museum of Contemporary Art. Etel Adnan, 15 juni t/m 7 oktober in Zentrum Paul Klee in Bern. Groepstentoonstellingen (selectie): From Ear to Ear to Eye: Sounds and Stories from Across the Arab World, t/m 4 maart bij Nottingham Contemporary. Home Beirut: Sounding the Neighbors t/m 20 mei in het MAXXI, Rome