‘een gelukkig verschijnsel’

Wie zijn politici liefheeft, kastijdt ze. De Groene ging de afgelopen eeuw dan ook vaak over de rooie(n).

DE GROENE AMSTERDAMMER was in 1894 een links-liberaal blad, waarin keurige heren pleitten voor sociale en politieke hervormingen. Toen op 26 augustus 1894 te Zwolle de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij in Nederland werd opgericht, viel de jonge partij dan ook een enthousiaste ontvangst ten deel: ‘Het optreden dezer partij mag een gelukkig verschijnsel worden genoemd. Wij staan nog zover af van de vervulling van alle idealen en het gros van het volk is daarvoor nog zo weinig vatbaar, dat het een zegen mag heeten een groep te zien opstaan, die, hoe groot het verschil in einddoel ook moge zijn, toch bereid is met anderen samen te werken om voor de arbeiders alvast te verkrijgen wat bereikbaar is.’ Overigens hoopte hoofdredacteur Johannes de Koo dat er nu in Nederland ook eindelijk eens 'wetenschappelijke anarchisten’ verschenen, van een hoger niveau dan de types rond Domela Nieuwenhuis, omdat zij dan zouden kunnen fungeren 'als tegenwicht tegen het sociaal-democratisch beginsel om het individu geheel in den Staat te doen opgaan’.
De verrichtingen van de jonge partij werden welwillend gadegeslagen. Toen in 1897 Troelstra in drie districten werd gekozen als kamerlid, verscheen in De Groene een 'profiel’ van de politicus, 'een zeer ontwikkeld, welbespraakt man, van goede manieren en van groote werkkracht’. De strijd die de SDAP voerde voor algemeen kiesrecht en sociale hervormingen was iets radicaler, maar week niet wezenlijk af van wat links-liberalen als De Koo en Treub wilden. Dat de arbeidende klasse door de SDAP meer bij de politiek werd betrokken, vond De Groene een goede zaak.
Voor de spoorwegstaking van begin februari 1903 had De Groene zeker begrip. De arbeidsomstandigheden van de spoorweg- en havenarbeiders waren allerbelabberdst, hun solidariteit was een goede zaak, en het werd hoog tijd dat de spoorwegmaatschappijen in overheidshanden kwamen. Het liberale weekblad was minder te spreken over de tweede staking; het feit dat de reeds in vergetelheid weggezonken Domela Nieuwenhuis in deze maanden zijn come-back maakte, was volgens De Koo zeer zorgwekkend. Johan Braakensiek, die iedere week een politieke prent vervaardigde, liet Domela door de Nederlandse maagd - zijn vaste vriendin - de nacht in sturen met de woorden: 'Verdwijn, en nu voor goed!… Recht en Vrijheid min ik; ik haat de Anarchie.’
NADAT DE KOO IN 1907 was afgetreden als hoofdredacteur, begon De Groene aan een veel radicalere periode. De nieuwe hoofdredacteur, H. P. L. Wiessing, die zich later zou ontwikkelen tot een fellow-traveller van de meest bedenkelijke soort, huldigde nog wel liberale opvattingen, maar zijn radicale temperament deed hem vaak de kant kiezen van de linkervleugel van de arbeidersbeweging. Toen in 1909 de orthodox-marxistische oppositie van Wijnkoop en Van Ravesteyn uit de SDAP werd geknikkerd, ging Wiessing heftig tekeer tegen Troelstra. Door de vrijheid van meningsuiting te beknotten zou de partij ontaarden in een club van ingeslapen meelopers. 'Het is de groote taak, die rust op de schouders van de socialisten, de taak het stuwend element te zijn in onze sociale en politieke evolutie - die dergelijke zelfontkrachting ook door talrijke buitenstaanders betreuren doet’, aldus Wiessing. Vier jaar later oordeelde Wiessing dat de partij sinds het royement ernstig 'vervlakt’ was: ’(Troelstra) heeft van die partij een dikke jongen weten te maken, met meer vet en minder karakter. Hij heeft in de partij de beste elementen gedoofd.’
Dat De Groene de gematigde koers van de SDAP betreurde, bleek onder meer tijdens de kabinetsformatie van 1913. De verkiezingsoverwinning der sociaal-democraten, van zeven naar achttien zetels, had het blad aanvankelijk in een juichstemming gebracht. Een kabinet zonder confessionele partijen (in plaats van 'paars’ noemde men dat toen 'links’) zou het algemeen kiesrecht dichter bij kunnen brengen, het staatspensioen invoeren, het onderwijs bevorderen en zo op termijn de macht der 'clericalen’ breken. Braakensiek liet zijn Nederlandse maagd haar nieuwe rode kleed passen en haar vragen: 'Zou het me staan?’
Maar waar SDAP-leiders als Vliegen en Schaper de aangeboden drie ministerszetels gretig wilden aanvaarden, wees Troelstra regeringsdeelname af, om hier pas weer op terug te komen toen het al te laat was. Braakensiek tekende hem met in de ene hand de gouden kroon 'Macht’ en in de andere de doornenkroon 'Marx’. In dit aan Multatuli’s Vorstenschool ontleende tafereel drukte de SDAP-leider zich de marxistische doornenkroon op het hoofd: 'En voelde ’t bloed mij bigg'len langs de slapen: Door dat tot dit, sprak ik.’
VAN 1915 TOT 1920 BESTONDEN er twee Groene’s. Nadat Wiessing was ontslagen als hoofdredacteur van De Amsterdammer, zoals het blad officieel heette, begon hij zijn eigen Nieuwe Amsterdammer, beter bekend als De Mosgroene. Aanvankelijk leken beide bladen wat betreft berichtgeving en politieke stellingname sterk op elkaar. Met de revolutie in Rusland veranderde dit. De oude Groene hield zijn hart vast bij de tumultueuze ontwikkelingen in Rusland, terwijl Wiessing laaiend enthousiast was. Dat De Groene ook niets moest hebben van Troelstra’s revolutiepoging in november 1918 spreekt voor zich. Opgelucht drijft het blad de spot met de pretenties van Troelstra en Wijnkoop. Overigens had ook de Mosgroene weinig anders dan hoon voor de slappe revolutie-imitatie. Troelstra noch Wijnkoop konden tippen aan het 'idealisme van Lenin’ waardoor een heel volk in beweging werd gezet.
VANAF 1920 WAS ER WEER een Groene, die zich vijf jaar later ook echt zo ging noemen. Het was een bezadigd, enigszins saai blad dat afstand had genomen van zijn radicale verleden. Van enige affiniteit met de sociaal-democratie was geen sprake meer. De Groene zou tot circa 1936 de spreekbuis zijn van behoudende liberalen.
Vooral hoofdredacteur A. C. Josephus Jitta bezag de SDAP met het nodige wantrouwen. Nadat in 1932 opnieuw een linkse oppositie - ditmaal onder leiding van Piet Schmidt en Jacques de Kadt - uit de partij was gegooid, nam hij het SDAP-leider Albarda kwalijk dat hij het middel van de revolutie niet onder alle omstandigheden afwees. Toen de SDAP een jaar later protesteerde tegen het regeringsoptreden tegen de muiters van de Zeven Provincien, hield Josephus Jitta de sociaal-democraten voor dat ze niet moesten zeuren: ze hadden in 1932 immers ook korte metten gemaakt met de opposanten in eigen partij.
Het feit dat de SDAP in 1934 de democratie niet langer uitsluitend zag als middel, doch haar tevens erkende als doel, had de warme instemming van De Groene. Ook het in 1935 gepresenteerde Plan van de Arbeid werd positief gewaardeerd, al vermoedde Josephus Jitta dat het 'aanstonds en in de eerste plaats voor de propaganda bestemd blijkt te zijn’. Opmerkelijk is dat de aanvaarding van het nieuwe beginselprogramma van de SDAP in 1937, waarin definitief afstand werd genomen van het marxisme, in De Groene geen aandacht kreeg. Wel werd er positief gereageerd op het feit dat de SDAP op datzelfde moment de eis tot eenzijdige ontwapening liet vallen. Ook de toetreding van twee sociaal-democratische ministers tot het kabinet-De Geer in augustus 1939 werd door De Groene verwelkomd.
NA DE OORLOG LEEFDEN er ook in De Groene hooggestemde verwachtingen over de 'vernieuwing’ van het Nederlandse politieke bestel. De oprichting van de PvdA in februari 1946 werd gezien als een belangrijke gebeurtenis. Deze partij zou in staat moeten zijn om alle niet-dogmatische progressieven te verzamelen, zodat zij zou kunnen regeren met slechts een andere partij: de KVP. Eindelijk zou de Nederlandse parlementaire democratie eens 'behoorlijk’ kunnen gaan functioneren. De Groene kondigde wel gelijk aan dat de PvdA kritisch zou worden gevolgd: 'De nieuwe partij moge er zich van overtuigd houden, dat het niet hare slechtste vrienden zijn, die haar bij tijd en wijle haar feilen zullen toonen.’
De Nederlandse politiek in de tweede helft van de jaren veertig stond voor een groot deel in het teken van de Indonesische kwestie. De Groene nam hierbij een duidelijk standpunt in. Veel opzien baarde de 'zwarte bladzijde’, die werd afgedrukt na het begin van de eerste 'politionele actie’. Ook de 'brief van een officier uit Djokja aan zijn vrienden’ van begin 1949 bracht de gemoederen danig in beroering. De schrijver vergeleek het optreden van de Nederlanders in Indonesie met dat van de Duitse bezetters - een vergelijking die in het voordeel van de laatsten uitviel.
De PvdA werd vooral verweten dat deze partij 'te conformistisch, te berustend is geweest tegenover de politiek van een regering, waarin de Katholieke Volkspartij de eerste, en de Partij van de Arbeid de tweede viool speelt’. In dit commentaar uit begin 1951 werd tevens gesteld dat het zeer heilzaam zou zijn als er naast de PvdA een 'nieuwe beginselvaste partij’ kwam, die als 'een gestadige stem van het geweten’ de sociaal-democraten op het linkerspoor zou kunnen houden. Het zou echter nog tot 1957 duren eer de PSP werd opgericht.
In de jaren vijftig ging de aandacht van De Groene vooral uit naar cultuur en internationale politiek. Het blad probeerde in de Koude Oorlog een zo objectief mogelijk standpunt in te nemen. Dit kwam De Groene van de kant van de CPN dus te staan op het verwijt van kleinburgerlijk defaitisme, terwijl een sociaal-democraat als De Kadt sprak van 'het meelopersblad van een totalitaire staat’. Aan binnenlandse politiek werd vrij weinig aandacht geschonken; de perikelen op het Binnenhof werden vooral als slaapverwekkend beschouwd.
IN DE JAREN ZESTIG kwam hier verandering in. Niet alleen werd het gekrakeel rond de Hofvijver wat levendiger, ook hadden nieuwe redacteuren als Wouter Gortzak en Han Lammers grote belangstelling voor de binnenlandse politiek. Bovendien waren zij zelf PvdA-lid. In zijn artikel 'De nacht der Norbertijnen’ uit oktober 1966 sprak Lammers zijn tevredenheid uit over het feit dat het nu eindelijk eens niet de PvdA was die in het verdomhoekje zat. Lammers pleitte, als zovelen, voor meer duidelijkheid in de politiek. De vage ideeen van Vondeling over een 'Democratisch Progressieve Partij’ konden hem allerminst bekoren: binnen het progressieve kamp was er immers nog altijd de cruciale tegenstelling tussen socialisten en niet-socialisten. 'Het begrip “socialisme” mag dan voor sommigen een probleem zijn, voor zeer velen vertegenwoordigt het wel degelijk een levend beginsel.’
De opkomst van Nieuw Links werd door Wouter Gortzak met enige scepsis gadegeslagen. Van een principiele vernieuwing was, na het congres van november 1966, nog geen sprake. De PvdA had in 1959 afstand gedaan van wat traditioneel onder socialisme werd verstaan, namelijk van de eis tot opheffing van de kapitalistische structuren. 'Uit de tevredenheid der oppositionelen over de afloop van het buitengewone congres moet worden afgeleid dat ook hun verlangens, krachtiger geluiden ten spijt, in wezen niet verder gaan.’ Waarmee Gortzak dus een fors vraagteken zette bij het socialistisch gehalte van collega Lammers!
Hoewel in deze jaren een allesbehalve linkse socialist als Arnold Heertje in De Groene over economische onderwerpen schreef, schoof het blad steeds verder weg van het politieke midden. De Groene dobberde vrolijk mee op de linkse Zeitgeist. Ter gelegenheid van Lenins honderdste geboortedag, op 22 april 1970, bracht het blad een uitgebreide collectie citaten van de in die jaren uiterst populaire dictator. 'Voor de Lenin-kenners zijn het geen ontdekkingen. Anderen zullen zijn denkwijze dikwijls nog verrassend actueel vinden.’ Over de PvdA werd voornamelijk in afkeurende zin geschreven. In het 5 mei-nummer van 1970 schreef Jan Bank een kritisch artikel over de ideologische wortels van de PvdA. Vooral het personalistisch socialisme van Banning, waarin de klassenstrijd werd afgezworen, moest het ontgelden.
In 1969 was de verkiezing van Han Lammers tot lid van het PvdA-partijbestuur aanleiding tot zijn ontslag bij De Groene. De PvdA mocht dan wel de grootste linkse partij zijn, De Groene hield zich graag op enige afstand. Zodoende was er weinig aandacht voor het drama dat toen binnen de PvdA speelde: de weinig zachtzinnige aanvaring tussen 'Nieuw Links’ en de bezadigde sociaal-democraten die niet begrepen wat er nu eigenlijk mis was geweest met de PvdA-politiek uit de jaren vijftig. De oprichting van DS'70 liet De Groene koud, kouder althans dan de redevoering van Fidel Castro die op 20 juni 1970 een hele pagina vulde.
Rond 1970 zat de PvdA behoorlijk in de lift. De Groene volgde deze ontwikkelingen op de voet. Met afgrijzen werd gadegeslagen hoe oud-collega Lammers zich ontwikkelde tot een hooghartige regent. Met de komst van het eerste en laatste kabinet-Den Uyl in mei 1973 diende zich vanzelfsprekend een rijke bron van inspiratie en frustratie aan. 'Den Uyl moet voortdurend onder druk blijven van links’, luidde de kop boven het redactioneel commentaar. Er werd een hele waslijst met linkse desiderata toegevoegd.
Tegenwoordig wordt vaak met weemoed op de tijd van Den Uyl teruggeblikt, maar de PvdA kon toen in de ogen van De Groene weinig goed doen. Op 9 maart 1977 maakte Arnout Weeda de balans op van het kabinet-Den Uyl: 'De naakte waarheid van vier jaar progressief beleid.’ Er was in feite niets bereikt. Het enige wat scheen te lukken, was de grondpolitiek. En de manier waarop die was aangepakt, was bovendien veel te beperkt. Weeda: 'Hoeveel kabinetten-Den Uyl zijn er wel niet voor nodig om dit soort zaken een beetje op poten te zetten, als er al een hele regeerperiode heengaat met een mistig achterhoedegevecht?’
DE VROEGE JAREN TACHTIG stonden in het teken van de kernwapens. De wijze waarop daarop in de PvdA werd gereageerd, stond De Groene helemaal niet aan. De in meerderheid 'atoompacifistische’ partij moest 'Joop Atoom’ aan de kant zetten als ze 'nog iets van haar waardigheid’ wilde redden, aldus Anet Bleich. Ook de 'nieuwe sociale bewegingen’ waren een hot item. En ook daar gingen die vermaledijde PvdA-leiders weer helemaal verkeerd mee om. 'De sociaal-democraten zullen eindelijk iets moeten leren wat ze nooit goed gekund hebben. Goed luisteren. Echt kijken. En vertrouwen op de kracht van de mensen zelf’, aldus Geert Mak die duidelijk op dezelfde lijn zat als De Groene van 1894, waarin het anarchisme als noodzakelijk tegenwicht werd gezien voor de nietsontziende regeldrift der sociaal-democraten.
De verreikende idealen en de hooggespannen verwachtingen van de jaren zestig en zeventig maakten plaats voor ontnuchtering. Binnen de PvdA begon het 'nieuwe realisme’ de boventoon te voeren en werd met zekere gene gekeken naar de periode Den Uyl. Met de komst van Martin van Amerongen als hoofdredacteur veranderde er ook een en ander in de kolommen van De Groene. De tijd dat Fidel Castro en Mao Zedong niet waren weg te denken, was voorbij. Nadat Van Amerongen op een congres van de Wiardi Beckman Stichting uitgebreid de lof had horen zingen over de jarenlang bijzonder verguisde socialist Willem Banning, gaf hij een historicus uitgebreid de ruimte om een warm pleidooi te houden voor een herwaardering van het personalistisch-socialistische gedachtengoed.
WAT OPVALT BIJ DE bestudering van honderd jaargangen van De Groene, is dat het blad vanaf 1894 altijd hoge verwachtingen heeft gehad van de sociaal-democratie. SDAP en PvdA werden gezien als partijen die onmisbaar waren voor een progressieve ontwikkeling in de Nederlandse samenleving. Er werden aan deze partijen dan ook hoge eisen gesteld. Tegelijkertijd gaf De Groene zelden blijk van veel vertrouwen in de sociaal-democratie. Op voorhand werd meestal gesteld dat er van de socialistische eisen toch wel niet veel terecht zou komen.
Zoals vermeld gaf De Groene bij de oprichting van de PvdA te kennen dat vriendschappelijke gevoelens er de oorzaak van waren dat de partij kritisch zou worden gevolgd. Als de mate van liefde voor de sociaal-democratie valt af te leiden uit de hoeveelheid kritiek die De Groene leverde, dan was de liefde voor Drees, Den Uyl en Kok schier onmetelijk.
Het grote verwijt dat De Groene nu reeds decennia herhaalt, is het grote gebrek aan ideologische bevlogenheid van de vaderlandse sociaal-democraten. Of Constant Vecht en Mirjam Schottelndreier nu Schuivende panelen recenseerden of dat Rene Zwaap zijn 'Manifest aan de sociaal-democraten van Nederland’ schreef, de klacht is dat de PvdA teveel bezig is met het bestieren van een grutterswinkel, en in plaats van idealen na te streven alleen kijkt naar wat er hier en nu haalbaar is. Volgens Zwaap, in zijn hartstochtelijke pleidooi voor een 'revival van het uyliaanse temperament’, is het allemaal bloedeloos en liefdeloos. 'Het is met de doctrine der sociaal-democratie namelijk net zo gesteld als met muziek: zodra het gebodene niet regelrecht uit het hart komt, is het niet meer om aan te horen.’
Dat De Groene honderd jaar lang geregeld over de rooie ging, kwam meestal niet omdat de sociaal-democratische symfonieen zo lelijk werden gevonden, maar omdat ongeinspireerde musici er vaak een potje van maakten en de repertoirekeuze dikwijls eenzijdig was. Een recensent kan en mag dat allemaal schrijven, ook al kan hij zelf geen noot spelen.